Hesse was niet bang, maar hij stond alleen tegen over zes
anderen. Wibbe?.... ja, die zou 'm helpen.
En hij schreeuwde terug: "Jij hebt mijn torretje doodgeduwd, daarom
gaf ik je 'n slag."
Flip en de jongens lachten hard.
De eerste riep uit: "Om 'n torretje! wat 'n flauw schaap! Toch zul
je me niet slaan, begrepen? En hier heb je 'm terug!"
Patch! deed Flip, en de andere jongens trokken Hesse omver, om 'm af
te drogen, maar Wibbe sprong in de bres....
Dat werd 'n vechtpartij!
Evenmin als Wibbe liet Hesse zich heel gemakkelijk overwinnen.
Toch verloren ze en nu werden ze gedoopt!....
Vuil, bebloed en zenuwachtig kwamen ze thuis.
De notarisvrouw hoorde 't gansche verhaal aan en afkeurend schudde ze
't hoofd.
"Jullie krijgt moeielijke dagen, jongens," zei ze, "zorgt, dat je
flink en eerlijk blijft, dan komt alles best terecht. Hesse heeft
't hart op de tong. Laat 't op z'n plaats, hoor."
Toen de notaris thuis kwam en alles hoorde, voegde hij er nog 'n
hartig woordje bij:
"Nieuwelingen hebben 't overal 'n poos hard, maar luister goed,
Hesse, je voorbarigheid, je snelle tong zullen je nog veel last
veroorzaken. Pas goed op, kereltje, want anders...."
Meer zei de notaris niet.
Hesse had 't begrepen.