DOOR HET WESTEN VAN NOORD-BRABANT EN NAAR BREDA.

Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.

Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer

midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg

met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout

begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte

bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten

over het lage polderland.

Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp

opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar

de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de

spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit

te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622

Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat

het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.

Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge

zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit

de 14e eeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van

het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te

Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen

en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de

andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen,

dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.

Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje

Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland

aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet

in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid

vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs

blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels

uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het

marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten

den tijd der suikercampagne, benauwend stil.

De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er

tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij

aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de

groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs

was hier korten tijd de munt van Holland gevestigd, toen Filips

van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad

ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder

opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een

vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd

reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.

Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer

ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het

laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de

Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig

belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over

de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel

van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje

Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw,

zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij

moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters

en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers

beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.

Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal,

voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is

aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe

keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals

bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde

langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling

van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands

bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante

door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.

Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk,

in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen

is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk

een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen,

maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot

het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze

prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het

koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars

als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd

gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer

Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten

zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor

zij waren vervaardigd en van de voormalige abdij aan de Schelde werden

zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook

de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij

alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.

Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van

het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel

verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus,

op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele

aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over

de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid

Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de

fig. pag. 340).

Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende

Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19e eeuw was dit slechts

een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839

werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens

werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis

gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek

te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van

Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen

en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen

van groen, geel en bruin aan het landschap.

Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje,

waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst,

alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst

waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel

door riet gedekt, en rondom staan een zestal huizen en boerderijen,

opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve,

knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen

omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een

lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en

door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam "Petite Suisse"

hieraan gegeven.

Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel

Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.

Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal,

het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen

snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel

en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn

Amsterdam--Rotterdam--België--Parijs. Daardoor is het station een druk,

internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.

De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het

landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich

echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd

vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke,

flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende

korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning

Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde,

Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot

een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt

men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven

andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan

elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een

woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met

distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De

nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche

Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal

daardoor een haven kreeg, welke voor den handel op Holland aan den

eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige

beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal

dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven

en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26en Juni

1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel

werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk

uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het

moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men

er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek

en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.

De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone

aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem

natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder

den indruk der waarneming op het juiste moment.

De kortste weg van Rozendaal naar Breda loopt rechtuit naar het oosten

over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg

maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te

brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder

te bereiken.

Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel,

een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink

boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen

wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant,

dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het

oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het

westen vindt men over 't geheel de boerenbedrijven grooter dan in het

oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond,

en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het

westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst

eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker,

netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer

even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid,

de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig

was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte

niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor

heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar

in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen,

waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in

verband stonden, zooals suikerfabrieken.

Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij

zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft

erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch

door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten,

die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen

geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijk jongen datum;

een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw

hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend

geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd,

en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf,

dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de

suikerfabrikage uitgeoefend.

Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk

uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000

inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen

indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig

oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk,

hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke

stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de

aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen

koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de

St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De

kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12

koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor

de helft door de kerkgangers gevuld worden.

Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat

St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt

bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk

uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een

zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot

een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe

langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den

godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de

St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving

nog trotscher en dieper indruk makend. Deze inrichting van onderwijs

hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de

milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de

hulpmiddelen der opvoeding.

Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet

bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt

Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van

beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen

Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en

door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch

meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden,

dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.

Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda

blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een

vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het

land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door

een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen

met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo

is het overal.

Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp

Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen

wij te Etten, een flinke, nette nederzetting, meest langs de breede

dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden

wordt overschaduwd.

Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou

in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of

vergaderplaatsen der Franken in de 5e eeuw en voerde later den naam

van "vrijheid", hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het

Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, "Houte" geheeten, bestond tot

1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.

Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen

toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch

op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo

krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn

of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is

men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken,

Staatsgezinden turfschipper op te richten.

Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie

boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt,

om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen

in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda

uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door

het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet

altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het

Liesbosch brengen in den kring van Breda.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 53 / 74 题