II. VOORNE EN PUTTEN.

Wij vangen onzen tocht door het delta-land aan op Voorne en Putten. Een

boot van Vlaardingen brengt ons over het Scheur en tusschen het

eiland Rozenburg en Welplaat (een eilandje, door een dam aan Putten

verbonden) door naar Nieuwesluis, en wij bevinden ons aan den ingang

van het Voornsche Kanaal, dat sedert 1827 het eiland doorsnijdt en

tot de opening van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg den toegangsweg

voor de groote schepen vormde, die bij Hellevoetsluis naar Rotterdam

binnenkwamen. Sedert dien tijd heeft dit kanaal zijn groote beteekenis

verloren en is het bijna uitsluitend een water geworden voor het

binnenlandsch verkeer, evenals het Groot-Noord-Hollandsch-Kanaal. Thans

bevinden wij ons midden op het eiland Voorne.

Nieuwesluis is slechts een kleine buurt aan den noordelijken mond van

het Voornsche Kanaal. Sedert de vaart op het kanaal tot achteruitgang

kwam, bleef deze buurt ook in haar ontwikkeling staan.

Op korten afstand ten zuidoosten van hier liggen twee karakteristieke

dorpen, Heenvliet en Geervliet, aan een overblijfsel der Bernisse,

eens een breed water, dat de eilanden Voorne en Putten scheidde,

doch langzamerhand aanslibde en in de 17e eeuw is afgedamd en

bedijkt, zoodat beide sedert één eiland vormen. Van de eens zoo

druk bevaren Bernisse, waarop bij Geervliet de historisch bekende

tol werd geheven (die in 1600 naar Dordrecht werd verplaatst), waar

in de 16e eeuw Bossu's schepen, die Brielle trachtten te ontzetten,

nog in den grond werden geboord, is thans niets meer over dan een

smal binnenwatertje, te Heenvliet onder vlierstruiken verborgen,

dat te midden van vruchtbare polderlanden loopt, welke door hun

zware klei, een produkt van jongere aanslibbing, meest als bouwland

gebruikt worden, terwijl de oudere meer graslanden vormen. Heenvliet,

hoewel niet bemuurd, had eertijds stedelijke rechten en ziet er nog

stadachtig uit, gebouwd als het is aan de ruime markt. Van Nieuwesluis

aankomend, heeft het dorp een vriendelijk, schilderachtig voorkomen.

In de nabijheid van Heenvliet verhieven zich oudtijds drie kasteelen,

waarvan Blijdestein ten N. en Leeuwestein ten Z. van de plaats,

welke beide geheel verwoest zijn. Alleen van het slot Ravestein

kan men de pittoreske ruïne nog vinden in den tuin voor het huis der

Ambachtsvrouwe. Geheel door grachten omsloten, ligt daar nog het oude,

verweerde muurwerk met een toren, onder het welig en woest opgroeiende

geboomte met struiken en onkruiden schier verborgen, in den zomer het

eldorado voor een heir van muskieten en van allerlei gevogelte. Deze

ruïne wijst er op, dat het slot eens overeenkwam met de vroeger

in Frankrijk voorkomende bastilles of bastions; het dagteekende

waarschijnlijk uit de 13e eeuw. De kelders van dit kasteel dienden

tot gevangenis; in den toren zou Angelus Merula, de grijze pastoor

van Heenvliet, die in 1557 wegens ketterij ter dood werd gebracht,

nog gevangen gezeten hebben.

Op eenige minuten ten O. van hier ligt het oude stedeke Geervliet,

een der oudste heerlijkheden van Holland, die reeds omstreeks het jaar

1000 haar bijzondere heeren had. In den tijd, toen de Bernisse nog een

breed en goed bevaarbaar water was (in 1550 werd zij beschreven hier

de breedte van de Merwede bij Dordt te bezitten), was Geervliet een

aanzienlijke stad, met muren omringd en van poorten voorzien. Thans is

het een stil plaatsje, hoewel met nog iets stedelijks over zich. De

oude kruiskerk, reeds vóór 1307 bekend, is veel te groot voor de

tegenwoordige plaats en wordt in tweeën verdeeld, waarvan het eene deel

tot bergplaats dient. Hier vindt men in het koor nog de overblijfselen

der oude graftombe, waarop heer Nicolaas van Putten en zijn huisvrouw

levensgroot zijn afgebeeld in Namensch marmer, waarbij in het Latijn

een randschrift geplaatst is, dat, vertaald, aldus luidt: "Aleid,

die een spiegel en bloem der zeden en een moeder der eere onder het

menschdom was, ligt nu in het graf. Ik bid, o, Christus, dat zij Uwer

geniete en U lof toezwaaie. Overleden 1316". Van het grafschrift ter

eere van den heer van Putten zijn de letters onleesbaar geworden.

De versterkingen van Geervliet bestaan sedert lang niet meer, en ook

het Slot van Putten, soms wel Huis-van-Geervliet genoemd, uit de 12e

of 13e eeuw, dat naast de kerk stond, is gesloopt, doch de plek is

nog te kennen in het grasland.

Langs den vroegeren loop der Bernisse zouden wij nog de oude dorpen

Abbenbroek en Zuidland kunnen bezoeken, doch zij bieden niets

merkwaardigs aan. Wij keeren terug naar Nieuwesluis en volgen over

Zwartewaal den weg naar Brielle. Zwartewaal is een eenvoudig landbouw-

en visschersdorp, waar echter de visscherij in den laatsten tijd te

niet is gegaan. Het dorp is hoofdzakelijk langs den dijk aan de haven

gebouwd met eenvoudige huizen zonder iets belangrijks. Alleen bieden

wij van deze plaats onzen reisgenooten een typisch riviergezicht

aan, zooals dit zich vertoont van de haven. Wij volgen verder den

kronkelenden, eentonigen rijweg, die met groote bochten over de dijken

tusschen de polders door loopt, en bereiken aldus weldra Brielle,

de oude (met ruim 4000 inwoners) hoofdstad van Voorne, thans nog

een vesting aan den Maasmond. De Maas, die hier sedert eeuwen een

aanzienlijk gedeelte van het Rijnwater naar zee loosde, is echter

sinds een honderdtal jaren deerlijk in verval, en dit neemt toe,

sedert Rotterdam zijn waterweg heeft verkregen en den stroom van het

Rijnwater daarlangs leidt, om dien diep te houden. De breede mond van

de Maas, in welks nabijheid Brielle ligt, slibt meer en meer dicht,

en groote zeeschepen ziet men niet meer op dit water. Alleen de

visschersschepen maken nog gebruik van dezen toegang uit zee.

Brielle ligt in een eenigszins langwerpig ronde gedaante door

zijn vestingwerken ingesloten en is door een haven met den Maasmond

verbonden. De hoofdstraat loopt in ongeveer noordelijke richting door

de stad, die verder door grachten doorsneden wordt. Hoewel de plaats

vriendelijke, schilderachtige stadsgezichtjes aanbiedt, is Brielle

toch niet zoo rijk aan merkwaardige bouwgewrochten uit den bloeitijd

onzer Republiek als vele andere steden.

Het belangrijkste gebouw is de Hervormde kerk, oudtijds aan de

H. Catharina toegewijd en daarom veelal Catharina-kerk geheeten. Deze

kerk, in Gothischen stijl, met kleine, in lood gevatte ruitjes, heeft

een vierkanten, zwaren toren, die stomp eindigt en, hoewel hij niet

ver boven het kerkdak uitsteekt, toch ongeveer 75 meter hoog is. Uit

een opschrift onderaan den toren blijkt, dat hij in 1417 gesticht

is, in 1456 instortte en in 1462 weder werd opgericht. Van dezen

toren heeft men een uitzicht over het geheele land van Voorne. Door

deskundige restauratie, in 1901 voltooid, is de toren geheel in zijn

ouden toestand teruggebracht. De kerk is aan het eene einde stomp

afgebroken en vertoont daar de doorsnede van het groote gebouw met

zijn zijbeuken; de muur is geheel met klimop begroeid. In de kerk

vindt men het marmeren praalgraf van den Luitenant-Admiraal Filips

van Almonde, in 1644 hier geboren.

Van de overige gebouwen, die bezienswaardig zijn, wijzen wij nog op

het weeshuis, een groot gebouw met vier voorgevels, in 1557 gesticht

uit een gedeelte der nalatenschap van den Heenvlietschen pastoor

Angelus Merula (zie pag. 178) of Engel Willemsz. de Meerle, wiens

afbeeldsel hier bewaard wordt; de stichting is rijk aan fondsen.

Brielle is van zeer hoogen ouderdom, hoewel de oudste oorkonden, die

er melding van maken, niet vóór 1280 gaan. In dit jaar verkreeg de

stad van Graaf Floris V vrijheid van tollen. De voorrechten der stad,

het recht om vuurbakens te plaatsen voor de rivier, de verlichting van

de Dordtsche stapelrechten (1394) en de ligging aan den riviermond, die

toegang verleende tot Holland en verder naar den Rijn, dit alles deed

Brielle opkomen als handelsstad en verleende de plaats strategische

beteekenis. Op Den Briel hadden de Watergeuzen het dan ook gemunt,

toen zij nabij den mond der Maas kwamen, en het bleek later, dat

de victorie, die zij op den 1en April 1572 met de verovering dezer

stad behaalden, grooter was in haar gevolgen dan zij aanvankelijk

vermoedden. De inneming van Den Briel werd de dageraad van de

Nederlandsche volksvrijheid, en drie eeuwen later werd die gebeurtenis

schier overal in den lande met feesten herdacht. Ter herinnering

aan die gebeurtenis werd een gedenkteeken opgericht, bestaande in

de Vrijheidsnimf. Doch van hooger waarde is het Asyl voor Zeelieden,

eveneens tot herdenking aan de inneming van Den Briel gesticht.

Een tijdlang is Brielle door de Engelschen bezet geweest. In 1585

werden voor de hulp, door Leicester verleend, Brielle, Vlissingen en

Rammekens aan Engeland verpand, dat er bezetting in legde, welke daar

tot 1616 bleef. Johan van Oldenbarnevelt wist in laatstgenoemd jaar te

bewerken, dat de stad van het pandschap ontheven werd, een belangrijke

daad, daar er geheime plannen bestonden, die de vernieuwde overlevering

van Den Briel in Spaansche handen ten gevolge konden hebben.

Den Briel is de geboorteplaats van den zeeheld Marten Harpertsz. Tromp.

In de nabijheid der stad, binnen de vesting, ligt in een weiland een

put, aan de heilige martelaren van Gorkum gewijd. Naar dezen put had

in 1867 het eerst een bedevaart van Katholieken plaats, die sedert

sterk is toegenomen, en vooral in 1872, om toen een tegenhanger te

vormen van de vrijheidsfeesten ter herdenking der inneming.

Ten westen van Brielle, aan den voet der duinen, die gedeeltelijk

met bosch begroeid zijn, ligt het vriendelijk dorp Oost-Voorne, op

de zandgronden, in een schilderachtige omgeving. Het dorp heeft in

zijn ligging en natuurkarakter wel iets van Domburg en is eveneens

een badplaatsje, hoewel nog niet van die beteekenis. In den zomer

voeren des Zondags en op vacantiedagen de booten van Rotterdam tal van

bezoekers aan, die een dagje in het duin en aan zee willen vertoeven.

Oost-Voorne ligt in een afwisselende schakeering van bosschen, tuinen,

wei- en bouwland, de afzonderlijke landstukken afgesloten door singels

van hakhout. Bij den ingang van het dorp ligt een heuvel, de "Burg"

genoemd, waar oudtijds een sterk kasteel stond. In de ruime kom van

het dorp met een overschaduwd plein, een soort van "bosch", verrijst de

oude kerk, een Gothisch gebouw met kleine, in lood gevatte ruiten. Aan

den zeekant liggen de bosschen van Middenburg en verder noordelijk

het hôtel "Ons Genoegen". Van hier bereikt men spoedig het punt, waar

de in 1743 gebouwde steenen koepel Zeeburg van het hoogheemraadschap

op de duinen verrijst en heerlijke uitzichten biedt op de zee en den

Maasmond aan den eenen kant, en op het schoone eiland aan de andere

zijde. Het breede strand biedt hier het rijke duin- en zeegenot in

vollen overvloed.

Van Oost-Voorne volgen wij den weg, eerst vol afwisseling langs

den duinrand, later meer door de eentonige polders, naar het dorpje

Rokanje. Dit plaatsje is sedert lang bekend door het "meertje van

Rokanje", een plas in een weiland, waar een kleine kalkformatie

in aangroeit. De bewering, dat hout, hierin geworpen, versteent,

is niet juist.

Verder door het polderland met bloeienden landbouw en veeteelt slingert

de weg over de dijken oostwaarts en zoo bereiken wij eindelijk bij het

dorp Nieuwenhoorn, den breeden, door olmen overschaduwden Rijksweg,

die van Den Briel naar Hellevoetsluis loopt. Aan beide zijden strekken

zich vruchtbare gras- en bouwlanden uit en in het westen doemt het

dorpje Nieuw-Hellevoet op met zijn vrij hoogen toren. Weldra bereiken

wij Hellevoetsluis.

Hellevoetsluis was in oude tijden een klein gehucht van eenige huisjes,

gebouwd bij het aanleggen van de sluizen, waardoor eenige polders van

Voorne uitwaterden. Twee dezer sluizen liepen naar de haven, waaruit

men van Voorne naar Over-Flakkee en Zeeland overvoer. Voor dit doel

lagen de sluizen zeer geschikt; de haven werd verbeterd en in 1598

werd hier een hoofd gebouwd. Sedert zijn van tijd tot tijd aan de

haven en de sluis aanmerkelijke kosten tot uitbreiding besteed,

en omstreeks 1662 werd hier een versterking aangebracht, de eerste

aanleg van de vesting, die in 1696 verbeterd werd tot een sterke

oorlogshaven. Uit de haven van Hellevoetsluis zijn de vloten van de

Ruyter menigmaal uitgeloopen en van hier stak in 1688 Prins Willem

III over naar Engeland, om er de koningskroon te verwerven. Doch

vooral kwam Hellevoetsluis tot beteekenis door het graven van het

Voornsche Kanaal in 1827, waardoor het de voorhaven van Rotterdam

werd. Evenals het Nieuwediep voor Amsterdam, zou ook Hellevoetsluis

voor de handelsstad aan de Maas weldra die beteekenis verliezen. Na

de opening van den Nieuwen Waterweg kwam Hellevoetsluis tot stilstand

en ging het achteruit.

Hellevoetsluis is in de lengte gebouwd aan de haven, die van den

riviermond rechthoekig in het land doordringt, en wordt geheel door

grachten en wallen omringd. Het plaatsje ziet er burgerlijk uit; op

merkwaardige gebouwen valt niet te wijzen. Belangrijk zijn bovenal

de haven met het droogdok, de sluizen van het Voornsche Kanaal ten

oosten buiten de stad, 's Rijkswerf, het zeemagazijn tot uitrusting

van oorlogsvaartuigen en het instructie-vaartuig voor zeelieden.

Wij keeren van Hellevoetsluis met de boot terug naar Rotterdam,

doorsnijden het land van Voorne over het kanaal, dat tusschen zijn

hooge dijken als over het land gelegd is, over de Botlek en de Nieuwe

Maas verder en stappen weer aan wal in de Rottestad, om van daar naar

IJselmonde over te steken.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 33 / 74 题