Aan de ontbijttafel zat naast Willem een reusachtige Duitscher; naar
zijn kleeding te oordeelen, moest het een jager zijn; want die bestond
uit een donkergroen jachtbuis, een grijze kniebroek, slobkousen en
lage, met ijzer beslagen schoenen. Aan zijn gordel droeg hij een
breeden hartsvanger met hertshoornen gevest. In een hoek had hij een
buks neergezet, die door een geel lederen foedraal tegen stof en vocht
beschermd werd, en nu tijdelijk tot kapstok diende voor een vilten
hoed, met een haneveer versierd.
Het was een spraakzaam man, die zich weldra als koninklijk jager bekend
maakte, en vertelde, dat hij op reis was naar den Eifel, waar op groote
schaal een drijfjacht op wilde zwijnen zou gehouden worden.
„Zijn er dan nog zooveel wilde zwijnen in die streken?” vroeg Willem,
die als elke jongen reeds belang stelde in alles, wat op de jacht
betrekking had, en die, vooral nu het een jacht op wilde zwijnen
betrof, gaarne het verhaal daarvan eens wilde hooren. Lord Greybury
dronk, schijnbaar zonder op het gesprek te letten, zijn zesde kopje
thee.
„Of er veel zijn?” antwoordde de jager, „als er niet elken winter een
drijfjacht werd gehouden, zou daar gewis geen boer meer zijn land
kunnen bebouwen. De zwartborstels graven en woelen in één nacht een
geheelen akker om, zonder dat men er iets tegen doen kan. Dan moet men
opnieuw gaan graven en poten. En die beesten vermenigvuldigen zich zoo
sterk en zijn zoo moeilijk onder schot te krijgen, dat de boeren op dit
oogenblik met de handen in het haar zitten. Van de winter zijn er
dertig stuks afgemaakt; maar nu is ’t weer zoo erg, dat de landbouwers
zich tot de regeering gewend hebben om hulp. Nu zal tegen de gewoonte
een drijfjacht in den zomer plaats hebben. Kijk maar eens hier; ik heb
eergisteren deze oproeping gekregen.”
Terwijl de jager zijn broodje at, las Willem op het gedrukte vel
papier:
De regeering van Trier noodigt bij dezen den Heer Waidmann uit,
zich met alle jagers, houtvesters en drijvers, die onder zijn
bevelen staan, den vijfden van dezen maand, ’s morgens voor
zonsopgang in het dorp Buschweiler te bevinden, om in vereeniging
met alle jagers uit het district een drijfjacht op zwartwild te
houden.
Lord Greybury keek het papier ook in. Hij kende juist zooveel Duitsch,
om Willems gesprek met den Heer Waidmann te begrijpen en de oproeping
te kunnen lezen.
Aanstonds droeg hij Willem op, een flesch morgenwijn voor den jager te
bestellen. Deze bedankte den heer Lord onderdanigst, schoof zijn
theekopje en melkkan op zij, en in minder dan tien minuten was de fijne
flesch voor drie vierden geledigd.
Lord Greybury klonk met zijn theekopje tegen het gevulde glas van den
heer Waidmann en wenschte hem, zoo goed en zoo kwaad het ging, een
voorspoedige jacht.
Het ijs was gebroken. Een gesprek, waarbij Willem als tolk tusschen
Engeland en Duitschland dienst deed, ontwikkelde zich. Willem had zijn
reisgezel nog nooit zooveel na elkander hooren spreken, al had ook nu
de jager het leeuwendeel van het gesprek. Het bleek, dat Lord Greybury
in jachtzaken, en vooral wat de zwijnenjacht betrof, geen vreemdeling
was. Hij vroeg, of Waidmann ook honden had meegebracht.
„Niet noodig mijnheer? In verscheidene steden van den Eifel, en ook te
Trier houdt de regeering der stad er een eigen troep honden op na, die
op de zwijnenjacht afgericht zijn.”
„Kunnen wij van de partij zijn?” vroeg de Engelschman op den man af en
sprak daarmede uit, wat Willem zeer gaarne wenschte, doch niet durfde
vragen.
De jager zette een bedenkelijk gezicht. Hij mompelde iets van
levensgevaar, verantwoordelijkheid, dat er slechts jagers van beroep
aan de jachtpartij deelnamen, en dat alleen de opperjachtmeester
liefhebbers mocht toelaten.
„En dan een onervaren jongmensch, die misschien nog nooit eene buks
heeft afgeschoten,” voegde hij er met een half medelijdenden, half
minachtenden blik op Willem bij.
„Wel wis en zeker kan ik met een geweer omgaan, en goed mikken ook,”
viel Willem in, vreezende dat door zijn onervarenheid het plan in
duigen zou vallen, „toen ik vijftien jaar was, kreeg ik al een buks
present, en daarmee heb ik eens een haas en een eend geschoten.”
Hij zei er niet bij, dat de haas al aangeschoten en de eend toevallig
een tamme was.
De jager proestte het uit van lachen.
„Een haas en een eend! En dat wil op de zwijnenjacht gaan; daar komt
nog iets anders kijken, hoor!”
„Juist daarom zou ik gaarne eens meegaan!” zei Willem.
Een tweede flesch werd op een wenk van den lord den jager gebracht. De
milde gever bewonderde intusschen met kennersoogen de buks van den
jager.
Tegen zooveel mildheid en vriendelijkheid bij een schatrijk man was de
jager niet bestand.
„Maar ’t is zoo gevaarlijk!” zeide hij, weifelend het verzoek toe te
staan.
„Gevaar moet er zijn”, antwoordde Lord Greybury, „anders is het
moorden.”
De jager beloofde de verantwoordelijkheid op zich te nemen.
„Afgesproken,” zei Willem, „een man, een man, een woord, een woord?”
„Natuurlijk! Ik zal u over een paar uren komen halen. Zorg voor buksen
en koop vooral lederen slobkousen, want anders wordt in de struiken uw
broek spoedig aan flarden gescheurd. Ik zal mijn makkers en den
opperjager zeggen, dat u zulken fijnen wijn laat schenken. Daar doet
een jager veel voor!”
„Bij ankers, als het noodig is!” zei Lord Greybury op zijn gewonen
kalmen toon.
Waidmann keek verbluft op en met overtuiging zei hij:
„U kunt de geheele jacht meemaken, al duurt ze ook drie weken; daar sta
ik voor in!”
„Dat is niet noodig; één dag is voldoende,” antwoordde de Engelschman
met een fijn glimlachje.
Tegen het middaguur stapte ons drietal, nadat Pollo opnieuw aan de zorg
van den conducteur was aanbevolen, in den trein die hen tot op eenige
uren afstands van de verzamelplaats der jagers voerde.
Lord Greybury en Willem hadden nog tijd gevonden, zich een volledig,
splinternieuw jachtcostuum met toebehooren aan te schaffen. Na het
verlaten van den trein stapte Willem, deftig met zijn buks op den rug,
en zijn weitasch en veldflesch op zijde, tusschen zijn beide
jachtgezellen op den weg naar Buschweiler voort. Hij was niet klein en
toch geleek hij een kind tusschen zijn beide vleugelmannen.
„Holland tusschen Engeland en Duitschland,” merkte de jager aan.
„Dat straks, als de nood aan de man komt, op beider hulp rekent,” gaf
Willem ten antwoord.
Bij het vallen van den avond bereikten zij de eerste huizen van het
dorpje. Reeds uit de verte klonk hun gelach en gezang tegen.
Meer dan honderd jagers en drijvers zaten voor verschillende herbergen
aan den weg en zongen, dat het een aard had.
Bij de aankomst van ons drietal verstomde het gezang van de vroolijke
jagers. Van alle zijden werden de aangekomenen met nieuwsgierige
blikken bekeken. Waidmann had de voorzorg genomen, een zijner bekenden
vooruit te zenden naar het rendez-vous, om een vriendelijke ontvangst
voor te bereiden. Deze voorlooper had reeds zooveel verteld van de
onnoemelijke schatten, waarvan de Engelschman bezitter was, van diens
verkwistende mildheid, dat velen onder de jagers zich reeds bij
voorbaat overtuigd hielden, dat de vreemdeling minstens een prins van
den bloede moest zijn, die incognito reisde, vergezeld van zijn
adjudant. Toen Lord Greybury met Willem naderbij waren gekomen stonden
de jagers op, en salueerden op militaire wijze. Lord Greybury groette
terug met een genadige handbeweging, zooals vorstelijke personen dat
gewoon zijn; dit versterkte de heeren jagers in hun meening, met een
lid van de koninklijke familie uit Engeland te doen te hebben. „De
prins van Wales misschien,” fluisterde een der jagers zijn buurman in
het oor. Het woord ging van mond tot mond; het „misschien” bleef
natuurlijk achterwege en weldra stond bij de jagers vast, dat ze de
hooge eer genoten, den prins van Wales van aangezicht tot aangezicht te
aanschouwen. De Lord reikte den opperhoutvester en leider der jacht,
die inmiddels, buigend als een knipmes, nader was getreden, zijn
kaartje over. ’t Lord Greybury werd als een aangenomen naam beschouwd,
waaronder de prins reisde. Deze begreep spoedig, voor wien men hem
hield. Hij verwaardigde zich in alle deftigheid aan een tafeltje plaats
te nemen en noodigde eenige der jagers uit, zich naast hem te zetten.
Willem vond de comedie vermakelijk; om den waan der jagers niet te
verstoren, speelde hij mee en plaatste zich achter den stoel van den
Engelschman.
Zonder diens bevelen af te wachten, liet hij den waard roepen en
gelastte hem tamelijk luid, den jagers zooveel te drinken te geven als
ze verlangden.
Een driemaal herhaald: „Hoch!” beloonde den „prins” voor zijn
vrijgevigheid. De wijn stroomde over de tafels door de altijd dorstige
kelen der jagers, en spoedig raakten de tongen weer los.
Nu ging het aan het opsnijden; de ongeloofelijkste heldendaden werden
opgedischt en voor goede waar geslikt. Niemand scheen de
geloofwaardigheid slechts een oogenblik in twijfel te trekken.
Een jong ventje, wiens baard aan het uitkomen was, en dat onophoudelijk
over het stoppelveld van zijn kin streek, bleek boven allen uit te
munten door de vaardigheid, waarmee hij het jagerlatijn sprak.
„Verbeeld u, hoogheid, gisteravond zit ik op post aan den rand van een
hollen weg, om een haas te schieten. Daar komt links van mij een haas
uit het kreupelhout, rechts een reebok; pif, paf, beide wentelen
tegelijk in hun zweet. Nauwelijks heb ik weer geladen, of boven mij
merk ik een havik, die een houtsnip vervolgt; pif, paf, beide tuimelen
naar beneden. Ik sta op, om mijn buit wat nader te bekijken en laad
ondertusschen mijn tweeloop weer. Wat zie ik daar in de verte? Een
wilde zeug met een jong! Ik leg aan, pif, paf, beide rollen om.”
Lord Greybury schudde vol verbazing het hoofd over zooveel
schotvastheid en gaf Willem een wenk.
„Mylord is vermoeid, en wenscht zich ter ruste te begeven,” zei Willem
op plechtigen toon.
Dadelijk verdrongen zich de opperhoutvester, de opperjager en nog
eenige anderen om den gewaanden prins, ten einde dezen naar de herberg
te leiden; ze waren onuitputtelijk in verontschuldigingen, Zijne
Hoogheid slechts zulk een armzalig slaapvertrek te kunnen aanwijzen.
Willem bedankte de heeren uit naam van Mylord voor hun
bereidwilligheid, en verzocht den jagers hen den volgenden morgen
vroegtijdig te willen wekken; wat de heeren dienstvaardig beloofden.
Nog lang bleven de jagers drinken en zingen, doch het laatste niet meer
uit volle borst; want ze vreesden Zijne Hoogheid in diens slaap te
storen.
’s Morgens voor dag en dauw braken de jagers en met hen Lord Greybury
en Willem, groepsgewijze op, naar een gehucht, op een uur afstands van
Buschweiler gelegen. Pollo ging op verzoek van den jachtmeester niet
mee, maar werd in de herberg vastgelegd. ’t Was een vermoeiende tocht.
Het ging berg op, berg af, door kreupelhout en over kale hoogvlakten.
De weg slingerde nu eens langs afgronden, dan weer door een stuk
bouwland, aangelegd op de helling van een sedert onheuglijke tijden,
uitgebluschten vulkaan. De lava, waaruit de weg bestond, was tot poeder
verweerd en dwarrelde in stofwolken op onder de voeten der stevig
doorstappende mannen. Allengs verbleekten de sterren en een strook
geelachtig licht aan den oostelijken hemel verkondigde den naderenden
dageraad. In de verte teekende zich de zwarte lijn van een bosch tegen
den minder donkeren hemel af. Dat was een dennenbosch, aan welks zoom
rendez-vous was gegeven voor de jagers, drijvers en honden.
Een luid geblaf bewees, dat de dieren reeds de nadering der menschen
hadden opgemerkt.
Juist toen de voorste groepen het bosch bereikten, verlichtten de
eerste zonnestralen den omtrek.
Het woud was op een hoogte gelegen, en strekte zich, zoover het oog
reikte, over de toppen en hellingen van tallooze groote en kleine
bergen uit.
Een oorverdoovend geblaf en gejank, vertienvoudigd door de echo’s der
achterliggende bergen herhaald, begroetten de jagers; meest oude
bekenden of vroegere meesters der honden. Men zag er van allerlei soort
en ras. Herdershonden, brakken, Engelsche doggen, hazewinden,
Mexicaansche doggen, die alle sterk en wel doorvoed, één eigenschap
gemeen hadden, namelijk voortreffelijke zwijnenpakkers te zijn. Ze
waren twee aan twee gekoppeld, en elk paar werd in bedwang gehouden
door een knecht van den hondenbaas. De laatste was een vreemd
personnage. Hij was zeer klein van gestalte, maar in verhouding
buitengewoon breed en gespierd. Zijn peper-en-zoutkleurige baard reikte
tot aan de knieën en bedekte bijna zijn geheel gelaat. Een blik uit
zijn kleine, staalblauwe oogen was voldoende om een paar vechtende
honden te scheiden en in bedwang te houden. Zijn kleeding was gelijk
aan die der jagers, doch de buks ontbrak; die zou hem in ’t kreupelhout
ook meer tot last, dan tot nut geweest zijn. Naast zijn reusachtigen
hartsvanger hing aan zijn gordel een korte, stevige zweep, waarmede de
honden gekastijd werden, wanneer ze ander wild dan zwijnen najoegen.
Van de honden en daardoor van hem, hing grootendeels de goede uitslag
van de jacht af.
De jagers en drijvers zetten zich op den hoogen rand van den weg neer,
of vlijden zich onder de boomen op het zachte, gladde mos en wachtten
geduldig de bevelen van den opperhoutvester af.
Geen der spoorzoekers was nog teruggekomen. Om niet nutteloos een bosch
af te jagen, zonder te weten, of er zich zwijnen in ophielden, waren
reeds een dag te voren beproefde spoorzoekers uitgezonden; meest boeren
uit den omtrek, die belang hadden bij een goede vangst. Deze lieden
hadden een moeielijke taak te vervullen, vooral in den zomer. ’s
Winters wanneer er versch gevallen sneeuw ligt, is het gemakkelijk aan
de sporen te zien, of er wilde zwijnen uit of in een bosch zijn gegaan,
en daarnaar tevens te berekenen, hoeveel er op het oogenblik, dat de
jacht begint, nog in zijn.
Maar nu was het zomer. In het hooge gras en de struiken was het spoor
moeielijk, voor niet-ingewijden in de kunst van spoorzoeken, onmogelijk
te vinden. Een der zoekers was op de gedachte gekomen den vorigen avond
fijn zand op de paden te strooien, die het wild gewoonlijk volgde. En
de uitkomst beloonde de moeite. Toen ze aan het rendez-vous
terugkwamen, konden ze mededeelen dat in het kreupelhout op korten
afstand twee evers en verscheidene zeugen verborgen waren. Dit verwekte
groote blijdschap onder de jagers, die zingende en fluitende opstonden,
om de buksen nog eens na te zien en den haan te beproeven.
Een luid gejuich ging op, toen een der spoorzoekers snel kwam aanloopen
en reeds uit de verte riep, dat Satan ontdekt en omsingeld was. Satan
was een oude ever, in den geheelen omtrek onder dien naam bekend; drie
achtereenvolgende winters was hij reeds gejaagd, maar de slimme rakker
was niet onder schot te krijgen. De honden boezemden hem weinig vrees
in, hij den honden des te meer. Meer dan één hond had kennis gemaakt
met zijn geduchte slagtanden; een drietal had reeds het hachje er bij
ingeschoten.
Terstond werd opgebroken, en de afdeeling, waarbij zich Lord Greybury
en Willem bevonden, begaf zich naar de aangeduide plaats, waar Satan
zich volgens het zeggen van den boer, moest bevinden.
Weldra bereikte men den voet van een tamelijk hoogen berg. De geheele
helling was met hooge eikenstruiken bezet. De top was kaal en
glinsterde in het morgenlicht.
„Stilte!” commandeerde de opperjager.
Oogenblikkelijk verstomde het gesprek der jagers en het geblaf der
honden. De jagersstoet werd in twee deelen gesplitst. Een afdeeling,
waarbij de hondenbaas met zijn dieren, moest de berg omtrekken, aan de
andere zijde weer beklimmen en op den top post vatten. Den overigen
werd aan den voet of op verschillende plaatsen van de helling hun post
aangewezen.
„Dekken!” luidde het tweede commando.
Allen verdwenen achter struiken of lage boomen. De helling scheen
eensklaps verlaten. Iemand, die van de jachtpartij geen kennis droeg en
den berg had gezien, zou niet vermoed hebben, dat in het kreupelbosch
een veertigtal jagers en evenveel honden op de loer lagen.
Willem knielde, met kloppend hart, naast Lord Greybury neer. Vlak aan
den voet van den berg was hun achter een hooge eiken struik een plaats
aangewezen. Menig jager benijdde hun dien voordeeligen post; want daar
had men kans Satan den eersten kogel toe te zenden; want vandaar konden
ze den geheelen weg, die zich om den voet slingerde, overzien.
„Ben je bang?” fluisterde Lord Greybury hem in ’t oor.
„Neen; maar ik beef wel ’n beetje.”
„Dat is niets, je behoeft niet te schieten; voordat de ever hier op den
weg is—als hij tenminste dom genoeg is, uit het kreupelhout te
komen—heeft hij al een kogel beet.”
„Maar misschien zit hij hier vlak bij verborgen.”
„Dat is niet onmogelijk en in dit geval hebben we een gevaarlijk
plaatsje,” was het troostrijk antwoord, en Lord Greybury trok zijn
hartsvanger uit de scheede en legde het blanke mes naast zich op het
gras.
„Wat wilt u doen?”
„Het dier te lijf gaan, als het me te na komt.”
Het geheele voorkomen van den Engelschman was veranderd. Op zijn anders
zoo strak gelaat was de hartstocht voor de jacht zichtbaar en zijn
oogen fonkelden van strijdlust.
Willem rilde bij de gedachte, dat de Lord zich roekeloos aan gevaar zou
blootstellen, en hij voelde, dat hem zelfs de moed ontbrak, zijn heer
te hulp te komen.
Het duurde wel een uur, eer het drijven begon; want zij, die den berg
van de andere zijde moesten beklimmen, hadden een moeilijken en langen
tocht te doen. Eindelijk verried een verwijderd, flauw hoorbaar gehuil,
hetwelk door de echo van de overzijde in plaats van uit de hoogte
scheen te komen, dat de honden waren losgelaten en de jacht was
begonnen. Daarop werd alles weer doodstil. Met angstige spanning tuurde
Willem door een opening in de struiken. Hij meende op korten afstand de
honden te hooren snuiven en snuffelen.
Weer verstreek een half uur. Plotseling stiet een hond, dicht in zijn
nabijheid een zegevierend gehuil uit. De ever was ontdekt.
„Hoera, zwijn! Hond, tsa! Hond, pak aan!” schreeuwden de hondenbaas en
de drijvers om het hardst. De lucht daverde van het geblaf en het
gehuil der honden, die van alle zijden door de struiken kwamen
toesnellen, en van het geschreeuw der drijvers, die den ever naar
beneden of zijwaarts-af trachtten te drijven.
Willem rilde van angst. Hij was bijna niet in staat zijn buks vast te
houden. Lord Greybury lag op de knieën, het bovenlijf voorovergebogen,
de kolf tegen de heup gedrukt, den vinger aan den trekker, gereed elk
oogenblik aan te leggen en af te drukken, zoodra de ever maar een
handbreed van zijne borstelhuid te zien gaf.
Het geblaf en geschreeuw kwam nader. Van tijd tot tijd bewees een
jammerlijk gehuil, dat een onervaren hond in zijn overmoed den ever te
na was gekomen, en voor zijn vermetelheid met een stoot van de geduchte
slagtanden was gestraft.
„Dek je achter mij; ze komen hier heen,” fluisterde de Lord, die
Willems angst op zijn gelaat las. Een duidelijk hoorbaar, dof gebrom
bevestigde de woorden van den Engelschman. Het kraken van de doode
takken, het ritselen van de dorre bladeren wees voor het gehoor den weg
aan, dien de ever al vluchtende volgde. Te zien was er niets, van de
honden, noch van de drijvers; van den ever het allerminst.
„Klim in dat boompje,” gaf lord Greybury meer door gebaren, dan door
woorden Willem te verstaan; er was iets minachtends in zijn blik. Dat
was te veel voor Willem; de schaamte joeg hem het bloed naar de wangen.
De kalme moed van den Engelschman stak hem een hart onder den riem, en
zooals wel meer gebeurt, ook het naderen van het gevaar verdreef zijn
angst. Het beven hield eensklaps op; hij knielde naast den Engelschman
neer en omklemde stevig zijn hartsvanger.
„Ho, zwijn! tsa hond!” schreeuwden de drijvers van boven af. De ever
moest vlak tusschen deze en Willem zijn; het dier scheen stil te staan.
Door de openingen van het boschje konden ze nu den zwartborstel zien.
Hij snoof de lucht in en scheen te overleggen, wat hem te doen stond.
De honden, die in een kring om hem heen stonden te huilen en te
blaffen, telde hij weinig. Geen van alle durfde naderen. Achter hem
stonden de drijvers te razen en te schreeuwen als bezetenen, doch zij
waren evenals de honden gereed, ijlings op de vlucht te gaan, zoodra
mijnheer Satan het in zijn dikken kop mocht krijgen, om te keeren.
Vóór hem bleek het echter ook niet pluis te zijn. Wat te doen? Daar
naderde een van de honden hem wat te dicht. Eén zijsprong, één stoot
van den ever, en de waaghals vloog met opengescheurden buik vijf voet
hoog in de lucht, boven het kreupelhout uit.
Nu nam het wilde zwijn zijn kans waar. Het stoof vooruit. „Paf,” knalde
het schot van Lord Greybury. De ever brulde als een varken, dat
geslacht wordt; hij stond een oogenblik stil, boog toen den kop en
vloog in razende vaart recht op Lord Greybury af. Deze had geen tijd,
uit zijn knielende houding op te staan. Willem stiet een gil van angst
uit; hij liet zijn mes vallen, maar gaf tegelijkertijd den Lord een
duw, die dezen een eindweegs op zijde deed vallen; hij zelf rolde door
den terugstuit eveneens om. De ever vloog tusschen beiden door,
onmiddellijk gevolgd door den geheelen troep hijgende of jankende
honden en gillende drijvers.
„Dat is de tweede maal, dat je mij het leven redt,” zei de Engelschman
opstaande.
Doch Willem, die reeds van den schrik bekomen was, hoorde het niet
eens; hij wijdde al zijn aandacht aan de jacht, die nu in haar geheel
zichtbaar was. Satan was uit het kreupelhout gedreven, en draafde den
lavaweg op; een bloedspoor teekende zijn loop. Het was een reusachtig
dier; de zwarte borstels op den rug stonden overeind en deden hem nog
grooter schijnen dan hij werkelijk was. Zijne slagtanden waren even
lang als zijn kop. De honden haalden hem in, en nu zij hem aangeschoten
wisten, waagden zij het, op hem los te springen; een stuk of vijf beten
zich vast.
Maar de ever schudde ze brullende af, en deed er een paar een luchtreis
maken. Dit boezemde den anderen ontzag in.
Daar sprong de hondenbaas uit het kreupelhout op den weg, gevolgd door
twee honden, die tot nu toe geen deel aan de jacht hadden mogen nemen.
„Ho zwijn, tsa Turk! pak aan Caro!” riep hij hun toe. De ophitsing was
overbodig.
Nauwelijks had Caro den ever gezien, of hij vloog hem naar den kop,
maar lag een oogenblik later met opengereten buik in een greppel te
spartelen.
Turk gaf geen geluid, terwijl hij op den ever toe rende. Met een
vervaarlijken sprong greep hij het rechteroor van het wilde zwijn
tusschen zijn scherpe tanden, en op hetzelfde oogenblik, dat de ever
den kop bukte, om hem op dezelfde wijze als zijn kameraad Caro
onschadelijk te maken, sprong Turk met ongelooflijke behendigheid over
het zwijn heen. Hij hield echter het rechter oor tusschen zijne tanden
geklemd, zoodat hij het zwijn belette naar hem te stooten. De ever
brulde van pijn en van machtelooze woede, daar zijn kop naar rechts
getrokken werd, en zijn aanvaller zich links bevond. De overige honden
hadden op deze manoeuvre van Turk gewacht, om opnieuw aan te vallen en
zich weder vast te bijten. Bedolven onder een door elkander krielende
hoop honden, sukkelde de ever nog een eind weegs voort. Nu was ook de
hondenbaas naderbij gekomen; met opgeheven hartsvanger snelde hij op
den ever toe. Deze bemerkte hem. Met inspanning van zijn laatste
krachten trachtte hij zijne aanvallers af te schudden, doch Turk en
drie andere honden hielden vast. Wel keerde het zwijn zich nog om, ten
einde weer in het kreupelhout te komen, maar het bloedverlies had hem
te zeer verzwakt, om snel te kunnen loopen.
De hondenbaas haalde hem in, greep hem met de linkerhand van achter bij
de lange rugborstels en liet zich meesleuren. Het blanke staal
flikkerde een oogenblik in de lucht, en verdween daarop tot aan het
hecht tusschen de ribben achter het schouderblad.
De ever brulde weer als toen hij het schot van Lord Greybury ontving,
en vóór nog de hondenbaas het bloedige wapen aan het gras had
afgeveegd, zakte Satan ineen.
Een der drijvers blies het signaal: „Zwijn dood,” en van alle zijden
kwamen de jagers uit hun schuilplaatsen te voorschijn.
„Een prachtig schot, een koningsschot,” riep de hondenbaas, toen hij
met de zweep de honden van den ever had verjaagd, „de kogel is door de
beide longtoppen gegaan. Als er niet zoo goed gemikt was, zou de rakker
ons nog ontsnapt zijn. Wie heeft zoo goed getroffen?”
Geen der jagers antwoordde.
„Dan was het zonder twijfel Uwe Hoogheid,” zeide de opperjager
naderbijtredende. „Wij wenschen u geluk met het prachtige schot en
zouden daaraan alleen reeds uw waren stand herkennen.”
De Lord boog, bedankte voor de vriendelijke ontvangst, en zeide, dat
hij verder geen deel aan de jacht zou nemen.
De jagers trokken gezamenlijk terug naar het rendez-vous, waar ze hun
collega’s aantroffen, die reeds in een andere streek twee wilde zwijnen
gedood hadden.
De honden waren intusschen weer gekoppeld. Vier der gewonden moesten
afgemaakt worden; daar volgens den hondenbaas geen genezing meer te
wachten was. Vijf andere, wien de ingewanden uit het lijf hingen,
schenen aan dergelijke kleinigheden gewoon te zijn. Ze
kwispelstaartten, toen de hondenbaas het verbandlinnen voor den dag
haalde, en lieten zich verbinden, zonder een kreet van smart te uiten.
Na een stevig ontbijt gebruikt te hebben, namen onze reisgenooten
afscheid van de jagers. De opperjager bood hun een der slagtanden van
Satan aan, als een herinnering aan deze jacht, en geleidde hen naar
Buschweiler terug.
Lord Greybury en Willem gingen niet weer naar Bonn terug, maar reisden
nog denzelfden dag naar Coblenz aan den Rijn, vanwaar zij hun reis met
de stoomboot wenschten voort te zetten.