De stoomboot, een zoogenaamde salonboot, waarmede Willem en Lord
Greybury den volgenden dag den Rijn opvoeren, geleek veel op een
drijvende villa. Het vaartuig had een aanzienlijke lengte en breedte,
en was van al de gemakken voorzien, waaraan de toeristen, die er van
gebruik maakten, thuis gewend zijn.
Een fraaie eetzaal, met glazen wanden, op de eerste verdieping bood
gelegenheid aan den inwendigen mensch te versterken en te verkwikken
met al wat het gehemelte streelde en het hart slechts begeerde; hiervan
werd dan ook druk gebruik gemaakt. Op het dek onder de zonnetent
stonden groote tafels en gemakkelijke leuningstoelen. Een talrijk
gezelschap, grootendeels uit Engelschen en Nederlanders bestaande,
bevolkte het dek, en beschouwde met blikken vol bewondering de
bekoorlijke, onvergetelijk schoone Rijnoevers. Voorbij Coblenz naderden
de bergen de oevers zoo dicht, dat er nauwelijks ruimte overbleef voor
een rij- en spoorweg. De hellingen der meest grillig verbrokkelde
leisteenbergen waren bijna zonder uitzondering met wijnstokken beplant,
en vormden dertig, veertig, zachthellende terrassen boven elkaar. En
tusschen deze bergen ingeklemd, kromt en wringt zich de Rijn en baant
zich in vele bochten een weg. Telkens waant men zich op een langwerpig,
blauwachtig meer, door bergen ingesloten, inplaats van op een duizend
mijlen lange rivier, maar nauwelijks heeft men den tijd gehad, den blik
te verzadigen aan het schoon, dat de oevers bieden, of daar opent zich
de bergenreeks, die de voorzijde van het meer scheen af te sluiten,
onverwachts naar rechts of links.
De boot zwenkt, en een nieuw panorama, nog schooner dan het genotene,
ontrolt zich voor de verbaasde blikken der reizigers. Onwillekeurig
dwalen de gedachten, bij het zien der ruïnes, terug naar de tijden,
toen roofridders uit de smalle vensters al van verre de kooplieden
bespiedden, en plotseling mét hun dienstknechten uit een hinderlaag
aanstormden op de vreedzame reizigers om ze van hun geld en goed te
berooven.—In het midden van den machtigen stroom liggen langgerekte
eilanden met ouderwetsche kerkjes of fraaie villa’s, half verscholen
achter hoog geboomte. Lieflijke dorpjes met kleine, witbepleisterde
huizen en bevallige torentjes glinsteren in het zonlicht en teekenen
zich helder af tegen den onbebouwden voet der bergen. Ginds hangt een
prachtig kasteel, het eigendom van de Duitsche keizerlijke familie, als
een zwaluwnest tegen de boschrijke helling.
Allen zijn stil op het dek. De indrukwekkende schoonheid der omgeving
doet het gelach en gezang verstommen; zelfs de kinderen staken hun spel
en rekken de halzen, om over de verschansing te zien of klauteren op de
knieën der ouders. Alleen het eentonige stampen der machine verbreekt
de stilte.
Willem zag deze schoone streek niet voor de eerste maal, maar hij kon
toch zijn oogen niet van de ruïnes en herstelde burchten wenden. Lord
Greybury daarentegen las onafgebroken in zijn reisboek en had
schijnbaar geen oog voor het verrukkelijk natuurtafereel. Slechts nu en
dan, wanneer hij den reisgids voor de Times verwisselde, keek hij even
op, maar noch zijn oogen, noch zijn gelaat toonden dan eenige
verrassing; er was immers geen gevaar bij!
Eensklaps wendden zich aller blikken naar een punt op den
dichtstbijgelegen oever, en een kreet van blijde verrassing ontsnapte
veler mond.
Met de eene hand op den schouder van een jong, schoon meisje steunend,
staat daar een grijsaard. Zijn sneeuwwitte haren dalen in golvende
lokken op zijn schouders neer; een fluweelen mantel omgeeft in wijde
plooien zijn eenigszins gebogen gestalte. Witte kousen en zwarte
schoenen met lange punten dekken beenen en voeten.
Met de vrije hand houdt hij een harp omklemd, waarvan het verguldsel in
’t zonlicht schittert. Het meisje is in een hemelsblauw, ruim golvend
kleed gehuld, dat met een langen sleep tot op het roode oeverzand
neerhangt. Een zilveren gordel omsluit boven de heup het middeleeuwsche
gewaad. Op de lange, glanzende, goudgele haren ligt een krans van
versche eikenbladeren, die tevens een gedeelte van het mooi gewelfde
voorhoofd bedekt.
„Oedipus en Antigone!” klinkt het hier op een toon, die duidelijk de
aangename verrassing verraadt, en daar: „de Winter en de Lente!”
Handen en zakdoeken van kinderen en volwassenen wuiven den oude en het
meisje een groet toe. Doch de twee blijven onbeweeglijk op den oever
staan.
De kapitein van de salonboot treedt op de toeristen toe.
„Dames en Heeren,” zegt hij. „Ik heb in last, het legendenmeisje alleen
dan aan boord toe te laten, wanneer het grootste deel der passagiers
het verlangt.”
„Ja, ja, aan boord brengen,” klinkt het bijna eenstemmig. Een sloep
wordt uitgezet en weldra stappen beiden aan boord van de stoomboot
over.
De belangstelling klimt, nu men bemerkt, dat de grijsaard van het licht
der oogen is beroofd.
Voorzichtig leidt het meisje den ouden man tusschen stoelen en tafels
door naar het voordek, waar alle passagiers hen spoedig omringen.
Het meisje doet met kinderlijke zorg haren blinden vader in een stoel
plaats nemen, strijkt hem de witte haren naar achteren, zet de harp
tusschen zijn knieën en blijft naast hem staan. Haar schoon gevormd
gelaat, dat eerst wat bleek zag, gloeit, nu zij de blikken van allen op
zich gevestigd voelt.
Een pijnlijke trek, die wellicht van doorgestaan leed getuigt, rust om
haar mond, en dit maakt de lieflijke verschijning nog belangwekkender.
Terwijl de grijsaard de harp stemt, laat het meisje haar oog over de
oevers weiden, als zoekt ze naar een onderwerp voor haar lied.
De kinderen gaan op het dek zitten en vormen een kring; de stoelen
worden naderbij geschoven voor de dames; de heeren blijven staan.
Eindelijk schijnt het meisje een keus gedaan te hebben; ze strekt den
arm uit en wijst een punt op den top van een hoogen berg. Aller oogen,
van kijkglas voorzien of ongewapend, zoeken en vinden de aangeduide
plaats.
Op eenigen afstand vooruit, staat hoog op den kalen top van een steile
rots een gedeeltelijk ingestorte muur, te midden van eenige hoopen
puin.
„De vloek van den zanger,” fluistert het meisje den ouden toe.
Eenige akkoorden klinken op de harp.
„Heeft een der passagiers haast om in Bingen te komen?” vraagt
eensklaps de kapitein. Niemand antwoordt, want allen reizen voor hun
plezier.
„Niet? Dan zal ik met halve kracht laten stoomen, als de dames en
heeren het goed vinden!”
„Ga uw gang, kapitein.”
„Halve kracht!” klinkt het door den roeper.
„Halve kracht!” roept de echo door de machinekamer.
Het stampen is nauwelijks meer hoorbaar. De stilte wordt indrukwekkend.
En nu begint het meisje, den blik gewend naar het punt, dat ze zal
bezingen, zonder een der reizigers aan te zien, en blijkbaar zichzelve
en deze vergetend, haar lied. Met een stem, zoo hoog, zoo helder en zoo
zuiver als de klank van zilver tegen fijngeslepen kristal, zingt ze, op
een eenvoudige, bijna eentonige wijze, door den grijsaard, begeleid:
[14]
In lang vervlogen jaren
Stond daar een fier kasteel
Met hooge, slanke torens,
Met tinnen en kanteel.
Een krans van schoone tuinen,
Met beeld en springfontein,
Omgaf de grijze muren,
Begroeid met eedlen wijn;
Daar woonde een machtig koning.
De schrik van heel de streek,
Wiens aanblik ieder vreesde,
Dien ieder liefst ontweek.
Zijn handen waren geesels,
Zijn woorden waren bloed,
Zijn oogen spitse dolken,
Zijn daden dolle moed.
Eens reed naar ’s konings poorten
Een grijze harpenaar;
Flink stapte naast den ruiter
Een knaap met gulden haar.
„Welaan”, zoo sprak de oude;
„Thans opgepast, mijn zoon;
Hef aan de schoonste lied’ren,
Zing luid, met vollen toon!
„Welaan, wees onverschrokken,
En spot en hoon getart!
Thans geldt het te vermurwen
Des konings steenen hart!”
Een drom van edelvrouwen.
Van ridders, trotsch en wreed,
Omringt de beide zangers,
Tot spel en zang gereed,
Daar treedt de norsche koning,
De marm’ren troonzaal in,
En naast hem buigt zich minzaam
De schoone koningin.
Hij plaatst zich op den zetel,
Met grimmig, bleek gelaat,
Naast haar, die zonnig straalde
In ’t lelieblank gewaad.
De grijsaard slaat de snaren;
Eerst liefelijk en zacht,
Dan voller, telkens voller.
En zingt met jonge kracht.
En god’lijk schoon verheft zich,
Als leerden de Englen ’t hem,
Zoo hoog, zoo vol, zoo zuiver,
Des knapen zilv’ren stem.
Zij zingen van lente en van liefde.
Van dapperheid, strijdlust en kracht;
Ze zingen van moed en vroomheid
Van God en van Hemelsche macht.
Ze zingen van alles, wat schoon is
En ’s menschen borst verheft,
Ze zingen van al wat goed is
En ’t menschelijk harte treft.
De schaar der hovelingen
Vergeet èn hoon èn spot;
De fiere, felle krijgers—
Ze buigen zich voor God.
De koningin, getroffen
In ’t diepst van ’t teer gemoed.
Werpt snel een blanke lelie
Den jong’ling voor den voet.
Maar eenklaps rijst de koning:
Zijn oogen bliks’men haat;
En wrok en wraak verwringen,
Misvormen zijn gelaat.
„Mijn vrouw hebt gij betooverd!
Verleid hebt gij mijn volk!”
Zoo krijscht de woeste wreedaard,
En drilt met kracht zijn dolk.
„Wee, die den leeuw komt tergen,
Hem in zijn hol nog tart!”....
En ’t moordend staal dringt eensklaps
Den jongeling in ’t hart.
Een bloedstroom kleurt het marmer;
De ridders in het rond,
Ze staren ’t aan en vlieden
Het slot in d’eigen stond.
En stervend valt de jong’ling
Den grijsaard aan de borst,
Die sidderend hem opvangt
En in zijn armen torst.
Hij draagt zijn lieven doode
En spoedt zich met hem voort;
Hij tilt hem in den zadel
En voert hem voor de poort.
Daar in zijn grijzen mantel
Hult hij den dieren last;
Hij kust hem op het voorhoofd
En bindt hem zittend vast.
Dan grijpt hij naar zijn speeltuig,
En met der wanhoop kracht,
Slaat hij zijn harp te pletter
Op een porfieren schacht.
En als het beeld der wrake,
Staat woest, met fladderend haar,
Den rechterarm geheven
De grijze harpenaar.
De linkerarm des ouden
Den doode ondersteunt;
Dan roept hij, dat het somber
Door hof en zalen dreunt;
„Vervloekt gij trotsche muren,
Gij wallen van arduin,
Stort neder, marm’ren zuilen.
Verga tot stof en puin”.
„Vervloekt, gij schoone tuinen,
Fontein en beeldenrij
Verdor, verdroog, verbrokkel
Wordt wilde woestenij!”
„Vervloekt gij snoode wreedaard,
Vervloekt zij uw geslacht;
Verguisd, versmaad, verafschuwd.
Vernederd en veracht”.
„De dood jaagt u geen vrees aan!
Dat waar’ te lichte straf,
Neen, leven zult ge! leven!
Maar hunk’ren naar het graf!”
„Uw arm, die ’t moordtuig drilde
Hij miss’ voortaan zijn kracht!
Uw oog, dat zoo juist mikte,
Het staar in eeuw’gen nacht”.
„Uw moed, uw heldendaden.
Geen lied dat ooit ze roem’!
Uw naam zelfs zij vergeten,
Geen boek, dat ooit dien noem’.”
De grijsaard heeft geroepen,
De hemel heeft gehoord;
Dra huisden in den bouwval
De vossen ongestoord.
En ’s konings naam vermeldt er
Noch heldenlied, noch boek!
Vervallen en vergeten,—
Dat was des zangers vloek.
Het was uit, en onder blijde bijvalsbetuigingen zette de zangster zich
naast haar vader neer.
Ieder der toehoorders beijverde zich, haar op kiesche wijze zijn gave
over te reiken. Hoewel ieder geldstuk vergezeld ging van een
vriendelijk woord, was het toch aan hare verlegen houding en den blos
op haar gelaat duidelijk merkbaar, dat ze er niet aan gewoon was en het
haar pijn deed, met geld beloond te worden.
„Ik dank u voor mijn vader,” lispte ze telkens met neergeslagen oogen.
Lord Greybury had, terwijl het meisje hare hoorders door zang en
voordracht in verrukking bracht, met onverstoorbare kalmte zijn Times
gelezen, althans hij had er de oogen niet van afgewend.
Nu de menschen om het meisje heendrongen, en haar zilver in de hand
stopten, wierp hij van tijd tot tijd een steelschen blik over den rand
van zijn reusachtig nieuwsblad, en die blik versterkte hem in zijn
vermoeden, dat hij niet met een gewone liedjeszangster te doen had,
maar met een meisje, dat door den nood gedrongen, het kloek besluit had
genomen, haar kennis en haar gaven te gebruiken, om haar ouden vader,
wellicht een verarmd edelman, voor gebrek te behoeden.
Eenige Leidsche studenten, die van geestdrift voor de schoone zangster
blaakten, had de schijnbare onverschilligheid van den lezenden
Engelschman reeds lang geërgerd.
„Zou je zoo’n kouden kikvorsch de krant niet uit zijn lange vingers
slaan?” zeide een van hen zoo hard, dat de omstanders het hoorden; ook
Willem hoorde het en ging angstig bij zijn meester staan; deze moest
het ook wel verstaan hebben, hoewel geen spier van zijn gelaat er iets
van verried.
De student, aangemoedigd door uitroepen van zijne medereizigers, werd
driester en ging op den Engelschman toe. Een kring van nieuwsgierigen
sloot zich om hem heen.
„Staat er zooveel nieuws in de krant, oude heer, dat ge geen oogenblik
tijd hebt om te luisteren?” vroeg hij brutaal, en klopte den Lord op
den schouder.
Deze gaf geen antwoord, keek evenmin den student aan, vouwde dood
bedaard de krant op, nam een banknoot van honderd pond uit Willems
tasch, en schreef er met potlood achterop, zoodat de student, die
vrijpostig over zijn schouder keek, het lezen kon:
„Voor uw vader, en zing ten minste in dezen zomer alleen voor uw
genoegen!”
Beschaamd droop de student af, en groette beleefd. Toen Willem het
meisje het gevouwen briefje overgaf, zocht een blik van
onuitsprekelijke dankbaarheid den man, die in haar ziel had gelezen;
deze echter was reeds weder achter de opnieuw ontvouwde krant
verscholen. Aan de eerstvolgende aanlegplaats verliet de zangster met
haar vader de boot.
’t Was reeds donker, toen men te Bingen aankwam en onze reizigers aan
wal stapten.
De Lord besloot daar niet te overnachten, maar naar Mainz te sporen, om
van den nachttrein naar Bazel gebruik te maken. Men moest zich haasten,
wilde men nog voor het vertrek aan het station zijn.
Pollo, die op de boot vrij had mogen rondloopen, en van de kinderen aan
boord, die onbevreesd met hem solden en dartelden, menig klontje had
gekregen, werd, hoe hij ook jankte, evenals te Maastricht voor langen
tijd in een mand gesloten en in den bagagewagen geschoven.
Te Mainz nam Willem en de Engelschman in den slaapwagen plaats, en geen
van beiden ontwaakte, voor ze de plaats hunner bestemming hadden
bereikt.
In de ontbijtzaal van het hôtel, waarheen Pollo en de bagage gebracht
werden, waren nog weinig gasten, toen Willem en zijn reisgenoot
binnentraden. Lord Greybury scheen dezen morgen wat minder afgetrokken
te zijn dan gewoonlijk, want hij vertelde Willem, zonder echter veel
woorden te gebruiken, dat hij zonder ergens langer te vertoeven dan
noodig was, zijn reis zou voortzetten, en tevens welken weg hij dacht
te nemen. Willem hoorde nu voor het eerst, dat Lord Greybury te Londen
eigenaar was geworden van uitgestrekte „stations” in Queensland met
duizenden stuks vee, en dat hij eens met eigen oogen zijn bezittingen
wilde zien, en het beheer op de plaats zelf ging regelen.
Willem wenschte niets liever dan het land, waarvan hij nu reeds een
jaar lang droomde, zoo spoedig mogelijk te bereiken. Ook de brief van
zijn zuster zou dan eindelijk zijn bestemming bereiken. Zijn gedachten
dwaalden af naar de verre landen en weer terug naar Amsterdam, zoodat
hij niet eens bemerkte, dat twee heeren zich tegenover hem hadden
neergezet.
Toevallig keek Willem op—en verbleekte.
„De schooier,” gilde hij verschrikt, en sprong achteruit, zoodat een
stoel omviel. De mannen tegenover hem waren Walling en zijn zoon.
Ook zij schrikten nu op en herkenden Willem, die zichzelf verraden had.
Een grijnslach van voldoening en leedvermaak vertoonde zich op het
gelaat van den ouden Walling, toen hij Willems ontsteld gelaat zag.
„Eindelijk,” grinnikte hij, „nu zullen we eens zorgen, dat de vogel
weer in het kooitje komt.”
Lord Greybury had onmiddellijk alles begrepen; hij tikte den heer
Walling, die zich driftig wilde verwijderen, op den schouder en
verzocht hem even alleen te mogen spreken. Op verzoek van den
Engelschman opende de „Oberkellner” buigende de deur van een zijkamer
voor de heeren.
„Mag ik u verzoeken mij te zeggen, wat u met Willem Roda voorheeft,
mijnheer?” zoo begon Lord Greybury beleefd, zoo goed mogelijk
Hollandsch sprekend.
„Mag ik u verzoeken mij te zeggen, wat u dat aangaat?” antwoordde
Walling minder beleefd.
„Willem Roda is mijn reismakker!”
„Dan moet ik u zeggen, dat uw reisgezelschap niet van de allerfijnste
soort is. Weet u wel, mijnheer, dat uw heertje niets meer of minder is
dan een voortvluchtige gevangene, die wegens een poging tot moord...”
„Ik weet alles, mijnheer!”
„Dan is ’t hier ook zeker, zooals ’t spreekwoord zegt: „soort zoekt
soort.”
Lord Greybury begreep de beleediging volkomen, maar liet het niet
blijken, en vroeg langzaam en kalm:
„Wat denkt u te doen, mijnheer?”
„Dat zijn eigenlijk uw zaken niet, maar het is anders zeer natuurlijk.
Ik laat hem door de politie aanhouden en telegrafeer naar Amsterdam.
Heeft u nog meer te vragen?” vroeg Walling, ging naar de deur en legde
de hand op den knop. Lord Greybury stond in stijve houding bij de
tafel, waarop hij de eene hand plat had neergelegd, en streek met de
andere de lange, vlasachtige bakkebaarden glad.
„En wat kan u van dat plan, dat u geen voordeel geeft, doen afzien?”
vroeg hij uiterst langzaam en eentonig.
„Niets!” beet Walling hem toe.
„U heeft kosten gemaakt tijdens de ziekte van uw zoon. Ik geef u
vijftig pond!” herneemt de Engelschman zonder Walling aan te zien.
„Je wilt mij omkoopen? Neen, brommen zal hij, al zou het mij vijftig
pond kosten. En in een gevangenis, niet weer in een verbeterhuis,
daaruit kunnen ze zoo gemakkelijk niet ontsnappen.”
„U heeft ook reiskosten voor uw zoon gehad. Laat Willem Roda vrij en ik
geef u honderd pond, dat is twaalfhonderd gulden!”
„Dacht je dat ik niet wist, hoeveel honderd pond is? Neen, ik laat hem
niet vrij, al was het alleen om zijn vader,” roept Walling en opent
driftig de deur.
„Tweehonderd pond!”
Walling weifelt in de deur. „Neen!”
„Driehonderd pond!”
„Walling sluit de deur. „Jij hebt er zeker belang bij, oude; wie weet
wat jij op je lever hebt; maar ik doe het niet!”
„Vijfhonderd pond.”
Walling laat de deurknop los. Hij strijkt met de hand door het haar en
ziet den Engelschman met groote oogen aan.
Deze kijkt echter hardnekkig naar de zoldering en klopt met de punt van
zijn laars op het tapijt.
„Ik doe het niet!” schreeuwt Walling, en slaat met de armen van zich
af, als worstelde hij tegen een onzichtbaren vijand.
Hij wankelt naar de deur.
„Duizend pond,” zegt Lord Greybury op ijskouden toon.
Wallings oogen fonkelen.
„Geef op!” sist hij tusschen de tanden.
Terwijl Lord Greybury met den ouden Walling onderhandelde, zat Willem
in duizend angsten tegenover den zoon.
Hij geloofde niet, dat de Lord den opvliegenden man tot stilzwijgen zou
kunnen bewegen, en zag zich reeds door de Zwitsersche politie achter
slot gebracht, om in de vreemde gevangenis het bevel tot opzending naar
Nederland af te wachten.
Albert Walling bemerkte, hoe de angst van zijn voormaligen schoolmakker
zich op diens gelaat afteekende. Over de tafel heen stak hij Willem
zijne hand toe en fluisterde:
„Willem, het was alles mijn schuld! Ik zal zorgen, dat vader je niet
laat arresteeren!”
„Dank, hartelijk dank, Albert,” antwoordde hij, met een zucht van
verlichting diens hand drukkende, „maar het was mijn schuld, ik had
niet zoo driftig....”
„En ik had je niet moeten sarren; maar we waren toen beiden nog
kwâjongens!”
„Dat waren we; maar ik ben zeer veranderd. Ik heb een goeie les gehad!”
„En ik niet minder. Ik ben ook niet meer dezelfde van vroeger. Wat dunk
je er van, Willem, als we hier eens vriendschap sloten?” vervolgde
Albert Walling, na een oogenblik zwijgens om de tafel op Willem
toetredend.
„Mijn hand er op!”
„En de mijne! Wees gerust, van nu af zal vader je geen strootje meer in
den weg leggen.”
De beide jongelui stonden nog hand in hand, toen Walling met den
Engelschman binnenkwam.
Een blik op Wallings gelaat overtuigde Willem, dat hij ook van de zijde
des vaders geen gevaar meer te vreezen had; toch trok de oude heer zijn
wenkbrauwen samen, toen hij zijn eigen zoon en dien van den gehaten
Amsterdamschen bankier vertrouwelijk naast elkaar zag staan.
Albert trad op zijn vader toe, en zeide op beslisten toon, terwijl hij
hem veelbeteekenend aanzag:
„Willem Roda en ik zijn voortaan vrienden, vader!”
„Zoo,” antwoordde Walling kortaf, „dan hebben we hier niets meer te
maken. We gaan onmiddellijk verder op naar het Noorden.”
„En wij naar het Zuiden,” zei Lord Greybury en verliet de ontbijtkamer,
zonder Walling te groeten: hij gaf Willem een wenk hem te volgen; want
het voorval begon opzien te baren.
Willem wisselde nog een handdruk met Albert Walling. Hij groette ook
den vader, doch deze achtte het beneden zich dien groet te
beantwoorden. Walling liet zijn zoon in den waan, dat hij om zijnentwil
Willem vrij liet gaan, en Lord Greybury vertelde zijn reisgenoot ook
niet, wat de reden van ’s mans goedgunstigheid was.
Eenige uren later stoomden beiden over bergen en dalen, dwars door het
onvolprezen Zwitserland.