ZWAAR WERK.

De toren en de kerk stonden aan den buitenkant van 't dorp. Aan de

achterzijde kwamen zelden menschen. Daar liep de grens van 't oude

kerkhof en van af de hoogere plek keek je over de weilanden, met de

rijtjes wilgen, heen.

Twee minuten verder lag 't notarishuis.

Aan den anderen kant van de kerk lag 'n klein pleintje met groote

boomen. Door 'n groot hek kwam je dan in de dorpstraat, die op de

brink uit liep.

Hesse en Wibbe bereikten ongezien den voet van den toren en maakten

zich gereed 't groote werk aan te vangen.

Maar... de notaris gaf er dezen avond z'n dutje aan.

Na 'n kort overleg met z'n vrouw, besloot hij de jongens na te

gaan. Wel konden ze hier in en bij 't dorp in geen zeven slooten

tegelijk loopen, maar toch, de zonderlinge woorden van Hesse hadden

hem achterdochtig gemaakt.

Hij liet de jongens stil de deur uitgaan en toen volgde hij.

Juist toen Hesse de zware beitel wilde gebruiken, verscheen

mr. Broekenaaier achter hen.

Hij werd werkelijk boos, toen hij merkte, dat z'n verbod in den wind

was geslagen.

Onmiddellijk greep hij de werktuigen van den grond op en barsch riep

hij uit:

"Allo, marsch, naar binnen!"

Hesse aarzelde...

Volgens zijn natuur en zijn manieren, moest er 'n brutale weigering

volgen, maar z'n oogen ontmoetten die van Wibbe, en deze spraken zéér

duidelijk: "Gààn!"

Ze moesten naar de kamer van den notaris en hier hoorden ze voor de

tweede maal 'n strafprediking.

Eigenlijk gezegd gold ze alleen Wibbe.

"Jij wist, dat je zoo iets niet mag doen, jij had 'n voorbeeld moeten

zijn, hij wist niet beter."

Wibbe wist niet veel te antwoorden, hij voelde schuld. Juist wilde

hij dat bekennen, toen Hesse uit riep: "Meneer, als ik 't aan den

Burgemeester ga vragen, en als die 't goed vindt, dan mag 't toch

wel van ù òòk?"

"Zoo'n rakker!" dacht de notaris. Toch werd hij niet boos, bij 't

zien van de eerlijke oogen die op hem gericht werden.

Wat wist hij ook van 't jongensleven, van hun zucht naar avonturen. Wàs

't wel zoo erg als ze 'n paar steenen weghakten? Zou hij geen sleutel

van 't kleine deurtje kunnen vragen?

Daar stond tegenover: 't was in den toren gevaarlijk, je kon nooit

weten of ze daar binnen geen ongeluk zouden krijgen.

"Waarom willen jullie tòch in dat akelige oude ding?" vroeg hij.

De oogen van Hesse begonnen te schitteren, hij wilde gaan spreken,

maar er kwam alleen: "Dat is ons geheim."

De notaris glimlachte. Er ging hem 'n licht op. Jongens moeten

nu eenmaal iets hebben, dat ze van elkaar hooren of in allerhande

boeken lezen.

Die Hesse scheen er al heel sterk behoefte aan te hebben, en Wibbe,

nou die hunkerde immers naar 't bizondere.

Als bij ze eens liet begaan...

Wat was er verbeurd aan dien ouden toren?

Hij zou dan wel 'n oogje in 't zeil houden...

Op eens zei hij dus: "Nee, je mag niet naar den burgemeester. Ik heb

je nu gewaarschuwd, 't is heel gevaarlijk, marsch!"

Wibbe scheen iets te begrijpen, maar Hesse zei dadelijk buiten de

kamer: "'n Poos niks doen, dan vergeet die 't wel."

De notaris vergat 't niet.

Hij sprak met den koster en met 'n paar vakmannen, aan wie hij vroeg,

of die toren werkelijk zoo gevaarlijk was.

Hun antwoorden stelden hem gerust--de buitenmuren zouden heusch nog

niet instorten, 't zat 'm in 't trapwerk, 't hout was in geen jaren

vernieuwd of versterkt.

Alleen hevige stooten of stormen zouden gevaar opleveren, maar anders

--nou, 't zou wel losloopen.

De notaris wist genoeg.

Hij besloot dus, de jongens zoogenaamd hun gang te laten gaan, dus,

net te doen, of hij alles was vergeten, maar goed opletten en ze

beschermen.

De eerste dagen merkte hij niets.

Met opzet vermeden de beide vrienden den toren. Ze hadden 't verbazend

druk met paarden en honden.

In 't heele dorp waren maar vier honden en één ervan wàs eigenlijk

geen hond, maar 'n overblijfsel ervan... oud, blind, half dood. De

overigen werden in 'n ommezien beste maatjes met Hesse.

Hij was dol op dieren, behalve op katten.

Aan Wibbe vertelde hij: "Ik ben eens vreeselijk van 'n kat geschrikt,

toen ik nog pas vier jaar was. Een groote kat sprong in eens naar

m'n gezicht, ik viel om en ik zag er zoo uit, en ik heb wel 'n uur

gehuild. M'n vader heeft die leelijkerd doodgeschoten, en nou heb ik

'n hekel aan katten, zie je."

Maar de honden!

Ach, lieve help, wat stoeiden ze met den kleinen Dop.

Ja, Dop heette die!

Dat was zoo'n echte leuke lobbes van 'n hond en hij maakte de gekste

sprongen. Als Wibbe en Hesse voorbij den bakker kwamen, dan zagen ze

Dop meestal en o lieve help! daar begon 't spelletje!

Dop laten bijten in 'n stok, Dop om en om rollen, Dop meenemen, en doen

hollen met z'n rare keffende geluidjes, en... Dop telkens wat geven!

Die akelige kat thuis kreeg niets, maar de jongens bewaarden na de

eerste ontmoeting 'n boutje of 'n scheefje leverworst voor 't beest

en dat wist de schelm den derden dag al, of hij róók 't misschien.

Aan 't eind van 't dorp lag 'n soort van vierkant, aan één zijde open

en dáár afgesloten door 'n laag hekje.

Allemaal kleine huisjes stonden er gezelligjes naast elkaar te

flikkeren in de zon. Er woonden veel oudjes en gebrekkigen, die

er knusjes hun dagen sleten met pijpjes rooken, kousen breien en

babbeltjes houden.

Hel leek wel 'n hofje zooals in de steden wordt gevonden, maar dan

zonder nauw toegangspoortje en popperige tuintjes.

Dáár leefden ook 'n paar honden, ruig en ruw, maar als lammetjes

voor Hesse.

De eerste maal gromden ze achter 't hekje en ze maakten dreigende

bewegingen om één van de twee jongens minstens 'n half been af te

bijten, maar Hesse keek ze eens aan, begon met ze te praten en van

lieverlede kwam er 'n gezwaai in de staarten, 'n zachteren blik in de

oogen, 't grommen hield op en de koppen legden ze over den rand van

't hek om door Hesse gestreeld te worden.

Die twee bullebakken heetten Tex en Oos.

Wat die namen beteekenden, wist niemand, maar zòò waren ze!

Ook de geiten en bokken, die langs de bermen buiten 't dorp graasden,

vastgehouden door lange touwen, kregen 'n bezoek van Hesse en Wibbe. En

ook zij legden alle schuwheid en koppigheid af na de kennismaking. Met

hun gele rare oogen keken ze de jongens aan en ze lieten zich bekloppen

en ze duldden 'n klein bokspartijtje.

't Was 'n wonder zooveel vrienden Hesse zich maakte in die enkele

dagen.

In huis ging 't al veel beter, dank zij de korte lessen van Wibbe.

Die gaf 'm eenvoudig 'n stomp tegen z'n dij als hij iets onbehoorlijks

deed en dan legde hij hem later uit, hòè hij zich moest gedragen.

Dan vroeg Hesse geregeld: "Waaròm mag ik dat niet doen," en dan

antwoordde Wibbe doodleuk: "Daarom niet."

Hesse bromde dan weer wat terug, maar 't slot was toch, dat hij

luisterde naar Wibbe's raadgevingen en meermalen eerst z'n vriend

aankeek, alvorens toe te geven aan z'n invallen en grillen.

De notaris en z'n vrouw begonnen dan ook te wennen aan de geweldige

verandering in hun leven en zoetjesaan groeide er 'n warme genegenheid

in hun harten.

Wibbe mochten ze 't liefste lijden om z'n zacht karakter, om z'n

voorkomendheid en z'n lieve manieren.

Hesse kwam in de tweede plaats door z'n zonderlinge aard. Achter 't

meer ruwe ongepolijste uiterlijk vonden ze 'n eerlijk trouw gemoed,

'n diep gevoel van 'n echten jongen, groot gebracht onder totaal

andere omstandigheden bij menschen, die 't zoo nauw niet namen met

eerlijkheid en deugd.

Maandag!

Hesse en Wibbe verlieten 't notarishuis om kwart voor achten. Ze

trokken op weg naar school. Hesse was ongewoon stil, onderwijl ze

langs de vaart voortwandelden in 'n lichten motregen.

Wibbe bewaarde 'n klein geheimpje met moeite, want nu hij z'n vriend

zoo bedrukt zag meetippelen, voelde hij zich geroepen om hem te

troosten of moed in te spreken.

De waarheid dient gezegd te worden!

Wibbe was véél knapper dan Hesse! O, dat scheelde heel wat.

En Hesse wist 't! Hesse had 't dadelijk gemerkt. Hesse deed vroeger

niet veel aan schoolgaan en niet alleen door eigen schuld. Volgens

recht en billijkheid zou Wibbe dus in 'n hoogere klasse terecht moeten

komen dan de vriend.

En daarover piekerde Hesse.

Toch weerhield z'n trots hem, om er over te klagen, al vond hij

't vreeselijk, niet bij Wibbe in dezelfde klasse te zullen zitten.

En nog iets!

Vroeger bezocht Hesse 'n school, waar kinderen opgingen van arme

ouders, dikwijls haveloos gekleed en ongewasschen. De jongens deden

soms vies en ruw, omdat ze niet beter wisten. Nu kwam hij op 'n school,

waar alle kinderen goed gekleed waren, frisch en zindelijk. Hij wist,

hoe ze van jongst af aan geleerd hadden volgens andere opvattingen

te leven zooals Wibbe.

Hesse zag er tegen op!

Hij was bang, te zullen afsteken door z'n manieren en z'n geringe

ontwikkeling.

Vandaar z'n gedrukte stemming.

Wibbe droeg vuur op de tong!

Hij wist, dat Hesse tòch bij hem in dezelfde klasse zou geplaatst

worden. Hij wist, dat Hesse afzonderlijk les zou krijgen. Hij wist,

dat Hesse 'n helder verstand bezat, 'n kolossaal geheugen en dat

hij dus heel gemakkelijk kon inhalen wat hij achter was. Hij wist,

wat meneer Broekenaaier met 't hoofd der school had afgesproken,

maar hij mocht er niets van aan Hesse zeggen.

En dus vergenoegde hij zich met louter opporringen, die bestonden

uit aanmoedigende kreten en stoeipartijtjes.

"'t Zal best meevallen!" riep hij telkens, "wees nou niet zoo suf!"

Hesse dééd dan z'n best om weer onbezorgd vroolijk te zijn, maar

juist die opgewektheid van Wibbe deed hem des te sterker voelen,

hoeveel hij bij hem achter stond, hoe jammer 't was, in 'n lagere

klas te moeten zitten.

In de stad gaf 't gewoel en de drukte 'n weinig afleiding, waardoor

de toenemende stilheid van Hesse niet meer zoo òp viel.

Ze bereikten de Binkstraat en daar ontdekten ze al in 't midden

'n woelende menigte kinderen, kleintjes en grooten.

Ze stoeiden en speelden voor 't meerendeel, terwijl de ouderen in

groepjes stonden te praten of gekheid te maken.

Wibbe en Hesse vertraagden hun gang....

Zouden ze regelrecht de school binnengaan om zich aan te melden,

of buiten blijven wachten?

Ze werden niet eens opgemerkt en dus besloten ze nog wat te treuzelen.

Toen kwam 't Hoofd van de school in de deuropening en z'n oogen

vielen op de twee nieuwe jongens. Hij wenkte hen en nu stapten Wibbe

en Hesse naar binnen.

Onder 't opwekkend praten van meneer Weler liepen ze de breede gang

door tot lokaal 10. Daar gingen ze in en de onderwijzer, meneer Fube

nam ze over.

Blijkbaar wist hij er alles van want doodgewoon babbelde hij even met

de jongens, wees ze hun plaatsen aan en heel kalm zei hij aan 't slot:

"Misschien kun je in 't begin nog niet goed mee, dat is niemendal,

ik zal je extra helpen."

Terwijl Hesse van verbazing de kluts kwijt raakte en z'n vriend

zwijgend aanstaarde, kwamen de jongens en meisjes binnen.

Hesse begreep 't niet goed.... zou hij met Wibbe in dezelfde klas

blijven? Naast 'm zitten?

O!--O! Hij werd vuurrood en alles vergetende zei hij met 'n harde

stem tegen de jongens in de bank naast de zijne:

"Zeg! zeg! ik blijf bij Wibbe!"

De heele klas keek er van òp en na de woorden van Hesse ontstond er

'n algemeen gegiegel. De achtersten rekten zich uit om de nieuwelingen

te zien en snel gingen de opmerkingen over hun uiterlijk van mond

tot mond.

Meneer Fube deed alsof hij niets merkte en Hesse, als met 'n tooverslag

weer de oude van kort geleden, keek met z'n brutale oogen de klas rond,

ondanks 't zachte stompen van Wibbe.

En tegen 'n jongen, die hij hoorde zeggen: "Wat 'n ezelsooren heeft

die nieuwe knul!" riep hij:

"Trek er 's an, als je durft!"

Hij stond klaar om te gaan bakkeleien, toen de onderwijzer beginnen

tikte.

Hesse ging zitten, telkens nog omkijkende naar den beleediger.

Wibbe kreeg pijn in z'n eigen hand door 't aanhoudend porren, maar

't hielp hem niet veel want Hesse zei tamelijk hardop: "Schei toch

uit met je stompen!"

Weer tikte de onderwijzer, terwijl de gansche klasse weer giegelde.

Toen begon de les.

Ze liep over natuurkunde en gelukkig werd Hesse er door geboeid,

al schreeuwde hij z'n opmerkingen ongevraagd door de klas.

Meneer Fube zette hem kalmpjes op z'n plaats, legde hem uit, hoe de

gewoonten waren en ging weer verder.

Dat uur leverde geen bizondere voorvallen op, maar in 't tweede kreeg

je de poppen aan 't dansen.

Waarschijnlijk kwam 't door de overgroote vreugde die Hesse doortrilde,

omdat hij in deze klasse mèt en naast Wibbe mocht blijven.

De taalles eischte schriftelijk werk, 't vervolg van den vorigen dag.

Wibbe en Hesse kregen daarom iets afzonderlijks, 'n oefening uit den

Hertog en Lohr.

Dat ging Hesse niet te best af!

Hij merkte wel, dat Wibbe aardig opschoot, maar afkijken wilde

hij niet.

Al zoekende naar de juiste woorden, zat hij rond te kijken. Daar

zag hij, hoe 'n jongen onder de bank stilletjes iets uit 'n zakje

haalde en dat in zijn hand verborg. Toen ging die gesloten hand in

de richting van den mond. Oogenschijnlijk was de jongen met z'n werk

bezig. Even hield hij de hand stil voor den mond en juist toen de

inhoud zou worden verplaatst, klonk de stem van Hesse: "Is 't lekker?"

De heele klasse keek òp en meneer Fube, druk bezig met nazien, schrikte

van dien uitroep. De betrapte snoeper werd vuurrood, deed haastig z'n

hand omlaag om z'n schuld te verbergen. Te midden van de opschudding

klonk 't weer uit Hesse's mond: "Geef ons allemaal wat!" De onderwijzer

liet de klas even lachen, toen riep hij Hesse bij zich en vermaande

hem zacht, niet zóó hardop alles te zeggen wat hij zag.

Hesse deed beschaamd, nog 't meest door 't verlegen gezicht van Wibbe,

die waarlijk geen raad wist.

't Zakje moest op de tafel gelegd worden, de schuldige kreeg 'n scherpe

terechtwijziging en daarna krasten de pennen weer over 't papier.

Hesse probeerde met nieuwen moed aan 't werk te gaan.

Vul in! stond er. Ja, dacht Hesse, vul maar in als je

niets weet. Ja, gierig heb ik al, nou 'n ander woord voor

gierig. Hoe is dat nou? Gierig.... gierig.... die vrouw Mijssen

was gierig.... ja.... alles bewaarde ze.... en ze at haast

niet.... 'n ander woord! Happerig? Is dat goed?.... nee.... gulzig

is niet gierig.... even bij Wibbe kijken?.... nee, niet

doen! Gierig! Zuinig? Nee, ook niet goed!.... waarom geeft die meester

me nou zoo'n moeilijke les!.... Voor Wibbe niet!.... Hoe moet ik

dat woord nou vinden?.... Zal ik 't maar overslaan?.... Straks weet

ik 't misschien!.... Alweer zoo'n lastig woord! Rijk!.... 'n Ander

woord!.... wat verzinnen ze toch! Rijk is rijk! als je duiten hebt! Wat

moet dat nou weer anders wezen? Rijk.... rijk.... ik wéét 't niet....

De onderwijzer keek op en zag Hesse tobben. Juist wilde hij hem

bij zich roepen, toen de jongen eensklaps de pen met 'n smak op z'n

schrift smeet, zoodat 'n heele kogelregen op 't witte blad neerplofte

en tegelijkertijd klonk z'n harde stem: "Ik wéét 't niet!"

Natuurlijk barstte van alle kanten 't lachen los en Wibbe zag toen

de kans schoon om boos tegen z'n vriend te zeggen: "Hou toch je

mond!" Hesse schrikte nu zelf, vooral bij 't zien van de rij zwarte

kogels op z'n schrift.

Meneer Fube kwam er bij te pas!

De vlakken werden gedroogd en uitgekrabbeld, Hesse kreeg 'n zacht

standje.

Na enkele terechtwijzigingen van den onderwijzer trok Hesse weer aan

't werk.

Maar....

't Ongeluk wilde, dat er 'n klein torretje over z'n bank kwam

loopen....

Dadelijk hield Hesse met schrijven op en zei hardop tegen Wibbe: "Jò,

'n krokodil!"

Enkele jongens keken om en volgden den wijzenden vinger achter 't

ronddwalende torretje.

Wibbe wilde erger voorkomen en daarom blies hij over de bank, waardoor

't diertje 'n eind weg schoof.

"Dóórwerken!" zoo klonk de vermanende stem van den onderwijzer.

De hoofden bogen zich weer over 't papier, maar Hesse bleef 't torretje

nakijken, tot Flip Asser, die in de bank vóór hem zat en die graag

plaagde, zich opeens omdraaide en snel 't torretje dood drukte....

Dat was Hesse te veel!

Hij rees overeind en gaf Flip 'n harde mep op z'n

hoofd....! "Lammeling!"

Flip gaf 'n gil en viel voorover op de bank--alle kinderen kwamen in

beweging en weer moest de onderwijzer handelend optreden.

Hesse kreeg de schuld, maar Hesse verdedigde zich en in z'n drift

schold hij Flip uit voor 'n wreedaard. 't Had weinig gescheeld of

hij was weer op Flip losgevlogen.

Meneer Fube werd 'n beetje krieuwelig! Zulke voorvallen deden zich

anders nooit voor. Wat 'n vervelende nieuwe jongen! dacht hij. Ik

moet hem op 't oogenblik flink aanpakken, hij brengt de heele klas

in rep en roer. Straks zal ik eens met 'm praten.

"Ga alleen aan de achterste bank zitten!" zoo luidde z'n bevel,

"in de pauze blijf je binnen." Hesse aarzelde.... hij vond, dat Flip

straf had verdiend.... die duwde 't torretje dood.... hij, Hesse,

had hem gestraft.

Wibbe, hoogrood en zenuwachtig, waarschuwde z'n vriend uit alle macht

en die blikken uit de verschrikte oogen hielden Hesse bedaard. Hij

droop af naar de strafplaats en met tegenzin werkte hij door.

Telkens als hij òpkeek, zag hij 't valsche gezicht van Flip, die

ongemerkt om zat te loeren en hem uitlachte.

Hesse hield zich uit alle macht in, tot hem de woorden uit den mond

schoten: "Treiter me niet." 't Zelfde oogenblik stond hij rechtop in

de bank en wierp woedende blikken naar Flip.

Een nieuwe opschudding dus.

Het werd meneer Fube te machtig!

Driftig liep hij op Hesse af en gramstorig riep hij uit: "Wil je nu

wel eens ophouden! We zijn dat hier niet gewend! De kinderen hier

gedragen zich anders, niet als straatjongens!"

Hesse kòn niet zwijgen en hij antwoordde:

"Die jongen kijkt telkens om, hij treitert me, hij heeft 't torretje

doodgemaakt, hij lacht om me."

Meneer Fube was zelf weer kalm geworden, hij wilde vooral niet

onrechtvaardig zijn.

"Ga door," zei hij kortweg, "allebei straks blijven."

Wibbe's hart popelde!

't Ging niet goed met Hesse! Als hij zoo druk bleef doen, dan zouden ze

hem stellig niet in deze klasse laten. Maar hij kon er op 't oogenblik

niets aan doen. Even omkijken! Hesse zat schijnbaar te schrijven en hij

merkte niets van Wibbe's omzien. Daarom werkte hij zelf maar verder.

Tot de bel ging.

Allemaal mochten ze 'n kwartier op de binnenplaats rondloopen.

Hesse en Flip bleven binnen.

Meneer Fube ving z'n onderzoek aan en nu begon hij meer van dien

Hesse te begrijpen. Het leek hem 'n jongen vol gevoel, maar wat

haastig gebakerd en zonder besef van goede manieren.

Flip kende hij al! Dus deed hij z'n best beide jongens aan 't verstand

te brengen, dat elk op z'n beurt verkeerd had gehandeld. Hij hoopte,

dat ze zich verder verstandig zouden gedragen en vooral Hesse verweet

hij z'n luidruchtige opmerkingen.

Toen mochten ze gaan.

Buiten stond Wibbe al te wachten en dadelijk kreeg de vriend de

volle laag.

"Je maakt, dat alles verkeerd gaat!" verweet hij Hesse, "je stelt je

aan, nee maar! ik schaam me haast voor je!"

Hesse verdedigde zich, maar Wibbe deed boos.

Flip zocht troost bij de vrienden en hij hitste hen op om dien

nieuweling eens te doopen.

Niet hier, maar om twaalf uur!

En zoo werd Hesse na schooltijd afgewacht door 'n zestal jongens.

De ridders van den halven toren · 第 21 / 77 题