Wibbe haalde zonder iets te zeggen 'n dubbeltje te voorschijn.
"Wil jij dat koopen?"
Hesse volgde de richting, die de uitgestrekte arm aanwees en nu
ontdekten z'n oogen 't raam van 'n onooglijk winkeltje.
Er lagen allerhande prulletjes te kijk en nu wees de vinger van Hesse
op 'n klein kinderpistooltje.
Wibbe keek er naar en ook naar z'n dubbeltje.
"'t Is te duur", meende hij.
Hesse was al in den winkel, en toen Wibbe volgde, hoorde hij 'n oude
vrouw zeggen:
"Veertig centen."
Hij hàd zooveel niet, maar toen hij 't teleurgestelde gezicht van Hesse
opmerkte, nam hij zich vòòr, z'n zakcenten op te sparen, alleen om
't pistooltje te kunnen koopen.
"M'n vader had 'n echt pistool", vertelde Hesse, "ik heb één keer er
mee geschoten."
Wibbe voelde nu voor 't eerst 't gemis van z'n speelkamer.
Dáár zou Hesse gelukkig geweest zijn, als hij de windbuks had mogen
gebruiken en de blaaspijp en nog zooveel meer.
Wibbe kreeg lust er van te vertellen en toen vroeg Hesse dood leuk:
"Waarom ben je er niet gebleven?"
Wibbe antwoordde: "Omdat ik al dat speelgoed graag wou ruilen voor
jou."
"Voor mij?"
Hesse trok zoo'n koddig gezicht, dat Wibbe 't uitproestte en toen
vertelde hij van z'n leven met mr. Bribon, die heel goed voor hem
was geweest, maar met wien hij zich toch heel eenzaam had gevoeld.
Toen keken de beide jongens elkander aan.
Hesse begon iets te begrijpen en zonder 'n woord te zeggen, sloeg
hij z'n arm om Wibbe's schouders en in dat oogenblik werden die twee
eenzame jongens aan elkander geklonken voor heel hun leven.
Ze kwamen bij de kerk met den somberen plompen toren.
"'t Is net of die dood is", zei Hesse, "ben je er al eens in geweest?"
"Niemand mag er in, hij is van binnen heelemaal kapot."
"Kunnen we dat niet eens zien?"
Zooals gewoonlijk wachtte Hesse niet op 'n antwoord, maar snuffelend
liep hij langs de kerk, vol verschoten klimop tot aan den voet van
den toren.
Het was 'n verlaten treurige plek!
De steenen lagen er schots en scheef, heele putten waren in den
grond. De muren brokkelden af en door den regen vertoonden ze
allerakeligste vlakken bruin en zwart.
"Hij ziet er net uit, of hij op ons wil vallen", zei Hesse.
Ze stonden nu samen voor den ingang, 'n vervelooze deur, vol spleten
en vreemde plakkaten.
Hesse morrelde aan de rest van 'n kruk, duwde tegen 't hout. Dit
knoerste en zuchtte als 'n honderdjarig vrouwtje, dat uit haar sufheid
wordt wakker geschud.
"Help 's douwen", zei Hesse.
Samen probeerden ze, de deur open te krijgen, maar 't slot hield
nog goed.
"Ik wil er toch eens in", zei Hesse, "zou meneer ... hoe heet die
nou ook weer? Zoo iets van 'n kleermaker..."
"Meneer Broekenaaier!" hielp Wibbe hem.
"O ja, zoo heet ie, kan die er ons niet in helpen?"
"Ik zal 't hem eens vragen, maar ik geloof 't niet."
Hesse was op z'n knieën gevallen en morrelde met z'n handen onder
aan den voet van den toren.
Wibbe bukte om te zien wat hij deed, en merkte toen, dat z'n vrind
bezig was 'n paar zerksteenen heen en weer te duwen.
Ze waren vreeselijk gebarsten! Vandaar dat Hesse probeerde om één
van de stukken te verplaatsen.
Het lukte hem niet en evenmin aan de twéé jongens, die samen aan
't rukken en duwen trokken.
"Zeg Wibbe, ga jij 's 'n bijl of 'n beitel met 'n hamer halen."
Wibbe staarde Hesse aan ... hij twijfelde op z'n minst genomen aan de
tegenwoordigheid van zulke werktuigen in 't huis van den notaris. Een
tweede punt was 't meenemen.
Hesse stond al op, om zelf te gaan, maar nu sprak Wibbe 't belemmerende
woord:
"We mógen geen gat maken."
Nu kreeg Hesse de beurt om gek te kijken.
"Waarom niet?" vroeg hij, "we doen 't niet om te stelen, we zijn
geen inbrekers."
Wibbe schudde 't hoofd en antwoordde: "Je màg geen gaten maken in
'n andermans huis."
"Ach jò, van wie is dàt huis? 'n Mooi huis, zoo'n ouwe toren. Die
hoort toch aan 't dorp, aan alle menschen van 't dorp, dus óók aan
onzen meneer Kleermaker!"
"Broekenaaier", verbeterde Wibbe weer.
Hij aarzelde, want hij wist niets in te brengen tegen de redeneering
van Hesse.