Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan
te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der
hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen
opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door
de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen
vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt
het te bevreemden, dat men hier sprak van "bergen op den zoom" der
zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke
etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende
verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want
Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en
ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden,
waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden
enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn
van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.
Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot
nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks
van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het
water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek
men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij
vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee
op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig,
dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de
Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den
toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land
van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden--slibvlakten,
grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.
Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de
vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het
breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de
bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen
der visschers in de duinen. Reeds in de 8e eeuw werd door Geertruida,
de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning
der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den
oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf
en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron
werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de
geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het
naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken,
hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert
het begin der 17e eeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar
voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het
komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering
aan Geertruida aldus is genoemd.
Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende,
levendige handelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren
stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van
tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren
aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een
belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke
zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden
zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen
genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had
hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis
voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar
Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen
onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn
bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog
meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke
vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.
Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen
doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en
in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun
grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze
veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16en Sept. van dat
jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk
teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18en
Maart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch
toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting
gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.
Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder
leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van
vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld;
zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte
wallen en vestingterreinen.
Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld,
met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en
de daarop uitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter
van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt
men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over 't geheel heeft
de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.
Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak
en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met
gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk
dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het
raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk
van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men de
wapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben
geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V
tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode,
Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d'Auvergne, Aremberg en
Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie
in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten
vervallen werd verklaard.
In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde
schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten,
afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der
vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd
en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit
Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek
karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk
aan de Gothiek.
Ook de zoogenaamde "Witte zaal", die gewoonlijk gebezigd wordt voor
de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen
en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.
Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de
Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt
achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida
in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door
Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel
prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en
een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd
het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende
de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende
kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in
brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat
eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan,
viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land
ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd,
maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.
Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof,
tegenwoordig de kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans
nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische
beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer,
behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van
het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door
heer Jan van Glimes, bijgenaamd "Jan met de lippen", gebouwd, die het
vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op
de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken
van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het
tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere
ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke
tonen des jachthoorns.
Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie,
lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren
tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend
en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere
pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren,
waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger
hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een
verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken,
werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.
Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van
de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der
Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig
voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het
midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de
stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en
meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie
brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort
een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de
bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan
den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en
schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant
draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.
Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen
en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier
hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een
landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering
en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid
Katholiek.