EERSTE TOONEEL.

Een zaal in het paleis van den Hertog.

De Hertog, Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg

komen op.

ÆGEON. Spreek 't vonnis uit, Solinus; en de dood,

Het eind van alles, eindige ook mijn nood.

HERTOG. Koopman van Syracuse, spaar uw reed'nen;

Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.

De bitt're vijandschap, die onlangs rees,

Doordien uws hertogs wreede toren woedde

Op hand'laars, wakk're burgers onzer stad,--

Die, 't geld ontberend om zich los te koopen,

Zijn wet bezeeg'len moesten met hun bloed,--

Bant alle ontferming van ons gram gelaat.

Want sedert tusschen uw onrustig volk

En ons een diep rampzaal'ge twist ontstond,

Verboden hier en ginder raadsbesluiten

Zoowel aan Syracusers als aan ons, 12

Den handel tusschen beide ontvlamde steden;

Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,

Zich wagen durft op Syracuse's markten,

Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,

't Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,

En al zijn goed'ren zijn verbeurd verklaard,

Tenzij hij duizend mark betalen kan

Als boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.

Maar al uw have, op 't allerhoogst geschat,

Is zeker nog geen honderd mark in waarde;

En dus veroordeelt u de wet ter dood.

ÆGEON. 'k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,

De zon, die daalt, voor 't laatst mijn jammer ziet.

HERTOG. Spreek, Syracuser, meld mij nog in 't kort,

Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,

En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.

ÆGEON. 't Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,

Dat ik mijn onuitspreek'lijk leed u meld;

Maar opdat elk getuig', dat drang des harten,

Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,

Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.

Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;

Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hare

Geweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.

Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdom

Nam toe door meen'ge welgeslaagde reis

Naar Epidamnum, tot mijn factor stierf

En mij de zorg om de onbeheerde goed'ren

Uit mijner gade zoete omarming reet.

Nog geen zes maand was onze scheiding oud,

Toen zij, schoon bijna door de zoete straf

Bezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,

Zich toerustte om mij na te reizen, en

Voorspoedig veilig aankwam waar ik was.

Zij had er nog niet lang vertoefd, of werd

De blijde moeder van twee flinke zoons,

En, wonder! de een den and'ren zoo gelijk,

Dat naamverschil alleen verschil kon geven.

Terzelfder uur en in hetzelfde huis

Was ook een vrouw van lagen stand verlost

Van tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.

Die kocht ik,--de ouders leden broodsgebrek--

Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.

Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,

Hield dag aan dag op onze huisreis aan;

Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroeg

Betraden wij een schip. 62

Wij waren pas een mijl van Epidamnum,

Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,

Reeds teekens, boden van een bitt'ren nood,

En dra was alle hoop voor ons vervlogen.

Het duist're licht, dat ons de hemel schonk,

Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,

De zekerheid van de' onvermijdb'ren dood,

Dien ik voor mij wel daad'lijk hadde omarmd,

Maar 't stâge jamm'ren van mijn gade, die

Vooruit beweende, wat zij naad'ren zag,

En 't bitter schreien van mijn lieve kleinen,

Die weenden nu zij 't and'ren zagen doen,

Deed mij naar uitstel streven van ons lot;

Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.

Het scheepsvolk zocht zijn redding in de boot

En liet aan ons het zinkend vaartuig over.

Mijn vrouw, voor de' eerstgeboor'ne meest bezorgd,

Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,

Zooals de zeeman meevoert voor een storm,

En met hem een van de gekochte kind'ren;

En evenzoo deed ik met de andre twee.

En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,

Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,

Onszelven vast aan de einden van den spriet;

En dreven met een sterke stroom, zooveel

Wij gissen konden, naar Corinthe toe;

En eind'lijk brak de zon weer helder door

En dreef de neev'len weg, die ons verdierven.

En bij het stralen van 't gewenschte licht

Werd ook de zee weer rustig en wij zagen

Twee schepen uit de verte tot ons naad'ren,

Een van Corinthe en een van Epidaurus.

Doch eer ze er waren,--o, verlang niets meer;

Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.

HERTOG. Neen, oude, breek niet af; want mededoogen

Mag ik u schenken, schoon genade niet.

ÆGEON. O, hadden zoo de goden zich erbarmd,

Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.

De schepen waren nog tien mijlen ver,

Daar stieten we op een scherp en kantig rif;

Geweldig was door onze vaart de schok,

Zoodat ons noodschip in het midden brak.

Zoo deelde ons dan het lot, bij 't wreed verbreken

Van onzen echt, gelijk'lijk beiden toe,

Wat ons geluk en wat ons droef'nis bracht.

Het deel van haar, die arme, dat gewis

Wel min gewicht droeg, maar niet minder wee,

Werd sneller voortgedreven door den wind,

En ik zag alle drie aan boord genomen,

Door visschers van Corinthe, naar 't ons scheen.

In 't eind kwam òns een ander schip op zijde;

En toen zij zagen, wie er was gered, 114

Was liefdevolle hulp ons deel; zij hadden

De visschers gaarne van hun prooi beroofd,

Waar' niet hun bark te slecht bezeild geweest;

Doch daarom werd er koers gezet naar huis.--

Zoo weet gij nu, hoe mij 't geluk ontvlood

En 't ongeluk mijn leven heeft gerekt,

Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.

HERTOG. Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,

Welwillend mij volledig mede, wat

Aan hen en u tot nu weervaren is.

ÆGEON. Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,

Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broeder

Te willen zoeken, en hield telkens aan,

Dat ik zijn dienaar,--wien, gelijk zijn meester,

Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,--

Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,

't Verlangen naar het lang verloren kind

Deed mij 't verliezen van mijn eenling wagen.

Ik heb in 't verste Griekenland vijf zomers

Gezworven en heel Azië doorkruist,

En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,

Wel zonder hoop, maar hier als overal,

Waar menschen zijn, in 't zoeken onverdroten.

Doch hier is 't einde van mijn leed en leven,

En zeeg'nen zou ik mijn verhaasten dood,

Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.

HERTOG. Rampzaal'ge Ægeon, door het lot bestemd

Om zulk een overmaat van leed te dragen!

Geloof mij, waar' 't niet tegen onze wet,

Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,--

Die schoon hij 't will', geen vorst miskennen mag--

Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.

Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,

En, zonder groote schade voor onze eer,

't Geslagen vonnis geen herroeping duldt,

Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.

Ik schenk u dezen ganschen dag, opdat

Gij hulpe zoekt, die u het leven redde.

Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeek

Of borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;

Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.

Bewaker, houd hem in het oog.

Cipier. Het zal geschieden, vorst.

ÆGEON. Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;

't Is uitstel van een reeds begonnen dood.

(Allen af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 4 / 30 题