VI.

Het was een heerlijke nacht. De maan liet zich niet zien, maar de

starren flonkerden met helderen glans boven onze hoofden; en hoewel

het midden in den nacht was, was de hemel bijna zoo helder als op

een schoonen zomerdag. Geheel omgeven door die doorzichtige lichtende

schemering, die aan de tropische nachten eene zoo onbeschrijfelijke

bekoorlijkheid geeft, voeren wij kalm over de kabbelende golven,

zonder de kust uit het oog te verliezen. De kapen en voorgebergten,

half in schaduw gehuld, dreven langzaam langs ons henen. Een roode

lantaarn, aan den mast van een vaartuig bevestigd, dat bij het fort

Ilet voor anker lag, wierp een breeden lichtstreep op de golven. Van

tijd tot tijd klonken ons luide tonen tegen, afkomstig van een of

anderen schipper, die op de lombi blies, en door dit geluid, dat op

zeer verren afstand hoorbaar is, de richting aangaf die hij volgde,

ten einde aanvaringen te vermijden.

Tot mijn spijt noodzaakte mij eindelijk het gestamp en het deinen van

de Chanté-Clair om naar beneden te gaan en eene plaats uit te zoeken,

waar ik, met mijn nachtzak onder mijn hoofd, kon gaan slapen, naast

mijn secretaris, die ondanks het sterke slingeren van het schip,

luid lag te snorken.

Wij werden juist wakker, toen men zich gereed maakte, het anker op

eene reede uit te werpen. De maan dook weg achter den berg Piton,

en het licht van den aanbrekenden morgen kleurde het strand en de

zee met de rijkste en teederste kleuren en tinten, afwisselende van

zacht zeegroen tot donker smaragd.

Wij lagen niet ver van land, te midden van een aantal vaartuigen,

onbewegelijk op het water rustende als een troep slapende zwanen. De

matrozen stroopten hunne broeken op en droegen ons op hunne breede

schouders naar het strand, waar zij ons neder zetten bijna vlak

voor de deur van een dier kleine kruideniers- en drankwinkeltjes,

die men in menigte op Haïti vindt. De winkeljuffrouw, Mlle Choune,

eene zeer welgedane negerin, bracht ons dadelijk een paar stoelen,

en maakte, op mijn verzoek, twee kop koffie voor ons klaar.

Terwijl wij onze koffie dronken, werden wij verrast door een bezoek van

Tysbel, den directeur van het hotel des Voyageurs te Port-au-Prince,

die nu voor zijne gezondheid te Leogane vertoefde, waar hij geboren

was. Vernomen hebbende dat ik hier aan land was gestapt, kwam hij

mij zijne diensten aanbieden. Ik zond hem naar den kommandant van

het arrondissement, voor wien ik een brief van aanbeveling bij mij

had, om paarden te vragen. Wij waren nog drie-kwartier van de stad

verwijderd, en ik had geen lust, dien afstand te voet af te leggen.

In afwachting van het antwoord van Tysbel, bracht ik een bezoek aan

eenige puinhoopen, die wij tegenover ons zagen. Deze ruïnen zijn

alles wat nog over is van het fort Lapointe, dat in 1793 den naam

droeg van Ça-ira; er is thans niets meer van de voormalige vesting

te zien dan die vormlooze steenhoop, geheel met lianen en andere

woekerplanten overgroeid.

Toen ik weder onder de galerij van Mlle Choune's winkel had plaats

genomen, kwam Tysbel hijgende en bezweet aanloopen. Hij reikte mij een

officieelen brief over, waarin de kommandant, de generaal Tiberius

Zamor, mij zijn leedwezen betuigde dat hij voor het oogenblik geene

paarden tot mijne beschikking kon stellen; zij waren allen naar buiten,

op eene vrij ver van de stad gelegen plantage. In de plaats daarvan

zond hij mij een wagen, waarmede ik de reis wel niet zoo snel, maar

toch evenzeer zonder vermoeienis zou kunnen maken.

Het rijtuig volgde Tysbel op den voet. Wij klauterden er in en zetten

ons zoo goed mogelijk op onze nachtzakken neder. Des Rayauds sloeg een

grooten witten parasol op, dien ik in mijne bagage had medegenomen,

overtuigd dat wij daarvan dienst zouden kunnen hebben. De zon brandde

in volle kracht; maar dank zij onze draagbare tent, hadden wij niet

al te veel last van hare loodrecht neerschietende stralen. De voerman

lei de zweep op zijne ossen, die zich met langzamen, afgemeten tred

in beweging stelden.

Ten tien uren hielden wij onzen intocht in Léogane. Wij reden eerst

over een vierkant plein, met eene bonte menigte volks overdekt,

sloegen toen een vrij breede straat in, en hielden eindelijk stil

voor de galerij van een groot vierkant huis, zonder dak, waaromheen

allerlei materialen lagen opgestapeld, en waaruit ons een oorverdoovend

geraas van kloppen, zagen en hameren tegen klonk. Wij waren in het

kommandantshuis. Het was marktdag. De kommandant had het zoo druk,

dat ik mij schaamde, hem in zijn werk te storen. Maar nauwelijks

had hij ons bespeurd, of hij riep een jongen en gaf hem last, glazen

schoon te maken. Toen bracht hij ons in zijne eetzaal, en bood ons

ververschingen aan, die ons zeer welkom waren.

Hij toonde ons nu de kamers van zijn huis, waar metselaars, stukadoors

en timmerlieden aan het werk waren, en maakte zijn verontschuldiging,

dat hij ons niet naar behooren kon ontvangen.

"Maak u daarover niet ongerust, generaal," zeide ik tot hem; "ik zal

bij den heer Joseph Lacombe mijn intrek nemen."

De jongen, die de glazen had schoongemaakt, en Tysbel, die onder de

galerij wachtte, namen onze bagage op en geleidden ons naar den heer

Lacombe, die ons met open armen ontving.

Léogane, eene der belangrijkste steden van de fransche kolonie,

was ook de zetel der koloniale regeering, tot dat deze naar het acht

mijlen verwijderde Port-au-Prince werd overgebracht. De stad beslaat

een rechthoek, die eene lengte van achthonderd en eene breedte van

zeshonderd-vijftig ellen heeft. De straten zijn niet geplaveid.

De oude kerk, die zeer fraai was, werd geheel in de asch gelegd bij

gelegenheid van den brand, dien de opstandelingen in 1802 ontstaken. De

tegenwoordige kerk, onder het bestuur van Soulouque op dezelfde

plaats gebouwd, is een plomp, massief gebouw, zonder eenigen smaak,

dat het meest op een reusachtige doodkist gelijkt.

Léogane is de geboorteplaats van den admiraal Bonnet, in 1773 geboren,

van een dichter, Ignace Nau genaamd, en van Marie-Claire Heureuse,

dochter van eene slavin en zelve slavin, die het tot keizerin

bracht--keizerin van Haïti altijd, wel te verstaan. Dessalines huwde

haar na den oorlog tegen het Zuiden. Zachtmoedig van aard, bleef

zij geheel vreemd aan de barbaarsche woestheden van haar echtgenoot,

en wist zelfs meermalen aan dien bloeddorstigen tijger zijne prooi

te ontrukken. Zij leefde nog in 1848 en woonde te Saint-Marc.

Den volgenden dag, den 2den Februari, was ik tegenwoordig bij de

begrafenis van eene vrouw die, naar men zeide, honderd-twintig jaren

oud was geworden. Wat al gruwelen en monsterachtige daden had zij,

in haar lange leven, gezien! Men verzekerde mij, dat zij tot het

laatste haar volkomen helderheid van geest had behouden, en dat zij

de vreeselijke moordtooneelen van 1793 kon verhalen met allerlei

bijzonderheden, die maar aan weinigen bekend waren. Ik sloot mij

aan bij den stoet, die deze tijdgenoote der revolutie naar hare

laatste rustplaats bracht, en had daardoor ook de gelegenheid het

buiten-kerkhof te zien, dat op vrij grooten afstand van de stad ligt.

Den dag na de begrafenis vernam ik dat de burger Cicéi Lully, gewezen

volks-vertegenwoordiger, in den vorigen nacht aan eene hersenontsteking

overleden was. Ook bij zijne begrafenis was ik tegenwoordig. Hij was

een Zeer eerw. en Welbeminde Br., R. A. R.† C. T. K. G. E. K. S. 30e

ex-Vener. van de Eerw. ▭ . l'Humanité, no 12. Zijne broeders

bewezen hem de laatste eer. De kerkelijke plechtigheid was ter

nauwernood afgeloopen, en de priester had zich nog niet verwijderd,

toen zij reeds op zijne lijkkist aanvielen. Daar werden niet minder dan

drie redevoeringen uitgesproken, waarbij niet alleen de grammatika,

maar nog veel meer het gezond verstand op de onbarmhartigste wijze

werd mishandeld. Wat een stortvloed van bombast en onzin; wat een

verbijsterende poespas van maçonniek jargon en mythologische termen

en uitdrukkingen, waarbij iemand het hoofd duizelde. Wat had die

man toch misdreven, dat hij nog in zijn graf met deze dollemanspraat

moest worden vervolgd?

Er was nu te Léogane verder niets te zien; ik nam mitsdien plaats

op een boot, waarvan de schipper de neef was van den eigenaar van

de Chanté-Clair. Papeloute, zoo heette de man, zou mij voor tien

piasters naar Miragoâne brengen en onderweg te Grand-Goave en te

Petit-Goave zoo lang ophouden, als noodig was om die twee gesloten

havens te bezoeken. Zoo worden namelijk de havens genoemd, waarin

geene vreemde schepen worden toegelaten, in tegenstelling van de open

havens, waar zij mogen binnenloopen.

In den vroegen morgen van den 8sten Februari verliet de boot de

aanlegplaats bij het voormalige fort Ça-ira en voer de baai van

Léogane in, overeenkomstig mijne bevelen, zoo dicht mogelijk langs de

kust houdende. Ik had mij op het dek, aan den voet van den fokkemast

nedergezet, voor ditmaal alleen, want des Rayauds was ziek geworden

en naar Port-au-Prince teruggekeerd.

De kust, waarlangs wij voeren, is laag en tamelijk eentonig, maar toch

niet onbevallig. Geheel op den achtergrond, in een doorzichtigen nevel

gehuld, verheffen zich, als cyclopische muren, de geweldige natuurlijke

bolwerken, die tot den berg Piton behooren. Na eene vaart van drie

uren kwamen wij aan een klein armoedig dorpje, waarvan de hutten vrij

schilderachtig langs het strand verspreid liggen. Dat dorpje draagt een

naam, die welhaast eene bespotting schijnt: het heet le Grand-Goave.

Op deze plek hadden de Spanjaarden een dorp gesticht, dat zij

Aguava noemden en dat in 1592 in de asch werd gelegd. De Franschen

herbouwden het vlek, tegelijker tijd als Léogane, en gaven het zijn

tegenwoordigen naam, die eene verbastering schijnt te zijn van de

oude Spaansche benaming. Daar begon de oorlog tusschen Rigaud en

Toussaint-Louverture. In 1816 kwam hier eene wetgevende vergadering

bijeen, om, ik weet niet voor de hoeveelste maal, de constitutie der

republiek te herzien.

Tegenwoordig is Grand-Goave een ellendig, verlaten, vergeten dorp,

dat ettelijke honderden zakken koffie, sterk met steenen aangevuld,

naar Port-au-Prince verzendt.

"Gij behoeft hier niet aan te leggen, zeide ik tot den schipper;

ik heb alles gezien. Ga maar voort."

Na een voorgebergte te zijn omgevaren, liepen wij, na verloop van

een uur, de diepe baai van Petit-Goave binnen, en zetten koers naar

de haven, die vroeger door het Fort-Royal werd verdedigd.

Petit-Goave was eenmaal op het punt, de hoofdstad der kolonie te

worden. De veilige haven, die tegen alle winden gedekt is en waar

de grootste schepen kunnen ankeren, vestigde de aandacht op deze

plaats. Men had reeds vrij belangrijke versterkingen aangelegd,

om de Spanjaarden en Engelschen af te weren, en het plan eener stad

ontworpen, toen van het voornemen werd afgezien. Na de stichting van

Port-au-Prince, raakte Petit-Goave in vergetelheid.

Het vaartuig lag aan den wal. Ik sprong aan land en begaf mij

onmiddellijk naar het bureau van den kommandant, den generaal Gracchus

Petit, voor wien ik een brief van zijn confrater Tiberius Zamor bij

mij had. De generaal ontving mij op aartsvaderlijke wijze. Hij zat

juist aan tafel; er werd een couvert voor mij gezet, en wij vergastten

ons te samen aan eene mama-kip, die zeker wel de eerwaardige matrone

was geweest van mijns gastheers kippenhok.

Al etende, verzocht ik den generaal mij alles te vertellen, wat hij

van de stad en hare omgeving wist.

"Ja, zeide hij, wat zal ik u in 's hemels naam vertellen? In het kanton

des Palmes is er, boven op een berg, een vijver van zoet water, van

anderhalve mijl in omtrek, waar de visschers dikwijls visch vinden

en de jagers waterwild in overvloed.

--Vermoedelijk is die vijver de krater van een uitgebranden vulkaan?

--Ja, dat weet ik niet. Zuidwaarts van de stad strekken zich moerassen

uit, die vooral in het heete jaargetijde, de lucht verpesten. In den

omtrek groeit veel koffie en ook vele andere vruchten; het kanton van

Trou-Chouchou is bekend om zijn oranjeappelen en bananen. De lieden

hier oefenen tegenwoordig geene andere industrie uit, dan het maken

van houten stoelen met matten zittingen en roodgeverfde pooten. Maar

de grootste merkwaardigheid der stad is ongetwijfeld de boom, waaraan

menschen groeien."

Dit zeggende, keek de kommandant mij aan, en lachte, alsof hij iets

zeer merkwaardigs had medegedeeld.

"Dien boom, waarvan ik spreek, ging hij voort, zie ik alle dagen,

en als wij gedaan hebben met eten, zal ik hem u toonen."

Na afloop van de tafel bracht hij mij inderdaad, op het groote plein,

aan den voet van een zonderlingen tamarindeboom, waarvan de vruchten

werkelijk zeer veel gelijkenis hadden met een menschelijk gelaat,

in profiel gezien. Ik plukte voor de aardigheid eenige vruchten,

en wij vervolgden onze wandeling door de stad.

Men moet de steden niet beoordeelen naar haar naam. Petit-Goave is

metterdaad het groote. Twaalf ongeplaveide, elkander rechthoekig

snijdende straten scheiden de twintig blokken van ongelijke grootte,

waaruit de stad bestaat. In 1805 door den oproerling Lamarre in brand

gestoken, werd zij later bijna geheel herbouwd. Desniettemin zijn twee

of drie uren meer dan voldoende om Petit-Goave in alle bijzonderheden

te bezien. Bij het invallen van den nacht gaf ik bevel om weder onder

zeil te gaan, hoewel er een storm in aantocht was.

Het duurde niet lang of de boot vloog over de onstuimige golven,

door de branding her- en derwaarts geworpen. Eensklaps hoorde ik te

midden van het gebrul, geloei en gesis der woedende wateren, een luid

geloei, dat uit de duistere diepte scheen te komen; het raadselachtige

dreigende geluid herhaalt zich tot twee-, driemaal.

"Wat is dat?" vroeg ik aan Papaloute, die met twee handen de roerpen

hield omklemd.

--Vermoedelijk een pantou-fouillé.

--Wat bedoelt ge daarmede?

--Een beest, dat in zee leeft, reusachtig groot is en horens heeft,

waarmede het een boot kan omverwerpen. Mijn vader heeft mij verhaald,

dat op de hoogte van Petit-Goave, een pantou-fouillé het roer heeft

weggeslagen van een vaartuig, waarop hij stuurman was."

Uit nieuwsgierigheid boog ik mij over de verschansing, ten einde zoo

mogelijk het monster te ontdekken, dat ons volgde, in de hoop eene

prooi machtig te zullen worden. De nacht was zoo duister, dat de zee

van inkt scheen, en men niets hoegenaamd onderscheiden kon. Om niet

langer door visioenen geplaagd te worden, ging ik in mijne kooi liggen

en sliep gelukkig weldra in, daar de storm inmiddels bedaarde. Ik

ontwaakte niet voor den volgenden morgen ten vijf uren.

Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881 · 第 7 / 9 题