Wij willen nog een bezoek brengen op Goedereede en Overflakkee,
het zuidelijkste der Zuid-Hollandsche eilanden, tevens het meest
geïsoleerde, dat door de breede wateren van het Haringvliet, Volkerak,
Krammer, Grevelingen en Brouwershavensche Gat wordt ingesloten. Wij
nemen van Numansdorp een der booten, die passeeren naar dat eiland. En
terwijl wij op het breede water ronddobberen en de hooge dijken
van Overflakkee langzamerhand zien oprijzen in hun ware gedaante,
verplaatsen onze gedachten zich eenige eeuwen terug. Wanneer wij ons
voorstellen, dit land in het begin der 13e eeuw te zien, dan zouden wij
van het gedeelte, dat Overflakkee heet, nog weinig anders bemerken dan
enkele kleine eilandjes met lage kaden omringd, en eenige bij eb droog
vallende platen. Alleen in het westen aan de Noordzee lag tegen den
binnenkant der duinen een beter bewoonde plek, West-Voorne geheeten, en
op een hoogere strook vond men hier een dorpje, (Ouddorp) terwijl het
water binnen het duin aan visschers en schippers een veilige ligplaats
aanbood. Valt het te verwonderen, dat hier een plaatsje ontstond,
hetwelk naar de gesteldheid der haven den naam Goedereede droeg?
Doch gelijk in het geheele delta-land zette ook hier de aanslibbing
zich voort. De kleine eilandjes groeiden aan, de platen slibden
op, en de ondernemende dijkers kwamen, om de stukken lands, welke
de stroomgod uit de baren deed oprijzen, voorgoed aan het water te
onttrekken. De eilanden vermeerderden; de slikken tusschen de eilanden
werden vervolgens bedijkt, en aldus sloten de eilandjes aan elkander,
vormden, vereenigd, grootere eilanden. Omstreeks 1750 bestond het land,
dat wij vóór ons zien, uit twee eilanden: Overflakkee en Goedereede,
enkel nog gescheiden door een reeks van platen, van eenige diepere
geulen doorsneden. Doch ook deze zouden weldra met het land verbonden
worden: in 1751 werd een dam gelegd, welke de beide eilanden Goedereede
en Overflakkee vereenigde, en langs dien dam ontstonden aanwassen,
die allengs ter bedijking gegeven werden. Zoo zien wij in den loop
der eeuwen dit eiland opkomen uit de wateren en aanwassen tot zijn
tegenwoordige gedaante.
Wij bevinden ons reeds bij het eiland en de boot loopt de lange haven
van Middelharnis en Sommelsdijk binnen. 't Is een kanaal van ongeveer
20 à 25 minuten gaans lengte, tusschen de polders.
In de 18e eeuw lagen genoemde beide plaatsen nog aan het buitenwater,
maar door aanslibbing en de inpoldering van 1808 moest de haven
verlengd worden, zoodat zij thans bijna een half uur er van verwijderd
liggen.
Middelharnis daar vóór ons is gebouwd aan het eind van de haven, tegen
en achter den vroegeren buitendijk. In de 18e eeuw werd Middelharnis
al onder de schoonste dorpen van Zuid-Holland gerekend en wie het dorp
met zijn vele nette heeren- en burgerhuizen, met zijn levendige kade
en Voorstraat thans ziet, moet erkennen, dat die karakteriseering
nog juist is. De onmiddellijke nabijheid van Sommelsdijk, de aanleg
van de stoomboot en de visscherij maken het tot een bedrijvige plaats.
Te Middelharnis bezoeken wij het raadhuis, in 1639 gebouwd, met
een torentje, midden op het dak verrijzend, en in den voorgevel het
wapen van het dorp, den ridder St. Joris vertoonende, die den draak
doorsteekt, terwijl men er drie beelden vindt, de Gerechtigheid,
de Voorzichtigheid en de Liefde voorstellend. Wanneer we langs de
dubbele trap in het ruime voorportaal de flinke raadzaal betreden,
zien wij daar o. a. de copie eener schilderij van Hobbema, "het laantje
van Middelharnis" voorstellende. Het oorspronkelijke stuk, dat zich
hier eens bevond en in 1822 tegen een tweetal schilderijen zonder
artistieke waarde werd verruild, is thans een der kunstschatten der
Londensche Nationale Galerij. Op den zolder van het raadhuis hangt
een kano, waarvan men de afkomst niet weet.
Achter het raadhuis staat het kerkgebouw der Hervormden, in Gothischen
stijl; het schijnt te zijn gebouwd met de bedijking. Een groot en
flink gebouw is het Provinciaal Gereformeerde Weeshuis.
Sommelsdijk sluit zich ongeveer aan bij Middelharnis. Het is een
lange straat met veel kleine huizen, langs den dijk gebouwd, terwijl
de plaats zich uitbreidt met eenige dwarsstraten tot een kom, welke er
net, vriendelijk uitziet, met woningen, die op welvaart wijzen. Vooral
de Voorstraat, met flinke heerenhuizen en door geboomte beschaduwd,
maakt een aangenamen indruk.
Architectonisch merkwaardige gebouwen bezit Sommelsdijk niet. Bij
den brand van 1799 werd de fraaie kerk een bouwval. In het koor
dezer kerk vond men de graftombe van François Aerssen, heer van
Sommelsdijk, den eersten ambassadeur der Republiek aan het hof van
Frankrijk, overl. 1641. Dat koor is een ruïne gebleven, waarvan de
overblijfselen nog te zien zijn, midden tusschen de woningen van
het dorp, door een ijzeren hek afgesloten, terwijl een poort met
"Memento mori" den grafkelder van het aanzienlijk geslacht aanwijst.
Wij passeeren het flinke landbouwdorp Dirksland, het dorp Stellendam,
gebouwd in 1782 aan den dam, die de beide eilanden sedert 1751 verbond
en door inpolderingen werd uitgebreid, een dorpje, welks geschiedenis
belangrijk is door de vele inbraken der zee, welke met buitengewone
energie en standvastigheid bestreden werden en tot overwinning op
het woedende water leidden, en bereiken te Ouddorp de geestgronden
achter de duinen.
Wij bemerken onmiddellijk uit het gebied der polders met dijkdorpen
op dat der vastere gronden te zijn gekomen en vertoeven hier in een
oude nederzetting, zooals de tufsteenbouw van het oudste gedeelte
der kerk reeds aantoont. Deze kerk is in haar tegenwoordige gedaante
gesticht in 1838; zij staat op een open plein, met olmen en kastanjes
beplant, en is rondom door huizen omringd. De zware toren is van de
kerk gescheiden. De omstreken van Ouddorp bieden een vriendelijke
afwisseling in de natuur van het eiland en worden dan ook veelvuldig
door de bewoners der polders bezocht, om de bosschen te doorkruisen, de
duinen te beklimmen en de zee te zien. Vroeger werden er onderscheidene
buitens in deze schoone streek gevonden, doch thans zijn die verdwenen.
Vervolgens nemen wij een kijkje te Goedereede, dat in het voorkomen
zijn stedelijke afkomst verraadt. Eens was Goedereede met Brielle de
voornaamste stad der heerlijkheid Voorne, en reeds vóór of althans
in het begin der 14e eeuw werd de stad versterkt. In 1430 werden de
vestingwerken vermeerderd door een singelgracht, muren en vijf poorten,
en aan het einde der 15e eeuw bloeide de stad door een uitgebreide
vischvangst en door koophandel op Engeland, Frankrijk, de Oostzee en
Noorwegen. Toen had Goeree een flinken aanleg, waarvan een schrijver
zeide: "Goeree! uw stad is schoon en kostelijk van huizen". Doch de
natuur heeft Goedereede, zoo vroeg opgekomen, ten val gebracht door
het verzanden van de haven, terwijl rampen, als overstroomingen,
brand en oorlog er het overige toe bijbrachten.
Zoo is Goedereede in de eerste tijden der Republiek sterk
achteruitgegaan en tot den rang van een onbeduidend, dood landstadje
gedaald. De plaats is gebouwd om de havenkom en heeft nette,
burgerlijke huizen. Het belangrijkste van Goedereede is de oude
toren, die alleen staat, een eind van de kerk gescheiden. Het is een
zwaar, vierkant gebouw, met welks stichting waarschijnlijk in 1466
is aangevangen en die in 1512 werd voltooid; volgens anderen is hij
van 1414-1452 gebouwd. Op den toren stond eens een spits, doch ten
behoeve der scheepvaart werd die er afgenomen, om er in werkelijken
zin een vuurtoren van te maken. Op het plat van den toren werd des
nachts een kolenvuur gebrand, maar in 1834 zijn de oude vuurkoepel
en stookplaats weggebroken en door een verbeterd kustlicht vervangen,
waarvoor in 1879 het tegenwoordige in de plaats kwam, dat aan hooger
eischen voldoet.
De tegenwoordige kerk is niet meer het oude gebouw; zij werd in 1708
gesticht van de voordeelen, uit een loterijleening verkregen. Wij
moeten ten slotte nog herinneren aan een der vroegere pastoors van
Goedereede, Adriaan Florisz. Boyens, die de leermeester werd van
Karel V en later als Adriaan VI tot Paus werd gekozen.
Hiermede nemen wij afscheid van Goedereede, om op Zeelands gebied
onzen tocht over de eilanden voort te zetten.