Een plein in Ephesus.
Antipholus en Dromio van Syracuse, benevens een Koopman,
komen op.
KOOPMAN. Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,
Want anders legt men op uw goed beslag.
Nog heden raakte een Syracuser koopman
In hecht'nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;
En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,
Zooals de wet van onze stad bepaalt,
Nog eer de moede zon in 't westen zinkt.
Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hier, Dromio, ga, breng dit naar den
Centaurus,
En blijf er wachten, tot ik bij u kom.
't Is binnen 't uur reeds tijd voor 't middagmaal;
Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;
De winkels eens bekijken, de gebouwen;
Dan kom ik eten en een slaapje doen;
Want ik ben moede en stijf van 't lange reizen;
Ga, loop maar door.
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel menig hield u bij uw woord en ging
Met zulk een aardig duitje werk'lijk door.
(Dromio van Syracuse af.)
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,
Als zorg en somberheid mij nederdrukken,
Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.
Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,
En blijft gij dan van middag bij mij eten?
KOOPMAN. Ik heb een samenkomst van hand'laars, heer,
En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;
Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ik
U tegen vijf uur op de markt ontmoeten,
En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.
Thans roepen mij mijn zaken elders heen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent'ren
En recht op mijn gemak uw stad bezien.
KOOPMAN. Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.
(Koopman af.)
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Die mij genoegen met mijzelven wenscht,
Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.
Ik ben een waterdroppel in de wereld,
Die in de zee een and'ren droppel zoekt,
En als hij zich tot onderzoek er in stort,
Bij 't zoeken spoorloos zich er in verliest;
Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,
Verlies ik mij, onzaal'gen, zelf er door.
(Dromio van Ephesus komt op.)
Daar komt mijn trouwe levensalmanak. 41
Hoe is 't? wat keert gij daar zoo ras terug?
DROMIO VAN EPHESUS. Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!
De kip brandt aan, de bigge valt van 't spit,
De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, en
Mijn meesteres reeds één hier op mijn wang;
Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,
Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,
Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,
Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;
Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,
Wij boeten voor uw euveldaân van heden.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:
Waar hebt gij 't geld, dat ik u gaf, gelaten?
DROMIO VAN EPHESUS. Den schelling meent gij van verleden Woensdag,
Voor--, voor een staartriem van mijn meesteres?
Dien heeft de zadelmaker lang en breed.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;
Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?
Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,
Niet zelf te passen op een som zoo groot?
DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.
Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,
Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,
En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.
Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,
Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;
Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.
Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?
DROMIO VAN EPHESUS. Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;
Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?
DROMIO VAN EPHESUS. Heer, 'k moest u zoeken op de markt en vragen,
Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;
Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,
Waar 't geld in veiligheid geborgen is,
Of ik sla u dien bol vol grappen in,
Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.
Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?
DROMIO VAN EPHESUS. 'k Heb een'ge merken op mijn bol van u,
En enkele op mijn rug van de eed'le vrouw,
Maar van u beiden saam geen duizend merken.
Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,
Misschien waar' 't ras met uw geduld gedaan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van de eed'le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?
DROMIO VAN EPHESUS. Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,
Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,
En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot
met mij,
En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!
(Hij slaat hem.)
DROMIO VAN EPHESUS. Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!
Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.
(Hij loopt heen.)
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo waar ik leef, door de' een of and're'
streek
Is al mijn geld den kerel afgezet.
De stad is, zegt men, vol bedrog en list,
Vol beurzensnijders die het oog bedotten,
Nachttoov'naars, die verbijst'ren, heksen, die
De ziel verdervend, 't lichaam tevens sloopen,
Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,
En zulke godvergeten schurken meer.
Zoo 't waarheid blijkt, reis ik onmidd'lijk af.
Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,
Doch vrees, er komt niet veel van 't geld terecht.
(Antipholus van Syracuse af.)