VII.

Een eigenaardig panorama ontvouwde zich voor mijne oogen.

Voor mij zag ik hoopen planken van dennenhout, bij wijze van een vlot

geschikt; achter mij lagen vaartuigen met de vlaggen van verschillende

natiën, vlak voor den wal, voor anker. Rechts en links zag ik rijen

houten huizen van eene verdieping, ter wederzijde van nauwe straten

geschaard. Op een heuvel stond de kerk, wier ligging mij herinnerde

aan die van Notre-Dame de la Garde te Sainte-Adresse, een voorstad

van Hâvre. Een krans van hoogten, die overal boven de daken uitsteken,

scheen een wal om de stad te vormen.

Dat was Miragoâne. Ook deze stad kan men in een paar uren

afzien. Aanvankelijk niets meer dan eene aanlegplaats van het

kerspel van Fond-des-Nègres of liever Saint-Michel, verhief zij zich

langzamerhand tot een vlek. Haar voornaamste uitbreiding dagteekent van

1812. Waar vroeger vaartuigen het anker uitwierpen, staan nu huizen,

die gebouwd zijn op aan de zee ontwoekerde gronden, ten gevolge

van voortdurende aanplempingen. Deze manier van landaanwinning is

hoogst eenvoudig. Men koopt een stuk van een heuvel en een stuk van

de baai. Men graaft den heuvel af en dempt daarmede een stuk van de

zee. Miragoâne dankt haar snellen vooruitgang aan de openstelling van

haar diepe en veilige haven voor vreemde schepen. Aan den ingang der

baai ligt een frisch en lommerrijk eilandje, la Frégate genoemd, dat

's zondags druk bezocht wordt.

Ik bleef acht dagen te Miragoâne, en ging des morgens en des avonds

uit, zoodat ik overvloedig tijd had om alles te zien:--aangenomen

dat er wezenlijk iets te zien is. Ik bezocht de drie of vier forten,

natuurlijk allen in vervallen toestand; de haven, de zoogenaamde Cercle

of Détour, eene wandeling langs de zee, die naar een zoutbron voert,

waar ik des morgens, vóór zonsopgang, een bad ging nemen; en voorts

enkele punten in den omtrek.

Den 18den Februari, 's morgens ten vijf uren, vertrok ik te paard

van Miragoâne, vergezeld van eenige mijner leerlingen.

Alles beloofde een prachtigen, prettigen dag. De weg, die langs de

zee loopt, is vlak en vrij gemakkelijk. Langs Trou-Forban kwamen wij,

na een rit van twee uren, aan de Rivière-Froide, aan wier oevers twee

rijen zwarte waschvrouwen, slechts met een stuk doek om de lendenen

gekleed, haar linnen tusschen twee steenen persten. Wij trokken te

paard door de rivier en bereikten op den namiddag de haven van Nippes,

vroeger Petite-Rivière-du-Rochelois of kortweg Rochelois genoemd.

Een tweede rit van drie uur bracht ons te Anse-à-Veau, hoofdplaats

van het arrondissement van Nippes, waar al even weinig te zien is

als ergens elders in dit land.

Ik besloot toen over zee naar Jérémie te gaan. Ik sloot eene mondelinge

overeenkomst met den eigenaar van een goëlet, die den heilspellenden

naam voerde van Dieu merci. Den volgenden morgen, 19 Februari,

gingen wij onder zeil en verlieten de haven van Anse-à-Veau, die

slechts voor zeer kleine booten toegankelijk is. Voor den ingang ligt

een koraalbank, die zich voortdurend uitbreidt; en de kleine rivier,

die in de haven uitloopt, voert zulk een groote hoeveelheid zand aan,

dat zij gaandeweg gedempt wordt.

De zee was kalm en de wind gunstig. Wij voeren langs enkele baaien

en voorgebergten, langs een paar eilandjes en vlekken, het een al

even nietsbeteekenend als het ander. Tegen den avond begon het te

stortregenen, terwijl de duisternis ons belette iets te zien van de

kust waarlangs wij voeren.

Het varen op deze, nu eens vreeselijk eentonige, dan weer onstuimige

zee begon mij hartelijk te vervelen. Eindelijk, tegen vier uren,

hield de bui op; het begon te schemeren; de golven werden minder

woelig; de hemel helderde zich op en bij de eerste stralen van de

opgaande zon zagen wij Jérémie, de stad, waarnaar wij zoo hartelijk

verlangden. Op het eerste gezicht maakte zij een zeer aangenamen,

uitlokkenden indruk. Achter haar verrijst een hooge heuvel, waarop twee

blokhuizen staan, door Salnave gebouwd. De tegenwoordige stad, die voor

1756 Trou-Jérémie werd genoemd, naar een aldaar gevestigden visscher,

is in twee deelen gesplitst, de boven- en de benedenstad. De eerste

is zeer aangenaam gelegen en heeft de gedaante van een rechthoek. De

tweede volgt de kromming van de kleine baai, die haar tot haven

dient. Deze haven ligt geheel open voor den noordenwind, en wordt

dan ook bijna alleen bezocht door amerikaansche goëletten, die niet

noodig hebben lang te vertoeven om haar lading kwijt te raken.

Boven de stad bevindt zich de Calvariënberg. Naar men zegt, had

Desbois hier een mutsert laten oprichten, die steeds brandende werd

gehouden, en waarop hij de zwarte en gele gevangenen, die men hem

toezond, liet ter dood brengen. Maar wat ik bovenal verlangde te

zien, was Guinaudraie, de plantage, waar, in 1762, Alexandre Davy

Dumas werd geboren, zoon van den markies de la Pailleterie, eigenaar

der plantage en van eene afrikaansche slavin, en vader van Alexandre

Dumas I, wijlen den onuitputtelijken romanschrijver. Guinaudraie is

tegenwoordig eene wildernis, zoo als trouwens alle vroegere plantages.

Ik klom ook naar boven, naar het fort Mafranc, dat in 1804 is

gebouwd. Na een uur geklauterd te hebben, bereikte ik den top van

den berg, van waar ik den ganschen omtrek kon overzien. Niets is meer

geschikt om zich een denkbeeld te vormen van de geweldige uitwerking

der vulkanische schokken, dan een blik op deze landstreek. Deze met een

dichten, bijna wolligen plantengroei bedekte hoogten gelijken sprekend

op de bulten van reusachtige drommedarissen. De Grand-Rivière, een der

belangrijkste stroomen van Haïti, ontspringt op de hellingen van de

Cahouane en slingert zich over eene uitgestrektheid van vijf-en-twintig

mijlen, tusschen deze eentonige hoogten, als een zilveren reuzenslang.

Den 27sten Februari vertrok ik te paard naar Trou-Bonbon, en reed den

ganschen morgen voort, zonder eene woning of een menschelijk wezen

te bespeuren. De bananen rondom mij schenen alleen voor de vogelen

des hemels te rijpen. De rijk beladen oranje- en mangoboomen boden

hun gouden vruchten aan ieder, die ze plukken wilde.

Trou-Bonbon, op een mijl afstands van Jérémie, is een klein dorp,

aan eene baai, die veel door de kustvaarders bezocht wordt en

vol vaartuigen lag. Ik betaalde mijn gids, die mijn gehuurd paard

weder naar den eigenaar zou terug brengen, en ging aan boord van de

Bout-de-Macaque, met bestemming naar les Cayes.

Wij varen langs de landpunt der Abricots, waarbij het vlek van dien

naam ligt, aldus genoemd naar de groote menigte abrikozenboomen,

die de Europeanen bij hunne komst in deze streek vonden. Volgens

Moreau de Saint-Méry beschouwden de Indianen, de oorspronkelijke

bewoners van het eiland, deze bosschen als het paradijs. Als zij den

dood voelden naderen, lieten zij zich daarheen brengen, en bliezen

daar, in het woud, in een aan de takken bevestigde hangmat liggende,

kalm en rustig den laatsten adem uit. Zij hielden zich overtuigd,

dat hunne zielen dan voortaan in stillen vrede zouden omwandelen door

deze heilige bosschen, in schaduw der boomen, wier geurige vruchten

hun tot voedsel zouden verstrekken. Want ook deze eenvoudige kinderen

der natuur geloofden aan een leven na den dood.

Op nieuw baaien en voorgebergten en enkele vlekken. Wij komen

te Anse-d'Eynaud, de hoofdplaats van het arrondissement Tiburon

en residentie van den kommandant. Het vlek heeft zich eenigszins

ontwikkeld, nadat de haven voor vreemde schepen werd opengesteld. Wij

bleven hier vier dagen. Ons vaartuig moest eene lading tafia

innemen. Toen ik op den morgen van den vijfden dag, met nog andere

passagiers, aan het strand verscheen om weer scheep te gaan, was

er van de Bout-de-Macaque niets meer te bespeuren. Was het vaartuig

vertrokken? Neen, de kiel moest hersteld worden.

Wij moesten naar een ander vervoermiddel uitzien. De kommandant

van het arrondissement had de beleefdheid mij een paard te leenen,

om mij naar Tiburon te begeven, waar ik een vaartuig zal vinden,

dat naar les Cayes gaat.

Tiburon ligt aan den voet der bergen van la Hotte, en ontleent

haar naam van het woord, waarmede de Indianen een haai aanduidden:

buron. De haven van het overigens ellendige vlek wordt nog al bezocht.

Het had geregend en de weg was in een poel verkeerd. Ik ontmoette

niemand dan eene enkele negerin, en was blijde toen ik eindelijk

het dorp bereikte, waar ik een vaartuig verwachtte te vinden. Er was

er geen. Alle booten waren 's morgens uitgezeild. Ik was verplicht,

zeven dagen lang in dit ongelukkige nest te blijven, en kon eerst den

12den Maart vertrekken met een boot, die aan een reeder van les Cayes,

Jabouin, toebehoorde en naar Tiburon was gekomen om koffie te halen.

Nogmaals eene opvolging van baaien en vlekken en landpunten, met

hier en daar een ellendig dorp. Langs deze kust vindt men een aantal

eilandjes, door klippen en riffen omringd, waaronder la Folle,

een gevaarlijke rots, bekend door de schipbreuk van het fransche

oorlogschip Bouvet, in 1868.

Eindelijk kwamen wij aan de baai van les Cayes, die drie mijlen

breed is en zeker een der schoonste van het geheele eiland is. Bij

fraai weder herinnert zij eenigszins aan de golf van Napels; hemel

en zee hebben diezelfde schoone blauwe kleur. Nauwelijks was ik aan

land gestapt, of ik herkende een jeugdig docent, den heer Lassègue,

met wien ik te Port-au-Prince kennis had gemaakt. Ook hij had mij

herkend en kwam aanstonds naar mij toe. Mijn cicerone was gevonden

en ik volgde hem.

Den volgenden morgen werd ik door het leven voor mijn venster

gewekt: de inlandsche koopvrouwen waren bezig, op het marktplein

hare koopwaren uit te stallen. De kraampjes zijn hoogst eenvoudig en

toch opmerkelijk. Men steekt een hoogen bamboestengel in den grond,

en bevestigt daaraan eene geweldig groote mat, die telkens naar de

zijde van de zon wordt gedraaid, zoodat die kraampjes eenigermate

den indruk maken van scheepjes onder volle zeil.

Les Cayes is ruim anderhalve eeuw oud, doch heeft zich vooral

sedert 1804 uitgebreid. De stad is steeds verschoond gebleven van

de vernielende rampen, branden en aardbevingen, die Cap-Haïtien en

Port-au-Prince zoo dikwerf geteisterd hebben. Daarentegen richten de

overstroomingen van de Ilet en van de Ravine du Sud dikwijls ernstige

verwoestingen aan. Ook zijn de orkanen hier zeer veelvuldig. Een

der geweldigste was die, welke in den nacht van den 12den op den

13den Augustus 1831 woedde. De kracht van den wind was zoo hevig,

dat hij verscheidene huizen medevoerde. De opgezweepte zee drong

in de stad door, en op sommige plaatsen stond het water vijf voet

hoog. Ook de omliggende vlakte werd voor een deel overstroomd,

en eenige honderden menschen verloren bij die ramp het leven. De

schepen, die, in de haven geene veilige ligplaats vindende, naar de

baaien van Mesle en des Flamands waren gevlucht, om daar te ankeren,

werden op de kust geworpen en verbrijzeld.

Het binnenkomen der stad van de landzijde levert een schilderachtigen

aanblik op. Een vijftienhonderd el lange straatweg, ter wederzijde door

slooten omzoomd, voert van de Quatre-Chemins naar eene brug over de

Ravine du Sud. Langs dezen weg staan een aantal woningen met tuinen,

die, wanneer zij niet zoo schromelijk vervallen en verwaarloosd waren,

een aangenaam verblijf zouden zijn, waar men de genoegens van het

landleven kon genieten, zonder de stad te verlaten. Om de gemeenschap

met de voorstad Reynaud te vergemakkelijken, heeft men over de Ravine

du Sud een aantal houten brugjes en vonders gelegd.

Gedurende het bestuur van den generaal Marion, kommandant van het

arrondissement, den 20sten November 1831 te les Cayes gestorven,

werden alle publieke gebouwen gerestaureerd, en vestingwerken aangelegd

tot verdediging van de haven; ook werd op het marktplein en op andere

plaatsen in de stad begonnen met het maken van fonteinen. Tegenwoordig

is van dit alles bijna niets meer te vinden, en wat er nog van overig

is, ziet er zoo ellendig en verwaarloosd mogelijk uit.

Het zoogenoemde altaar van het vaderland, op de place d'Armes, is

rondom door graven omgeven.

Toen ik de stad in alle bijzonderheden kende--waartoe niet veel

tijd noodig is--organiseerde de heer Lassègue een rijtoertje naar

de aangrenzende vlakte du Fond, die eene oppervlakte beslaat van

twintig vierkante mijlen en door onderscheidene fraaie, breede wegen

doorsneden wordt.

Wij bezochten eerst het fort des Platons, in 1804 door Geffrard

gebouwd, dat eene onderaardsche, bomvrije kazerne heeft; het kamp

Gérard, waar Dessalines, in 1803 een auto-da-fé aanrichtte met de

brevetten, door Lamour-Dérance aan de officieren van het Zuiden

gezonden, en ook het kamp Prou. Eenige mijlen verder vindt men het

kamp Perin en het kamp Boudat, eene uitmuntende stelling, door een

dubbelen wal verdedigd. Tijdens de burgertwisten en oorlogen van 1868,

had de president Salnave hier militairen gelegerd. In de vlakte du

Pond stichtte Ovando, ten jare 1503, de stad Salva Tierra de la Zabana,

die in 1606 weder verlaten werd.

De lucht te les Cayes is zeer vochtig, en wordt nog ongezonder

gemaakt door de kwaadaardige uitdampingen der moerassen, die de stad

omringen. Wanneer het regent, blijft het water, dat nergens eene

gelegenheid tot wegstroomen vindt, in de straten staan. Van daar dat

rhumatiek, borstaandoeningen, tering hier zeer gewone ziekten zijn. Ik

vertoefde hier een maand, en was gedurende al dien tijd verkouden. Ik

was dan ook hartelijk blijde, toen de stoomboot Esther, die naar Jacmel

ging, de haven van les Cayes binnenliep; den 12den April ging ik 's

morgens ten vijf uren aan boord, met mijn vroolijken vriend kapitein

Cautin. Bij het verlaten van les Cayes was er slechts een ding, dat

ik ongaarne miste: mijne roeitochtjes op de prachtige Ravine du Sud,

te midden van de weelderigste tropische flora.

De stoomboot liep weldra de baai van Saint-Louis binnen, de veiligste

en schoonste van het Zuiden, vroeger baai van Cromwell genoemd, omdat

de vloot, door den beroemden Protector uitgezonden ter verovering van

Jamaïca, hier in 1655 het anker uitwierp. De tegenwoordige naam der

baai werd haar in 1677 gegeven. Dienzelfden naam draagt ook het aan

den oever gebouwde vlek, dat in 1698 werd gesticht, in het jaar der

oprichting van de Compagnie van Sint-Domingo. Na de opheffing dezer

compagnie, die hier haar hoofdkantoor had, in 1721, werd het vlek op

nieuw aangelegd. Het ligt aan den voet van een ruim vijfhonderd el

hoogen heuvel en heeft de gedaante van een langwerpig vierkant, met

rechte en breede straten. Op een eiland in de baai, het Grand-Ilet,

ziet men nog de ruïnen van het oude fort, dat vroeger den toegang

tot de stad moest verdedigen.

Tegen den middag kwamen wij aan de baai van Aquin of Yaquimo, waar

Columbus in 1494 voet aan wal zette. Aquin is bekend om zijn schapen,

zijn oesters en zijn truffels. Omstreeks vier uren stoomden wij langs

Bainet, aan den oever van eene ruime baai, die ten eenemale van klippen

vrij is, terwijl de geheele aangrenzende kust als met een gordel van

rotsen is omzoomd: aan deze omstandigheid dankt de baai haar naam,

die eigenlijk Baie Nette, schoone baai, beduidt.

Te Jacmel of Jaquemel stapt men af aan een kleinen steiger, van

leuningen voorzien. Om de stad te bereiken, moet men een trap

beklimmen, waarvan de onregelmatige afgesleten treden steen voor

steen wegbrokkelen onder uw voet. Deze stad, waar een vrij levendige

handel gedreven wordt, is in twee gedeelten verdeeld: de boven

en de benedenstad. In de eerste, Bel-Air genoemd, heeft men een

vrij uitzicht over de omringende velden en de zee. De huizen in de

benedenstad zijn luchtig en niet zonder smaak gebouwd. Het drinkwater

moet uit de Grande-Rivière, ten westen der stad, gehaald worden.

Jacmel is bekend door het beleg, waarbij de soldaten van het legioen

van het Westen, met onbezweken moed, voet voor voet het terrein

betwistten aan Dessalines, aan Christophe, aan Toussaint-Louverture. Op

zich zelven staande forten vormden toen eene lijn van verdediging

rondom de stad.

Eene boot, gelijk aan die waarmede ik van Léogane naar Miragoâne

was gevaren, bracht mij van Jacmel naar Cayes-de-Jacmel. Dit vlek,

omstreeks 1714 gesticht, is alzoo genoemd naar de klippen, cayes,

waarmede de naburige kust bezaaid is. In de nabijheid vindt men nog

sporen van indiaansche nederzettingen, die doen vermoeden dat dit

kanton weleer door een talrijken stam was bewoond, en twee mijnen,

door de Spanjaarden geëxploiteerd. Er is hier koper- en ijzererts

in overvloed.

Voorbij Jacmel vindt men nog een paar ellendige dorpen langs

de bergachtige kust, tot aan de rivier der Pedernales, die de

grensscheiding vormt tusschen de neger-republiek Haïti en de republiek

Sint-Domingo.

Ik verlangde naar Port-au-Prince terug te keeren; de afstand tusschen

Jacmel en die stad bedraagt over land niet meer dan tien mijlen,

die men gemakkelijk in een dag kan afleggen.

Ik nam mitsdien een paard en reed tusschen de heuvelen naar de

hoofdstad terug. Den 2den Mei 1873 zat ik in den namiddag weer op

mijne kamer te Port-au-Prince en vermaakte mij met het eigenaardig

tooneel op de straat.

Ik mag niet eindigen zonder een enkel woord te zeggen over dit land,

ook naar aanleiding van de vraag, die mij meermalen gedaan werd:

welke toekomst heeft deze republiek Haïti?

Mevrouw Beecher Stowe, de schrijfster van den welbekenden roman De

Negerhut, wie men zeker niet van vooringenomenheid tegen het negerras

zal beschuldigen, dat zij integendeel veeleer geneigd schijnt als den

hoogsten type der menschheid te beschouwen; mevrouw Beecher Stowe

legt een harer personen, George Shelby, deze woorden in den mond:

"Waar is het vaderland der zwarten? Ik zie om mij heen. Het is niet

in Haïti: daar ontbreekt het aan elementen: de beken keeren niet tot

haar oorsprong terug. Het ras, dat het karakter der Haïtianen gevormd

heeft, was verbasterd, uitgeput, kwijnende: er zullen eeuwen moeten

verloopen, eer Haïti iets worden kan."

Ik weet niet, in hoeverre mevrouw Beecher Stowe voor Haïti heil

zou verwachten van eene immigratie van echte, onverbasterde negers

uit Afrika, het vaderland der zwarten. Zeker, indien de negers

der werkelijkheid geleken op het door haar, met eene bepaalde

tendenz, geteekende fantazieportret van Oom Tom, dan zou zoodanige

immigratie binnen kort Haïti tot een aardsch paradijs, een modelstaat,

maken. Doch de neger van mevrouw Beecher Stowe en de wezenlijke neger,

zoo als wij dien overal vinden, zijn twee wezens, die zeer weinig met

elkander gemeen hebben; en de geschiedenis van Haïti, die toch nog

maar weinige jaren omvat, bevestigt het getuigenis, sedert vele eeuwen

door de wereldhistorie afgelegd: dat het negerras onbekwaam is, eene

geregelde staatsorde, eene werkelijk beschaafde maatschappij in het

leven te roepen, zich te verheffen boven de eenvoudigste vormen der

maatschappelijke ontwikkeling. In Afrika, het vaderland der zwarten,

is nergens een spoor van eenige hoogere beschaving te vinden; hier in

Haïti, waar het negerras anderhalve eeuw lang in aanraking is geweest

met blanken en te midden eener beschaafde maatschappij heeft geleefd,

onvermogen, niet alleen om zich die beschaving werkelijk toe te eigenen

en verder te ontwikkelen, maar zelfs om het bestaande en overgeleverde

te behouden. Sedert de zoogenaamde vrijverklaring is het land, ook

wat het gehalte der bevolking aangaat, voortdurend achteruit gegaan;

en zoo er voor dit door de natuur zoo rijk gezegende land nog immer

eene betere toekomst zal aanlichten, dan kan dit alleen geschieden,

wanneer op nieuw blanken, hetzij dan Europeanen of Amerikanen, de

macht in handen nemen en het negerras teruggebracht wordt tot de

ondergeschikte plaats, die het in spijt van alle theorieën door de

natuur is aangewezen.

Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881 · 第 8 / 9 题