II. DOOR HET WESTLAND.

Wie van Den Haag de lijn van den Westlandschen stoomtram naar het

zuidwesten volgt, komt spoedig in een der meest typische gedeelten

van Nederland, dat door zijn eigenaardige cultuur en produkten een

algemeene beroemdheid heeft verworven, zoowel in het buitenland als

in Nederland zelf. Wij bedoelen hiermede het Westland, het bekende

land van den intensieven tuinbouw, de kweekplaats van allerlei vroege

groenten en fijne ooftsoorten, het tuinbouw-district van Nederland

bij uitnemendheid.

Onder "Westland" verstaat men het westelijk gedeelte van Delfland,

het voormalig baljuwschap van het Graafschap en later van de provincie

Holland, dat zich van 's-Gravenhage tot de Nieuwe-Maas uitstrekt.

Het Westland omvat de stad Maassluis en verder de dorpen het Woud,

Wateringen, 's-Gravenzande, Rijswijk, Loosduinen, Monster, Ter-Heide,

Poeldijk, Naaldwijk, de Lier, Maasland en Schipluiden. De duinzoom, die

van Scheveningen en Den Haag naar het zuidwesten langzamerhand smaller

wordt, om bij Ter-Heide geheel te eindigen en in een kunstmatige

zeewering over te gaan, welke het bijna afgeslagen duin tot nabij den

Hoek-van-Holland vervangt, vormt de westelijke grens van het Westland

naar den kant der zee. Een reeks van hoofden, buiten de duinen in zee

gebouwd van Scheveningen tot den Maasmond, belet de verdere afschuring

der kust en doet het strand thans standhouden. Over 't geheel sluiten

de naakte duinen zich aan bij het achterland; alleen ten zuiden van

Loosduinen strekken zich de bosschen van het buiten Ockenburgh aan

den binnenkant over en langs de duinen uit.

Achter de duinen ligt een strook van effene geestgronden, gedeeltelijk

afgezande duingrond, welke verder binnenwaarts overgaat in kleilanden,

afgewisseld met strooken laagveen.

Zoo vormt het Westland tot de duinen een streek met effene terreinen,

bijna zonder afwisseling in hoogte. De bodem van dit gewest is uiterst

vruchtbaar, in het westen meestal niet te zwaar en niet te zanderig,

en leent zich hierdoor tot de fijnste cultures, terwijl het overige

land wordt ingenomen door bouwlanden en meest door malsche weiden.

Door den bodem van het Westland werd zijn oudste geschiedenis en

zijn eigenaardige economische ontwikkeling bepaald. In den vroegen

tijd der historie, vóór den aanleg der dijken, lagen de klei- en

laagveenstreken nog te drassig, zij het al niet voor de bewoning, dan

toch voor geregelde cultuur. Daardoor worden de oudste nederzettingen

van het Westland op den duinzoom en de geestgronden gevonden, waar

de vastere bodem beter grondslag en gunstiger gesteldheid aanbood tot

een duurzame vestiging der bewoners. De hoofddorpen van het Westland:

Loosduinen, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk zijn in zeer ouden

tijd op de zandgronden ontstaan en Poeldijk ligt in de nabijheid

van den geestgrond. Langs deze streek worden sporen gevonden, die

bewijzen, dat de Romeinen hier vertoefd hebben, en ook kan men met

grond een vóór-Romeinsche bewoning van het Westland aannemen.

Op dien oudsten grondslag heeft de bevolking van het Westland zich

ontwikkeld. Gedurende de middeleeuwen, toen er dijken gebouwd waren

langs de Maas, vormde dit gebied een aanzienlijke streek, waar adel

en geestelijkheid onderscheidene voorname gebouwen deden verrijzen.

Een grafelijk paleis en vele buitens vond men bij 's-Gravenzande,

onderscheidene kasteelen of adellijke huizen nabij Naaldwijk,

als: Lagerwoerd, Hoogewoerd Patijnenburg of Endeldijk en Hunsel,

later Hondsholredijk; het Hof-te-Wateringen was in de 13e eeuw een

sterk slot; de Lier had het uitgebreide kasteel Boekestein en het

Hof te Lier; Loosduinen had een beroemd klooster; tusschen Monster

en Poeldijk stond het aanzienlijke slot der Heeren van Polanen, dat

in 1358 in den strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen verwoest werd;

tusschen Loosduinen en Monster, midden in de weilanden, verhief zich

het adellijk huis Madestein. Zoo was het Westland in de middeleeuwen

de verblijfplaats van talrijke aanzienlijke geslachten. Onder hun

invloed werd door de noeste vlijt der bewoners de bodem langs de duinen

ontgonnen en in het vruchtbaarste cultuurland veranderd. Daardoor

was het Westland al vroeg beroemd.

"Wie spelevaren wil door 't schoone korenland,

Door 't tarwrijk Westland heen, moet deze baan ook houen,

Vanwaar hij langs een vliet ziet roggenakkers bouwen,

En vaers en koeien treên ten knieën toe in 't gras,

Daar eertijds voor het vee geen groene pijl en was.

Daar de nature mist, daar helpen 's menschen handen,

Dat hier nu weiden zijn, dat waren schrale zanden.

Men voert hier geesten [6] weg",

aldus zong Westerbaen [7] van zijn geliefd Westland, dat hij verre

verkiest boven

"den valschen grond van venen en moerassen;

Weg met de bolle moer, en met den weeken brij!

Hier staat men zonder zorg en voor het zinken vrij,

Hier staat gij op het zand en buiten wei- en kleiland,

En nogtans midden in het beste klei- en weiland,

Ten zuiden is het hei, ten noorden hebt gij wei,

Zoo is m' er midden in, al is men in de hei".

Wij zullen thans ons bezoek aan het Westland van Den Haag uit

aanvangen, om het tot de Maas te doorwandelen.

De straatweg van Den Haag naar Loosduinen, welke ook door den

stoomtram gevolgd wordt, loopt door een bloeiende streek, waar

warmoezerijen en vruchtbare weiden met elkander afwisselen, terwijl

in het westen de duinen met hun naakte toppen schilderachtig den

horizon begrenzen. Langs den straatweg vindt men enkele kleine

villa's, burgerlijke huizengroepen, zoo hier en daar tot bescheiden

dorpskommen in de lengte langs den weg gegroepeerd, en tuindershuisjes

te midden van het tuinland, dat veelal door schuttingen of muren

wordt afgesloten. Belangrijke gebouwen vindt men hier niet; alles

ziet er burgerlijk-welvarend uit en de huizenreeks ondergaat steeds

uitbreiding, zoodat Loosduinen eindelijk door een lange, hol bebouwde

straat met Den Haag zal worden verbonden.

Vroeger was deze weg met vele aanzienlijke buitens bezet, die echter

meest alle geheel verdwenen zijn of enkel door hooge steenen bruggetjes

en poortpilaren met de namen der vroegere huizingen eenige sporen van

hun aanwezigheid hebben achtergelaten, terwijl de grond in tuinland

is veranderd. Een enkele dier buitens, welks gebouw en boschen daar

verrijzen over het tuinland op korten afstand ten westen van den

weg, wijst reeds bij de poort aan, dat hier een rustplaats wordt

aangeboden aan hen, die den aardschen strijd hebben volstreden. Het

is de begraafplaats "Nieuw-Eik-en-Duinen", die hier werd aangelegd.

Nog enkele minuten verder en wij staan in het gehucht Eik-en-Duinen,

een eenvoudige reeks van huizen, langs de straat. Een smalle zijweg

voert duinwaarts, en weldra staan wij voor de oude begraafplaats

"Eik-en-Duinen", schilderachtig en vreedzaam gelegen onder het

lommer van 't hooge geboomte. Tal van grafteekens op Eik-en-Duinen

herinneren aan bekende personen uit onze staatkundige of letterkundige

geschiedenis van de jongste tijden, die hier hun laatste rustplaats

vonden.

Wees mij gegroet, gij slaapvertrek der dooden,

Omsponnen met dat statig loofgordijn!

Hoe lieflijk komt gij den vermoeide nooden:

"Laat dit voor u een plek der ruste zijn!"

Hier, waar zoo mild de geur'ge heesters bloeien,

Als een priëel om d'open bloementuin,

Jasmijn en roos naast lijkcypressen groeien,

Wees mij gegroet, gij heuv'lig Eik-en-Duin!

Ontsluit me uw schâuw, gij breedgewelfde linden

En eiken, die een bouwval houdt omkranst,

Wier hoogste top, doorschuifeld van de winden,

In 't vonklend goud der avondzonne glanst.

Hier aan 't gewoel der trotsche stad ontweken,

Waar ook een vorst met koningsmacht gebiedt,

Hier luister ik, wat taal de dooden spreken,

Al breekt die stem de ontzagbre stilte niet.

Gij, Eik-en-Duin! zult ge ook mijn rustplaats wezen?

Wacht naast mijn Gâ die open plek op mij?

Waar reeds mijn naam staat op de zerk te lezen,

Voegt slechts den dag van 't heengaan nog daarbij.

Aldus zong de dichter B. ter Haar. Deze wensch werd niet vervuld;

ter Haar's laatste rustplaats ligt te Rozendaal in Gelderland.

Niet alleen uit de laatste tijden, ook uit het grijze verleden vindt

men hier herinneringen.

"Op 't kerkhof "Eik-en-Duinen"

Rijst aan uw linkerhand

Het muurstuk van een kerke,

Verbrok'lend te allen kant;

Een enkel poortje als doorgang

Bleef in den muur gevest,

En boven op de spitse

Heeft de ooievaar zijn nest.

't Klimop weeft om de steenen

Zijn altijd glanzend loof

En donzig mos tiert welig

In elke spleet en kloof."

Ant. L. de Rop.

Al is het ooievaarsnest sedert verdwenen, het muurstuk staat er

nog als altijd. Het is een overblijfsel der oude parochiekerk van

het vroegere dorp Eik-en-Duinen, dat vrij aanzienlijk was. De kapel

van het dorp werd in 1320 tot parochiekerk verheven. Een stuk van

het heilige kruis heette in deze kerk bewaard te zijn en vormde

een merkwaardige reliquie, die duizenden bedevaartgangers hier

samenbracht. De Hervorming heeft hieraan een einde gemaakt; in 1581

werd de kerk afgebroken, op de enkele grijze muren na, welke hier nog

bewaard worden. Ook het dorp Eik-en-Duinen is geslonken in omvang,

doch breidt zich tegenwoordig weer uit door de warmoezerijen in de

nabijheid van Den Haag.

Het landschap blijft hetzelfde, als wij den weg vervolgen naar

Loosduinen. Het oude landgoed Rozenburg is in den laatsten tijd in een

Krankzinnigengesticht veranderd. Vóór wij aan het oude dorp Loosduinen

komen, zien wij reeds de jonge uitbreiding dier nederzetting, en

de gedenknaald, welke hier ter eere van Gevers van Deynoot door de

Hollandsche Maatschappij van Landbouw in een weiland werd geplaatst,

staat thans midden in de huizenrij.

Loosduinen werd door Huygens met zijn eigenaardige woordkunst nog

beschreven als:

Loos duinzand, mager staal van overstoven heigrond,

Daar 't hongerig konijn ter nauwernood zijn wei vond

En voedde mensch noch vee, als Brandwijks noeste schop

Dat schraal bezwangerde met allerlei volop.

Aan den kant van Den Haag opent zich Loosduinen door een fraaie, nieuwe

Katholieke kerk en eenige kleine villa's en tuindershuisjes, terwijl

verder het plaatsje uit eenvoudige dorpshuizen bestaat. Het dorp is

gebouwd in straten langs een kruisweg en wordt rondom ingesloten door

warmoeslanden, die hier hun middelpunt hebben.

Een echt landelijke weg loopt van het dorp dwars door de duinen

naar zee, waar een eenvoudig badhuis gebouwd is, en een goed strand

gevonden wordt.

Loosduinen is van oude dagteekening. Door velen wordt het Lugdunum der

Romeinen hier gezocht. Dat er reeds in den Romeinschen tijd en vroeger

bewoners gevonden werden, lijdt geen twijfel. Uit den grafelijken tijd

zijn verschillende herinneringen aan deze plek bewaard. De voorouders

van graaf Floris IV hadden reeds lang vóór 1224 te Loosduinen een

kapel, en Floris IV stichtte bij deze kapel op zijn eigen landgoed

een vrouwenklooster voor adellijke maagden van de Cistercienser orde,

zooals blijkt uit een brief van 1224. Rijk werd dit klooster begiftigd

met allerlei voorrechten en wereldsche bezittingen. Maar, of het laster

is of waarheid valt moeilijk te beslissen--tegelijk met die weelde

en overvloed verspreidden zich geruchten omtrent de zeden binnen deze

kloostermuren, welke den goeden naam der vrome zusters schade deden.

Dat de kloostertucht er werkelijk te wenschen overliet, blijkt hieruit,

dat in 1347 Ludolphus, abt van Eiteren bij IJselstein, op verzoek van

Graaf Willem naar Loosduinen werd gezonden, om met alle gestrengheid

de kerkelijke wetten en straffen toe te passen. Hoe dit geschiedde,

is ons niet bekend. Het klooster is blijven bestaan tot den tijd

der Hervorming, toen het in 1579 geheel werd verwoest. Alleen

de Kloosterkerk bleef over en werd door de Hervormden in gebruik

genomen. Doch toen die kerk bouwvallig werd, is ook zij in 1791

geheel vernieuwd, zoodat van de schoone abdij niets meer aanwezig

is. In Loosduinen vindt men over 't geheel niets, dat aan de vroege

oudheid der nederzetting herinnert.

De oude geschiedschrijvers verhalen van Loosduinen een vreemde

historie, welke heel wat pennen in beweging heeft gebracht. In

de abdijkerk te Loosduinen zou begraven geworden zijn Margaretha,

dochter van Floris IV, gemalin van den Graaf van Hennenberg, met haar

365 kinderen, welke zij, "t' eenen dragt gebaard zoude hebben". Hoewel

enkele oude geschiedschrijvers reeds twijfelden aan de waarheid van

het verhaal, en ook Erasmus het als een fabel beschouwde, waren er

anderen, die met bewijzen en tegenbewijzen aan de overlevering een

schijn van waarheid wilden schenken. H. v. Heusden kwam tot de volgende

verklaring, dat de Gravin van Hennenberg op Goeden Vrijdag zoovele

kinderen gebaard heeft, als er dagen in 't jaar waren, d. i. twee,

want daar het nieuwe jaar destijds nog met Paschen inviel, waren er

nog slechts twee dagen in het jaar over.

Wij behoeven niet bij de critiek of de verklaring van 't geval stil

te staan. Alleen wijzen wij er op, dat het verhaal oudtijds een

algemeen bekende volkslegende was voor deze streken. Zelfs werden de

bekkens, waarin de 365 kinderen gedoopt zouden zijn, nog lang in de

kerk getoond, en gehuwde lieden, wier echt niet spoedig met kinderen

gezegend was, gingen niet zelden biddend naar de kerk te Loosduinen,

om de handen te waschen in het doopbekken, waaraan zooveel kinderzegen

verbonden was. Ook verhaalt Westerbaen, dat in zijn tijd vrouwen,

die de hoog opgehangen bekkens niet konden aanraken, den handschoen

of neusdoek er tegen wierpen, in de hoop, dat dit een gezegende

uitwerking zou hebben.

Wij stappen af van deze "fabelen en verdichtingen", en verlaten

het dorp.

Langs den binnenkant van het duin, gedeeltelijk overschaduwd door

eiken en olmen, die verderop lager worden en onder den invloed van

den zeewind verschrompeld, haagvormig zijn samengegroeid, zoodat zij

slechts wanden langs den smallen weg vormen, loopt de oude weg naar

Monster. Op korten afstand van Loosduinen zien wij in het duin de

schilderachtige bosschen van het buiten Ockenburg, door Westerbaen

bekend geworden en ook bezongen, zooals wij zeiden. Het was in den

tijd, toen Cats zijn Zorgvliet, Huygens zijn Hofwijk deed verrijzen,

dat ook dit buiten werd aangelegd, of in elk geval van een vervallen

buiten weer in aanzien werd gebracht door schoone plantsoenen, door

de teelt van fijne ooftsoorten, uit verschillende deelen der aarde

aangevoerd, zooals het Nederlandsche handelsvolk dit kon doen.

Hier lacht natuur Lucullus uit,

Met zijn onschattelijken buit,

Gespild aan kostelijke hoven,

En plant hier in het dorre duin

Een zoo vermakelijken tuin,

Die alle pompe gaat te boven,

zong de dichter J. v. der Burgh, in 1654, van het aangelegde

buitenverblijf.

Westerbaen beschrijft zelf zijn tuinen aldus:

Ik zie in korten tijd mijn boomgaard en mijn tuin,

Als was het Paradijs en Eden in het duin,

Wie spreekt van ruikeren, van tuiltjes en bouquetten,

Tot fraaiheid en sieraad van haarden en buffetten,

Van potten in den schouw, van fleschjes aan den wand,

Van Indisch aardewerk, met bloempjes velerhand

Op 't aardigst opgeschikt, geschraapt van allerwegen,

Door bedelen, door geld ontschameld of verkregen?

Wat hebben zij bij 't schoon van mijne duinsalet,

Daar de aarde bloempot is en elke boom bouquet.

Hoe het landschap er in de omstreken van Ockenburg uitzag in dien tijd,

leert ons de volgende beschrijving:

Ten zuiden doen zich op des Poeldijks korenakkers,

Voor 't wittebroodsgewin de bloemtuin van de bakkers,

Met helder tarwgewas, daar Betuw, daar het Sticht,

Ja, daar het blankste graan van 't Goesche land voor zwicht;

Ten noorden ziet me een vlak van welige valleien,

Die deze heuvelen van hooger bergen scheien,

Van bergen, daar ik durf gerust op slapen gaan,

Die Holland voor de zee doen onbekommerd staan.

Het woonhuis Ockenburg kwam, volgens de afbeelding van Ravestein

door Matham op koper gebracht, veel met Hofwijk overeen en prijkte

met een hoog dak.

De stoomtram volgt van Loosduinen den nieuwen weg door de graslanden

en tuinen van Poeldijk. De oude weg loopt in dezelfde richting voort

voorbij Ockenburg en langs het boschrijke Bloemendaal, eens een

buiten, doch thans een krankzinnigengesticht van de "Vereeniging

tot Christelijke verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders in

Nederland", in 1892 opgericht volgens het nieuwe paviljoenstelsel.

Te Poeldijk komen wij in het hart van de Westlandsche cultures, die

hier een bijna aaneengesloten gebied innemen tusschen Wateringen,

Poeldijk, Monster, 's-Gravenzande en Naaldwijk, en ook ten zuiden

van 's-Gravenzande en Naaldwijk bij de Lier nog een gedeelte des

lands beslaan. Heeft Loosduinen meer warmoezerij, hier zijn het

hoofdzakelijk vroege aardappelen, welke schier overal voorkomen,

en verder fijne fruit, druiven, perziken en peren, bessen, aardbeien

enz., en asperges op de zandgronden te 's-Gravenzande. 't Is in de

tuinen een druk leven van onvermoeiden arbeid gedurende het seizoen,

om de produkten tijdig gereed te hebben voor de markt en ze en te

verpakken voor het buitenland. Bij het eerste morgengrauwen is in de

Westlandsche tuinen de tuinder al aan den arbeid, om te poten en te

planten, te besproeien en te verzorgen. "Vroeg!" is het wachtwoord der

tuinlieden; elke week, die zij hun concurrenten vóór zijn, is goud

waard. En al had het conservatisme de Westlanders tot de jaren van

1870 verleid, alles bij het oude te laten, de concurrentie heeft hen

er toe gebracht, nieuwe methoden in te voeren en op wetenschappelijke

wijze het groeien en rijpen te bespoedigen, gelijk in België reeds

geschiedde. Groote, kunstmatig verwarmde druiven- en vruchtenkassen

zijn ook hier verrezen, waardoor het Westland in staat wordt gesteld,

schier in elken tijd des jaars versche vruchten te leveren.

Wie het Westland in zijn volle schoonheid wil zien, moet het in

bloeimaand gaan bezoeken. Dan ligt er een golvende sluier van wit en

rose en rood en groen door elkander gemengeld over het landschap. In

bloeimaand, als de bloesemrijkdom der duizenden vruchtboomen van

allerlei soorten over schuttingen en muren sneeuwt, om te wedijveren

met het eerste bladergroen, heeft het geheele Westland den bruidstooi

om de schouders geslagen, die het siert met stemmige, doch treffende

schoonheid.

De toon van het landschap in het Westland is eenvoudig. Groote buitens

en trotsche gebouwen vindt men hier nergens meer. Doch burgerlijke

welvaart spreekt uit de huizen der kweekers, in hun tuinen half onder

't loover der vruchtboomen verborgen; zij blijkt ook uit de woningen

der dorpen. Voor buitengewone weelde wordt in het Westland geen geld

of grond besteed; bosschen en siertuinen vindt men er zoo goed als

niet; elke voet gronds wordt geëxploiteerd voor het bedrijf, en elke

boom en plant heeft zijn direct nut voor de tuinen. De singels van

elzenhout langs de waterrijke slooten dienen niet, om het land door

bosschen afwisseling te schenken, maar ten einde de tuinprodukten te

beschutten tegen den wind; om die reden heeft men hier ook de muren

om de tuinen gebouwd, terwijl zij tevens strekken tot leiding van den

wingerd, welks vrucht daartegen gemakkelijk rijpt. Evenwel worden

in den laatsten tijd de muren door de betere methoden der kassen

vervangen, gelijk wij reeds opmerkten.

De dorpen van het Westland bieden niet veel belangrijks ter

bezichtiging aan; men bezoekt deze streek enkel om den indruk van het

landschap. Poeldijk, dat wij eerst bereiken, is een net, welvarend

tuindersdorp, in de lengte langs den weg gebouwd. Wateringen is gebouwd

langs de Wateringsche vaart, waarover vele trapbruggetjes gelegd zijn,

en heeft in de kom een met kastanjes beplant dorpsplein.

Ten westen van het dorp ligt een tuin, welke 't Hof genoemd wordt;

hier werd oudtijds het "Hof te Wateringen" gevonden, een adellijk

huis, dat in 1299 aan Gerrit van Wateringen behoorde, wiens zoon,

die denzelfden naam droeg, hier door Willem van Beieren werd

vermoord. Omstreeks 1282, of iets later, werden in den oorlog tegen

Vlaanderen de zonen van Margaretha, gravin van Vlaanderen, Guido

en Johannes, op dit slot gevangen gezet. Het slot werd echter in

1485 door Hendrik van Naaldwijk in een nonnenklooster veranderd, het

Maria-convent-in-Bethlehem, hetwelk in 1573 geheel is afgebrand. Daarna

werd hier een buitenplaats aangelegd, het Hof-te-Wateringen geheeten,

die in 1807 is gesloopt en in tuinland veranderd werd.

Van Wateringen loopt de weg meestal door tuinland naar Hondsholredijk,

thans slechts een buurt, niet ver van Naaldwijk. Dit gehucht was

vroeger aanzienlijker en heeft waarschijnlijk zijn opkomst te danken

aan het kasteel Hunsel, dat van zeer oude dagteekening moet geweest

zijn, en ouder was dan Naaldwijk. Het dorp had vroeger een eigen

parochiekerk, welker fraaie predikstoel tegenwoordig de kerk te

Wateringen versiert; thans heeft het sedert jaren zelf geen kerk meer.

Het oude kasteel Hunsel te Hondsholredijk was aanvankelijk een

bezitting der heeren van Hunsel; het behoorde in het begin der 14e

eeuw aan de heeren van Voorne en kwam in 1337 aan de heeren van

Naaldwijk. Frederik Hendrik kocht in 1612 het sterke, doch destijds

vervallen kasteel, liet het geheel verbouwen en tot een trotsche

buitenplaats met fraaie tuinen aanleggen. Op de grondslagen van het

oude kasteel gesticht, verhief het gebouw zich van alle zijden uit

grachten, met een vierkant ommuurd voorplein aan den voorkant. In

het midden van den voorgevel vond men den ingang, die door eenige

trappen te bereiken was, een bordes met een balkon, op zes pilaren

rustend. Fraaie lustwaranden, een ruime wild-, boom- en vogelgaarde

en een oranjerie behoorden tot het huis, dat verder omringd was door

schoone bosschen van opgaand hout.

In 1732 kwam het slot uit de nalatenschap van Prins Willem III,

den Koning van Engeland, aan Frederik I, Koning van Pruisen, doch

onder diens opvolger werd het gedeeltelijk gesloopt. Toen in 1754

deze bezitting aan Prins Willem V kwam, werd het gebouw vernieuwd en

verfraaid, hoewel de Prins er gedurende zijn laatste regeeringsjaren

zelden vertoefde. De omwenteling van 1795 beroofde het huis van zijn

luister, en het werd tot nationaal eigendom verklaard. In 1798 moest

het zelfs tot een staatsgevangenis voor afgezette regeeringsleden

dienen.

Afwisselend was vervolgens de bestemming van het vroeger aanzienlijk

gebouw. In 1794 werd het tot een militair hospitaal voor de

Engelsch-Russische krijgsgevangenen ingericht, waarvan er velen, in

plaats van verzorging, daar hun graf vonden. In 1806 werd hier een

kweekschool voor kadetten gevestigd; in 1811 werd het nogmaals een

hospitaal; Napoleon I schonk het buiten vervolgens aan zijn nicht

Borghese, doch in 1814, bij de herstelling der onafhankelijkheid,

kwam het aan de domeinen en werd het voor afbraak verkocht.

Van het kasteel is thans niets meer te vinden. De huizingen, welke er

toe behoord hebben, zijn voor een gedeelte ingericht tot particuliere

woningen, die slechts door enkele sporen verraden, dat zij eens van een

groote bezitting deel hebben uitgemaakt. Van de vroeger uitgestrekte

bosschen is thans niets meer aanwezig; de lustgaarden zijn in bouw-

en tuinlanden veranderd.

In zijn bloeitijd werd Hondsholredijk "Klein-Versailles"

genoemd. Frederik Hendrik vertoefde hier gaarne en Prins Willem III

werd zoowel hier als in Den Haag opgevoed. Dikwijls werd dit slot door

aanzienlijken en prinsen bezocht. Vertrokken de prinsen en prinsessen

of vreemde vorsten naar Engeland, dan wachtten zij op Hondsholredijk

een gunstigen wind af, en keerden zij terug, dan was dit de eerste

plaats, waar zij van de vermoeienissen der reis uitrustten. Koning

Willem III werd hier, toen hij in 1691 uit Engeland Holland bezocht,

door de Staten plechtig ontvangen. Van Someren noemde in zijn tijd

het kasteel "het stamhuis van 't edelst, dat Nederland bezat". Men

vond nl. langs de wanden de portretten der vorsten en vorstinnen van

Oranje en der meeste, aan dit huis verbonden geslachten.

Een aangename straat voert langs vriendelijke huizen en tuinen,

die als kleine villa's den weg omzoomen, naar het dorp Naaldwijk,

ongetwijfeld het fraaiste dorp uit het Westland. Naaldwijk heeft geheel

het voorkomen van een klein landstadje, omgord door een liefelijke

landouw, die ook in vroeger eeuwen beroemd was.

"O, schoone landstreek! o, gezonde, vette grond!

Hier groeit het welig ooft vanzelf ons in den mond;

Het Oosten roem' vrij op zijn geurige ananassen,

Het Westen op citroen en andre boomgewassen,

Wij roemen op de peer- en pruimvrucht met vermaak,

Op aalbes, rood en wit en zwart, wier zuivre smaak

De vreemdelingen zelfs tot eetlust kan bekoren",

aldus rijmelt de Arcadia-dichter Claes Bruin over den rijkdom van deze

streek, waarbij hij bijna uit zijn plooi van gelijkmatige bewondering

geraakte. Voor den Arcadiadichter is het Westland ook als geschapen;

de zoete en teedere, maar niet verheven poëzie, als ze zoo kan heeten,

draagt den stempel van dit landschap.

De kom van het dorp wordt gevormd door een ruim marktplein,

met linden en iepen beplant; in het midden staat een hardsteenen

pomp, gekroond door een leeuw, die het wapenschild in zijn klauwen

geklemd houdt. Aan dit plein staat het raadhuis met zijn sierlijken,

oud-Hollandschen gevel, welke het jaartal 1688 draagt, doch van ouder

dagteekening is. Hier vindt men ook de Hervormde Kerk, een kruisgebouw

met laat-Gothische ramen en een vrij hoogen, zwaren, vierkanten toren

met stompe spits. De kerk verrijst op het hooge kerkhof, een vlakken

heuvel, met zware iepen beplant, die het kerkgebouw omringen, terwijl

het geheel door huizenrijen wordt ingesloten. Een ooievaarspaar heeft

zijn woning gebouwd op het dak der kerk, als om het heiligdom onder

zijn beschermende vleugelen te nemen.

Naaldwijk is van zeer oude dagteekening. Hoewel de tijd van het

ontstaan der plaats niet bekend is, wordt het in 1156 reeds genoemd en

in het jaar 1193 wordt gesproken van het dorp Naltwic bij den aanvang

der Liora, een watertje, dat in de Maas mondde [8]. Verschillende

oudheden, welke opgegraven zijn, wijzen er op, dat de Romeinen hier

verblijf hebben gehad.

Naaldwijk werd een heerlijkheid, die in de middeleeuwen aan de heeren

van Naaldwijk behoorde, een overoud en aanzienlijk geslacht, volgens

enkelen van koninklijken bloede. De heeren van Naaldwijk voerden

den erfelijken titel van Maarschalk van Holland, en verscheidenen

hunner zijn in de geschiedenis bekend. In 1612 kwam de heerlijkheid

aan Frederik Hendrik, later aan den koning van Pruisen, vervolgens

in 1754 weder aan den Prins van Oranje tot de omwenteling in 1795.

Belangrijke gebeurtenissen heeft het dorp niet doorleefd. Wij verlaten

het thans en wenden ons langs den grintweg, die door tuinlanden loopt,

naar 's-Gravenzande.

's-Gravenzande bestaat in hoofdzaak uit een lange, breede straat,

in het breedste deel met twee rijen iepen en twee rijen linden,

en verder met een dubbele rij boomen beplant, terwijl in het midden

van het dorp een breed schaduwrijk plein gevonden wordt. Het dorp

heeft een net, kleinburgerlijk uiterlijk, zonder dat iets aan zijn

aanzienlijke en oude afkomst herinnert.

Toch is 's-Gravenzande reeds zeer oud; zelfs vormde het in vroegere

eeuwen een deftige, ommuurde stad, voorzien van een haven, die met de

Maas in verbinding stond. Wij mogen hierbij niet vergeten, dat de Maas

oudtijds noordelijker liep, zooals blijkt uit den ouden Noordlandschen

dijk, welke den Maasdijk vormde tot het begin der dertiende eeuw, doch

die door lateren aanwas midden in het land kwam te liggen. De haven

is sedert lang dicht geslibd en ook de muren zijn verdwenen. Maar

toch werd 's-Gravenzande als vlek in de 18e eeuw in rang nog boven

Maassluis gesteld.

Te 's-Gravenzande is eenmaal het hof der Graven van Holland gevestigd

geweest, vóór dit naar Den Haag werd verplaatst. Onderscheidene oude

stukken werden hier geteekend; in een brief van 1266, van gravinne

Machteld, weduwe van Graaf Floris IV, wordt uitdrukkelijk van het

hof en de kapelle te 's-Gravenzande gesproken, die toen nog in wezen

waren. Welke graaf het hof gesticht heeft, is onbekend; evenmin is het

een zeker feit, zooals enkelen beweren, dat hier de verblijfplaats der

graven van het graafschap Maasland geweest is. Ook is niet bekend,

wanneer het hof teniet gegaan is; niet onwaarschijnlijk valt dit in

den tijd van den twist tusschen Jacoba van Beieren en haar oom, Jan

van Beieren, toen die van Brielle uit omstreeks 1418, 's-Gravenzande

tot den grond liet afbranden. Maar al is er niets meer van het oude

hof aanwezig, de Hoflaan, de Koningsstraat en Gravenhoek herinneren

door hun namen nog aan het grafelijke hof.

In zijn bloeitijd was 's-Gravenzande door schoone buitenverblijven

omringd. De vroegere buitens Sandeveld, Vlugtenburg, Stellendijk,

Wildhof, Zuidwind, Alsemgeest, Arendsduin en Oostduin (vroeger

Vredenburch) zijn alle in tuinlanden veranderd; alleen de namen van

enkele zijn nog overgebleven voor boerderijen en tuingronden.

Van 's-Gravenzande wenden wij ons naar Monster, een burgerlijk

welvarend dorp, eenigszins stadachtig gebouwd rondom het hooge

plein, waarop de oude Gothische kerk staat met haar zwaren, hoogen

toren, terwijl van dit middelpunt eenige nieuwere straten zich naar

verschillende richtingen straalvormig uitstrekken, met tuinen er

tusschen en het geheel door tuinland omringd. Monster is een plaats van

oude dagteekening; reeds in 1006 wordt het als Masemunster genoemd. De

naam dankt zijn oorsprong zeker aan de parochiekerk, vanouds "Munster",

d. i. Monasterium, genoemd.

De kerk, thans in gebruik bij de Hervormden, is zeer oud, hoewel het

jaar harer stichting niet bekend is. Vóór de Hervorming was zij aan

den heiligen Machutus gewijd en reliquieën van dien heilige werden er

in bewaard, die zeer druk bezocht werden. Aan deze toch schreef men

een genezende kracht tegen vallende ziekte toe. De kerktoren is een

zwaar, vierkant gevaarte, dat men ver in den omtrek ziet uitsteken

boven het geboomte op het kerkplein.

De kerk is in 1901 door brand vernield, waardoor niets meer dan

de muren van kerk en toren bleven staan. In zekeren zin is dit een

voordeel te achten, omdat de bij een vroegere restauratie in 1862

verknoeide kerk thans weder in haar oorspronkelijke vormen hersteld

is, zoodat zij met haar kleine ruiten en volgehouden stijl een sieraad

der Gothische bouwkunst uitmaakt. De herstelling van den toren is op

dit oogenblik nog niet voltooid.

Ten westen van Monster ligt aan de zee Ter-Heide, een klein

visschersdorp zonder eigen vloot, welks lage, eenvoudige en armoedige

huizen ordeloos verstrooid liggen in het zwak ontwikkeld duin, dat

aan de zee geen voldoenden weerstand meer biedt en door een dijk met

strandhoofden gesteund wordt in zijn taak, om het land tegen de zee

te beschermen. Het dorp is vroeger veel grooter geweest, maar werd

langzamerhand door den afslag der zee verkleind; de kerk van het dorp

moest ook herhaaldelijk landwaarts verplaatst worden. Het was in het

gezicht van dit dorp, dat op 10 Aug. 1653 Maarten Harpertsz. Tromp

den Engelschen een gevoelige nederlaag toebracht, maar zelf, door

een musketkogel in de borst getroffen, dood nederviel.

De bevolking van het Westland werd geheel gewijzigd door invloeden

van buiten. In bijna alle Westlandsche dorpen is het landseigene

ondergegaan en wordt in de kleeding de dracht der steden van verre

nagevolgd; het haar wordt door de meisjes in hoofdzaak op steedsche

wijze gekapt. Slechts enkele overblijfselen der oude kleeding vindt

men nog bij oude of bejaarde vrouwen. De oorijzers met boeken aan

de zijden van het hoofd, gelijk die ten zuiden van den Ouden-Rijn

meestal voorkomen, vroeger te 's-Gravenzande en zeker in de andere

dorpen gedragen, zijn verdwenen. De eenvoudige burgervrouwen ziet

men nog met de "mopmutsen," aan beide kanten opgeslagen, gelijk in

de meeste dorpen in het hart van Zuid-Holland.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 7 / 74 题