Wij beginnen onze wandelingen door het zuidelijk gedeelte van Holland
weder van uit de residentie, die wij op onzen eersten tocht tot
uitgangspunt verkozen. Van Den Haag waren wij reeds langs Rijswijk
tot den Vliet gekomen, (zie deel I pag. 120 en verder), en van hier
zetten wij de wandeling voort in zuidelijke richting.
Thans zien wij, om dit terloops nog op te merken, dat Rijswijk sedert
ons vorig bezoek zich snel uitbreidt, zoodat de hoofdtoegangsweg tot
het dorp, die aan den eenen kant destijds nog door groene weiden
begrensd was, nu aan beide zijden door huizen ingesloten en dus
een straat geworden is, terwijl ook langs den weg naar Hoornbrug
de aaneengesloten huizenrijen zich verder voortzetten dan een paar
jaren geleden.
Van Hoornbrug naar Delft loopt de vrij eentonige, belommerde straatweg,
over welks bermen de zuchtende stoomtram prozaïsch voortholt, langs
den oostkant van den Vliet in schier rechte lijn op Delft aan. In
den bloeitijd van het Hollandsche buitenleven langs de vaarten in de
vlakke landen was ook deze weg bezaaid met villa's en aanzienlijke
huizingen. Doch van lieverlede zijn de buitens langs dezen weg
gesloopt. De adellijke hofstede "Crayenburgh", ongeveer halfweg
gelegen, eens in het bezit der voorouders van Hugo de Groot, is sinds
jaren in weiland herschapen; een kleine woning op de plek heet nog
"Groot Crayenburgh", maar niet meer dan de naam herinnert er aan
het aanzienlijke buiten, welks fiere bezitters een wapen voerden met
drie gouden bollen en drie gouden vogels op een zwart schild. Eenige
fabrieken hebben de plaatsen der vroegere buitens ingenomen. Maar wat
er ook verdwenen zij, het uitzicht van den weg op het Hollandsche
grasland aan beide zijden, dat in onafzienbare uitgestrektheid het
gezichtsveld een grond van frisch groen schenkt, waarop het hemelgewelf
met al de kleurenschakeeringen van de Hollandsche natuur rust, blijft
schoon. Dat land met mooi en kostelijk rundvee moest van de stad, die
zich aan den Vliet ontwikkelde, wel een plaats maken met een beroemde
botermarkt. De Delftsche boter heeft haar roem door alle tijden hoog
weten te houden, aan welke wisseling ook de overige industrieën dier
stad onderworpen waren.
Zoo zijn wij genaderd tot het eerwaardige Delft, een onvergelijkelijk
type van oud-Hollands steden, thans met 32000 inwoners.
Waar de noordelijke hemel
Over 't vruchtbre vlak zich welft
Van Zuid-Hollands groene beemden,
Ligt het oud en statig Delft.
Reine straten, frissche grachten,
Fiere kerken, ruim en groot,
Huizenreeksen, bont gegeveld,
Draagt het rustig in zijn schoot.
Nijvre burgers, kloek en wakker,
Zwoegen daar met noeste vlijt,
Uit hun brouwkuip stroomt de moutwijn
Door Europa, wijd en zijd;
Snorrend gaan de weefgetouwen
En de droogschuur kent geen rust;
't Ruischt tot zelfs op gracht en straten
Van een blijden arbeidslust.
Aldus zag Hofdijk voor zijn historisch zienden blik het oude Delft. En
al heeft het tegenwoordige iets ingeboet van dien roem, toch blijft
het een merkwaardige stad, die den stempel van een eervol en rijk
verleden op het voorhoofd draagt.
Als men de singels van Delft rondwandelt, ziet men naar alle richtingen
de frissche kleuren der Delflandsche weiden zich uitgroenen tegen
den horizon, waarop de stad met haar schilderachtige gevels, torens,
kerken en pleinen in idyllische rust is neergezet. In een dergelijke
omgeving moest het gevoel voor sprekende kleuren wel ontwaken bij
een bevolking met kunstaanleg, zooals dit zich dan ook geopenbaard
heeft in de eigenaardige industrie van het Delftsche aardewerk.
Binnen Delft komt schier in elke straat, op elk plein en aan elke
gracht der oude gedeelten eenig tafereeltje van het pittoreske der
Hollandsche stad aan het licht, met eigen karakter, zooals zich dat
ontwikkeld heeft onder den invloed van de welvaart der gouden eeuw
onzer Republiek of vroeger. Het is als het ware een opengeslagen
boek, dat tot ons spreekt door kunst en over kunstwaarde. Delft is
gebouwd naar den eigenaardigen, grootburgerlijken kunstsmaak van
een rijk geworden voorgeslacht, dat nog niet ontaard was tot de
krachtelooze Jan Salie-achtige weelde, nog niet bedorven was door
modernen wansmaak, nog niet uitsluitend beheerscht werd door het
streven naar rentenierende couponknipperij.
In het oude Delft had men krachten beschikbaar voor nijverheid, liefde
beschikbaar voor kunst, en geld beschikbaar, om die te realiseeren. Er
zijn meer dergelijke steden in Nederland, maar alleen bij Delft willen
wij thans verwijlen. Door die gelukkige omstandigheden werd deze stad:
"'t Prinslijk Delft, 't sieraad der steden,
Fijn gesteente aan d' eedle hand,
Van 't Vereenigd Nederland,
Kroon van Delfland, zout der zeden;
Om zijn grijsheid hoog geacht;
Om zijn gulde en milde gaven
Rijk begiftigd door de Graven",
zooals H. Schim zich uitdrukt in zijn "Beschrijving der stad Delft".
In de eerste plaats vallen ons in 't oog de teekenachtige grachten,
smalle wateren, welke de oude stad in de lengte en met dwarsgrachten
doorsnijden, omzoomd door zindelijke straten, overschaduwd door
rijen iepenboomen, overbrugd door talrijke typische hoog oploopende,
van baksteenen gemetselde boogbruggen, ingesloten door flinke,
nette huizen, onderscheidene met oud-Hollandsche gevels, in de
geringe buurten veelal door lage, kleine, maar toch vriendelijke
huizenreeksen. Doch één zaak is er, welke Delft niet benijd kan worden,
en die een schaduw werpt op het bekoorlijke der grachten: dat is het
onzuivere water der stad. Men kan zich thans niet meer voorstellen,
dat vóór ruim drie eeuwen het stadswater gebezigd werd voor de toen
bloeiende bierbrouwerijen dezer plaats. En toch, de biernijverheid
was tot de 17e eeuw de roem van Delft; deze industrie hield er zelfs
veel langer stand dan de lakenweverij en bracht groote rijkdommen in
de stad. Een oud versje zegt:
Dit 's Delft, de derde stad, vermakelijk gelegen,
Die overvloeit van volck, van neering en van zegen,
Een stad, daer welvaert is, en die haar leckre bieren,
Met groote menigte, door Neerland kan vertieren.
De oorlogstoestanden na Karel V, de tiende penning, maar bovenal het
verslechteren van het water hebben de biernijverheid van Delft te
gronde gericht. Klachten en daaruit volgende kleine hulpmiddelen,
om stroomend water door molens in enkele grachten te verkrijgen,
baatten niet; het verslechten van het water was door de autoriteiten
niet te keeren. In het begin der 17e eeuw vertrokken vele brouwers
naar elders; van 1600-1640 werden meer dan 53 brouwerijen gesloten
en misschien behoorde daartoe ook die, welke Jan Steen hier eens
dreef. Hoewel er in 1700 nog 15 brouwerijen in werking waren,
beteekende de biernijverheid niet veel meer. Toch vindt men in de stad
ongetwijfeld nog groote burgerhuizen, die aan rijk geworden brouwers
hun ontstaan te danken hebben.
Rijk zijn die grachten aan echt schilderachtige tafereeltjes, welke
de kunstenaar slechts op het doek heeft te brengen, om bewondering
te wekken. Zie daar het trapjesbruggetje van het "Vrouwenrecht"
over het water, zoodat de hardsteenen welfboog van de brug in
zijn beschaafden vorm het hoofdelement vormt, terwijl het gekuifde
geveltje met de contreforten van het koor der Nieuwe kerk het geheel
voltooien. Dit bruggetje is een van de weinige trapjesbruggetjes,
die er in wezen bleven.
Eigenaardig mooi zijn ook de kijkjes van de Voldersgracht en de Oude
Langendijk met de voorsprongen der gevels over het sousterrain of
boven het water der grachten, een voorsprong, die aan den buitenkant
schilderachtige effecten geeft door een sprekende slagschaduw, terwijl
de verschillende oplossingen der draagsteenen een rijke afwisseling
van detailvormen scheppen.
Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Maar wij mogen op onze wandelingen
door Delft niet bij al die merkwaardige geveltjes en schilderachtige
pleintjes stilstaan, hoezeer vele ook een afzonderlijke beschrijving
verdienen. Wij moeten ons beperken tot het vertoeven bij de monumentale
en historisch merkwaardige gebouwen der stad.
Zooals wij van Den Haag de stad binnenkwamen en langs de Oude Delft,
de aanzienlijke, schilderachtige, met boomen beplante hoofdgracht,
zeker het oudste gedeelte der stad, gebouwd aan het kanaal, dat door
Corbulo zou zijn gegraven, de tramlijn volgen, valt ons oog te midden
van de flinke huizen op den artistieken gevel van het Gemeenelandshuis,
het tegenwoordige kantoor van het Hoogheemraadschap Delfland. Het
gebouw treft ons door de sierlijkheid van zijn lijnen, door de fraaie,
rijke ornamenteering, volkomen in harmonie met stijl en lijnen, en door
de statigheid en ernst van het geheel, zoodat men het zeker als een
der schoonste overblijfselen van de 15e eeuwsche bouwkunst kan rekenen.
Van de wapens af langs de gevarieerde bogen boven de vensters tot
aan de balustrade boven de zijvleugels, ja, hooger nog, tot aan de
kolossale, maar niet lompe zuilen op den trapgevel en het torenspitsje
daarachter, toont alles een logischen gedachtengang op het gebied
der kunst.
Dit gebouw werd in het eind der 15e eeuw gesticht door Jonker Jan de
Heuyter, schout van Delft en Baljuw van Delfland. Er wordt verhaald,
dat deze, zelf reeds een vermogend man, tot dien bouw in staat werd
gesteld door de erkentelijkheid van een rijk, voortvluchtig koopman in
Neurenberger waren, wien hij zijn bescherming had verleend en die, te
zijnen huize overleden, hem erfgenaam maakte van zijn rijkdommen. Ter
herinnering aan dien milden schenker zouden talrijke rinkelbellen,
waarin genoemde koopman o. m. handelde, in de ornamentatie van den
gevel zijn aangebracht.
Terwijl in onderscheidene steden dergelijke aanzienlijke huizen
later geen bewoners vonden en vielen onder den moker, of van een
jammerlijk vandalisme de prooi werden, bleef dit huis daarvoor
bewaard, doordien het in het midden der 17e eeuw door het college
van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland werd aangekocht, die er
de vierschaar en secretarie van het Hoogheemraadschap vestigden. Ten
bewijze van die nieuwe bestemming werd het versierd met de wapenen
van het hoogheemraadschap en van de leden van dat college, welke nog
aan de voorpui gevonden worden [1].
Het was ook dit gebouw, waarop het feit betrekking heeft, door
S. J. van den Berg in zijn "Eiber van Delft" bezongen, wat reeds
vroeger door Cornelius Musius, prior van St. Aegten, en door Hadrianius
Junius in dichtmaat herdacht was.
Gaan wij de Oude Delft verder langs, dan staan wij weldra bij een
steenen boogbrug achter de Oude Kerk voor het Prinsenhof. Wellicht is
er geen gebouw in ons vaderland, waaraan voor het geheele Nederlandsche
volk zulke dierbare herinneringen verbonden zijn als aan het Prinsenhof
te Delft, de laatste woning van Prins Willem van Oranje, waar hij voor
het heil zijns volks werkzaam was en als een martelaar voor dat volk
en de zaak der vrijheid stierf. Met eerbied staren wij op deze muren;
met voorzichtigen tred gaan wij door de poort over de binnenplaats,
en het is heilige ontroering, die ons schier belet vrijmoedig den voet
te zetten op den drempel, welke de plek aanwijst, waar de Vader des
Vaderlands tot een slachtoffer van zijn grootsch streven werd gemaakt.
En toch, deze klassieke gebouwen uit onze geschiedenis waren in de
19e eeuw aan verwaarloozing ten prooi; de zaal, waar Prins Willem
gewoond had, was een gymnastieklokaal geworden, en de historische trap,
waar de aanslag volvoerd werd, vormde een morsige kazerne-trap. De
viering van den driehonderd-jarigen gedenkdag van 's Prinsen dood
in 1884 schudde het volksgeweten wakker en deed er aan denken, om
de gebouwen, waaraan zulke heilige herinneringen verbonden waren, in
eere te houden. Weldra stond de volksvertegenwoordiging de gelden tot
restauratie toe, zoodat zij thans in den ouden toestand hersteld zijn
[2].
Het Prinsenhof, ook wel Oude Hof genoemd, ontleent zijn naam aan Prins
Willem van Oranje, die het bewoonde en er den zetel van zijn bestuur
vestigde. Het beslaat het noordoostelijk deel van het voormalige
St. Aegtenklooster of St. Aechten-Vrouwenklooster, eertijds het
voornaamste klooster van Delft, welks gebouwen, hoewel in den loop
der tijden zeer vervormd, voor een groot deel nog aanwezig zijn. Zij
nemen een ruim terrein in tusschen de Oude Delft en de Stadswallen
en hebben langs de eerste een lengte van 58 meter.
Drie poorten, aan de Oude Delft gelegen, vormen de hoofdtoegangen. De
zuidelijke, aan de straatzijde, hoogst eenvoudig van vorm, van binnen
sierlijk overwelfd in den laat-Gothischen stijl, leidt naar een open
gang, die toegang geeft ten noorden tot de Fransche Kerk, de voormalige
kloosterkapel, en de kosterswoning, en ten zuiden tot een pakhuis,
enz. De tweede of middelste poort, naast en ten noorden van de Fransche
Kerk gelegen, en die waarschijnlijk uit de eerste helft dezer eeuw
dagteekent, dient uitsluitend tot uitgang van die kerk naar de straat.
De derde poort, de noordelijkste, geeft toegang tot het Prinsenhof. Aan
de straatzijde is zij rijk met beeldhouwwerk versierd; twee zandsteenen
pilasters, met daartusschen gelegen boog, dragen een hoofdgestel,
waarboven een basrelief, in lijst gevat, betrekking hebbend op de
saainering, die in de 17e en 18e eeuw in eenige lokalen van het
Prinsenhof gedreven werd. Boven dit basrelief is het Delftsche
wapen aangebracht met het jaartal 1658, daaronder de nauwelijks
meer zichtbare inscriptie "Saai-, Greine- en Stoffe-Hal"; het
geheel is versierd met attributen, ontleend aan de goederen, in
de hal verhandeld. In het fries van het hoofdgestel vindt men nog
Latijnsche opschriften, welke herinneren aan de Latijnsche school,
die in het laatst der 18e en het begin der 19e eeuw in het Prinsenhof
werd gehouden. Het beeldhouwwerk der poort verraadt een bekwame hand,
doch is volgens de Hollandsche gewoonte, helaas! ook door een zware
laag van gele verf overdekt.
Door de poort komt men op een binnenplein, ten zuiden begrensd door
de Waalsche Kerk en verder door eenige gebouwen, voor verschillende
doeleinden in gebruik. Een met eenvoudig Gothisch lijstwerk versierde
poort geeft toegang tot de gang, die naar de Historische Zaal voert,
en aan het eind van de gang vindt men de breede eikenhouten trap, waar
Balthasar Gerards zijn snooden aanslag volbracht, toen Prins Willem
na het gebruiken van het middagmaal door de gang de trap op naar
boven wilde gaan. De moordenaar had zich verscholen achter de zuil,
die zich in het midden van de gang bevindt, en dient tot ondersteuning
van het gewelf, dat de gang daar ter plaatse overdekt. Deze zuil of
pilaar kwam bij de restauratie weder te voorschijn.
Ter herinnering aan den moord is een steen bij het begin der trap
in den buitenmuur gemetseld, waarop in Romeinsche letters te lezen
staat: "Hieronder staen de Teykenen der Koogelen daer mede Prins
Willem van Orange is Doorschoten op 10 Juli Ao 1584." Die teekenen
zijn zoo dicht bij den grond, dat, wil men hun aanwezigheid daar
ter plaatse verklaren, men moet aannemen, dat de gangvloer vroeger
aanmerkelijk lager moet geweest zijn. Ook de trap is in den loop der
tijden veranderd; zij was vroeger zeker van steen en bevond zich in
een torenvormige ruimte, waarvan nog sporen te herkennen zijn.
De Historische Zaal is met een paar schreden van hier te bereiken. Hier
was de eetzaal van den Prins. Deze zaal, bekend als "de groote
saele van het Oude Hof" of wel als "de groote geschilderde saele"
werd omstreeks het midden der 17e eeuw, met het oog op de feesten
en vergaderingen, die er in gehouden werden, met zekere pracht in
orde gemaakt.
Twee groote eikenhouten schoorsteenen, op marmeren kolommen rustend,
welke men er thans nog vindt, dagteekenen uit dien tijd en evenzoo
de plafondbeschildering, die in 1668 door Leonard Bramer werd
uitgevoerd. De voorstellingen hebben meest alle betrekking op de
Bijbelsche geschiedenis: de Bruiloft van Kana, de hemelvaart van
Christus enz.
In deze Historische Zaal werd in 1743, 1754, 1765 en 1776 een synode
gehouden; in 1767 werd deze zaal "de plaets tot het houden van het
musicqcollege, 't welck van oudsher pleeg bijeen te komen in een
camer van het Fraterhuys", zoodat er concerten werden gegeven; in 1775
werd de zaal nog aan een zangvereeniging afgestaan voor wekelijksche
oefeningen, hoewel zij als zoodanig niet scheen te voldoen, zoodat men
in 1776 een nieuwe concertzaal op het Prinsenhof bouwde, en in 1778
werd aan de "Societeyt der opgerigte oeconomische Tak" toegestaan,
vergaderingen in de geschilderde zaal te houden. Later werd zij voor
verschillende doeleinden gebruikt; zij werd door militairen in bezit
genomen en deed afwisselend dienst als gymnastieklokaal, slaapplaats,
magazijn, enz.
Daardoor was de Historische Zaal geheel in verval gekomen en in de
eerste helft der vorige eeuw, toen men geheel onverschillig was
ten opzichte van historische monumenten, liet men dien toestand
voortduren. Eerst in 1849 ging er in 's Lands Hooge Raadzaal een
stem op, om te protesteeren tegen dit gemis van eerbied voor een
dergelijke belangrijke historische herinnering. Het was de heer
Groen van Prinsterer, die hiervoor in 't krijt trad, terwijl ook van
andere zijden aan de verontwaardiging over die heiligschennis werd
lucht gegeven.
"Wat voert van Willems graf den pelgrim peinzend henen
Naar 't door een krijgerdrom ontheiligd hofgebouw,
Waar zich het moordend lood gegroefd heeft in de steenen?
Hij weeklaagt op die plek om Neerlands grootsten rouw.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
En toch--de naneef zie een prachtig grafgesteente
Verrijzen, waar zijn asch ten groeve werd vergaerd,
Wat baat die marm'ren praal op 't lang vermolmd gebeente,
Nu deez' vergeten zaal niets vorstlijks heeft bewaard?
Wat baat het, dat daarginds metalen beelden rijzen,
Zoolang een woeste drom hier Willems beeld verbant,
Zoolang men zaal en gang in 't Prinsenhof blijft wijzen,
Ontheiligd en ontsierd door snoode taal of hand",
aldus toornde de heer J. C. Perk in het Muzen-Album van 1849. Eerst
in 1884, nadat de lokalen door de gemeente Delft aan het Rijk waren
overgedragen, werd met de restauratie van Rijkswege een begin gemaakt,
waarbij men uitging van het beginsel, om de Historische Zaal met behoud
van het oude terug te brengen in den stijl van de eerste helft der 16e
eeuw, zooals zij zich zal hebben voorgedaan op het tijdstip, dat de
Prins voor goed zijn intrek nam in het St. Agatha-klooster. Daarbij
werd er zorgvuldig acht op gegeven, dat alles, wat eenige waarde
had uit een oogpunt van kunst of geschiedenis, behouden bleef, ook
al was dit van later dagteekening dan het tijdperk, waarin de Prins
leefde. Aldus werden het geschilderd plafond en de schoorsteenen,
die uit het midden der 17e eeuw dagteekenen, met de grootste zorg in
orde gebracht.
De Historische Zaal is aan de noordzijde zonder vensters, terwijl aan
de zuidzijde zeven lichtopeningen, ieder door een kruis van gemengden
berg- en baksteen in vier vakken verdeeld, uitzicht bieden op de tweede
binnenplaats. Elk der vakken is voorzien van twee glasschilderingen,
welke de wapens van den Prins, die zijner gemalinnen, heerlijkheden,
enz. voorstellen.
Langs de wanden der zaal is een eikenhouten betimmering in
laat-Gothischen stijl aangebracht. De muren der zaal zijn met kalk
bestreken en geschuurd, en op twee plaatsen versierd met inscripties
in cartouchevormige veelkleurige randen, volgens den stijl van de
laatste helft der 16e eeuw. Die op den westelijken muur tegenover
den ingang luidt:
"Willem, Prins van Oranje, vestigde omstreeks 1572 of '73 in dit
convent zijn woning. Den 10en Juli 1584 werd hij bij het uittreden uit
deze zaal, waar hij het middagmaal gebruikt had, door Balthazar Gerards
verraderlijk doodgeschoten. Doodelijk gewond, werd hij op de trap
neergelegd, terwijl hij de woorden uitsprak: ""Mon Dieu, ayez pitié
de mon âme; mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple"". Vervolgens
in deze zaal teruggebracht, gaf hij den geest."
"Tot herdenking van den dood van Prins Willem van Oranje op 10 Juli
1584 is deze zaal 1884-1886 hersteld".
De inscriptie op den tegenovergestelden muur herinnert aan Cornelius
Musius van Spangen, geb. in 1500 te Delft, den dichterlijken, geleerden
en godvruchtigen prior van dit klooster en den vriend van den Prins
van Oranje, die in 1572 door den Graaf van der Mark, heer van Lumey,
opgelicht en op 10 Dec. gruwelijk vermoord werd.
In de Historische Zaal vindt men eenige meubelen uit den stijl van
dien tijd en een verzameling van historische herinneringen, platen,
portretten en teekeningen.
Wij wenden thans den blik naar de overzijde der Oude Delft, waar de
verweerde muren der Gothische Oude Kerk verrijzen met den zwaren,
vierkanten toren, die volgens een overlevering op den grondslag van
een Romeinschen toren zou zijn gebouwd. Wanneer wij de steenmassa
van den grijzen toren, door een hoofdspits, met vier hoekspitsen
omringd, gekroond (voorbeelden hiervan vindt men weinig meer;
te Kapelle op Zuid-Beveland bestaat ook een dergelijke toren),
nader beschouwen, valt spoedig in het oog, dat hij niet naar het
oorspronkelijke plan is voltooid; de zware onderbouw was blijkbaar
voor een veel hooger en sierlijker bouwgewrocht bestemd. Doch tevens
zien wij, dat de toren scheef staat, een verschijnsel, hetwelk reeds
eeuwen geleden bezorgdheid inboezemde aan de vrome zusters van het
St. Aegtenklooster. Zelfs moet een der prioressen zoo beangst geweest
zijn voor het dreigend gevaarte, dat zij telkens vluchtte, als zware
stormen of onweersbuien om den hellenden toren loeiden.
Is de helling van den toren een gevolg van verzakking en was zij de
reden, waarom de toren niet werd voltooid? Of moet men hierbij denken
aan een phantasie des bouwmeesters, die de macht van zijn constructief
genie wilde toonen? Wij weten het niet; dit is echter bekend,
dat de Delftenaars nog niet zoo lang geleden zich beangst maakten
over den toren, en hoewel de gevoelens der deskundigen uiteenliepen,
besloot het stadsbestuur toch, den toren te doen afbreken. Gelukkig,
dat de verkoop en het afbreken afstuitten op de kosten, zoodat dit
oude bouwstuk behouden bleef; thans wordt de toren gerestaureerd [3].
Vergrijsd zijn de kerk en toren beide; omstreeks 1240 moeten zij
gebouwd zijn door een vermogend edelman, Bartholomeus van der Made. De
kerk was vóór de Hervorming eerst gewijd aan den heiligen Bartholomeus,
den patroon des stichters, sedert 1396 aan den heiligen Hippolytus. Als
de 9000 Kilo zware klok (in 1573 gegoten) geluid wordt, moeten haar
galmen tot aan de overzijde der Maas worden waargenomen. Thans hoort
men die klok enkel op groote gedenkdagen.
Deze kerk, de oudste parochiekerk van Delft, was in haar bloeitijd rijk
aan kerkelijke en wereldsche bezittingen; zij had vijf kapellen, meer
dan twintig altaren, drie en dertig vicarijen, negen gilden en bezat
verbazende schatten. Gouden sieraden en reliquiekasten, tabbaarden
en altaarkleeden waren teekenen van die rijkdommen. Ook vermelden
Delfts geschiedschrijvers geheele bladzijden van de wonderen, die
een heiligenbeeld in deze kerk zou verricht hebben. De meeste van die
rijkdommen werden weggenomen, toen de stormwind der Hervorming door het
land waaide en het schoone van den Katholieken eeredienst ook hier deed
plaats maken voor de naakte muren met de nuchtere Hervormde prediking.
Doch als om der verloren gegane kunst een zoenoffer te brengen,
heeft men in deze kerk eenige prachtige gedenkteekenen opgericht op
de grafsteden van beroemde personen uit Nederlands geschiedenis. In
den noordelijken hoek van het koor ligt boven het graf van Marten
Harpertsz. Tromp de beeltenis van dien held, in wit marmer uitgehouwen,
een werk van Rombout Verhulst. Het basrelief van het piedestal aan de
voorzijde is een afbeelding van den slag bij Terheide, vervaardigd
door Willem de Keyser. Dit monument is merkwaardig door een grooten
rijkdom aan versierselen en beeldhouwwerk, in tegenstelling met het
gedenkteeken, dat de dichter Simon van Ingen op het graf van dien
zeeheld wenschte, als hij zegt:
Men stell' voor Hollands admiraal
Geen graf van marmer of metaal;
Maar ergens, op een hooge klip,
Het hol van een veroverd schip;
De doode Tromp, daarin gelegd,
Zal onder 't eerste zeegevecht
Aan Holland moed en wraaklust geven,
En menig Engelschman doen beven.
Aan het oosteinde van het koor verrijst het door smaakvollen eenvoud
uitmuntende grafteeken van Piet Pietersz. Hein, een kunststuk van
Pieter de Keyser, grootendeels van zwart marmer in Dorischen stijl
gebouwd. Het geheel is rustig en waardig, als het eenvoudige beeld
des admiraals op het grafgesteente. Piet Hein is wel niet de grootste,
maar zeker de meest populaire der Nederlandsche admiraals, welks naam
ieder kent als:
Den winnaar van des Ibers zilvren vloot,
Die aan Brazieljes kust op Spanje zegepraalde,
Een oogst van lauwren won en met zijn bloed betaalde,
zooals Helmers het uitdrukt.
Nog vindt men in deze kerk de karakteristiek fraaie graftombe van
Elizabeth van Marnix, dochter van den beroemden dichter van het
Wilhelmus, een liggende vrouwenfiguur met gevouwen handen, uit
wit marmer gebeiteld, wat met de kolommen van zwarten toetssteen,
de wapens en de vergulde sieraden een ensemble aanbiedt, waarvan
de lijnen, zoowel als de smaakvol afgewisselde kleuren aan de beste
voorbeelden der Italiaansche renaissance herinneren. De gouden lamp,
die vroeger voor het gedenkteeken hing, schijnt een begeerlijk stuk
voor de Franschen geweest te zijn en is verdwenen. De echtgenoot van
Elizabeth van Marnix, kolonel Karel Morgan, heeft deze tombe in 1611
laten oprichten.
In den noordwesthoek der kerk herinnert een eenvoudige grafnaald
met vlammende lijkbus (door zijn dochter in 1739 geplaatst) aan
den beroemden natuurkundige, Antonie van Leeuwenhoek, terwijl tegen
een der pilaren van het koor een gedenksteen is geplaatst voor den
boerendichter Hubert Cornelisz. Poot, te Abtswoud bij Delft geboren
en te Delft overleden 31 Dec. 1733.
Als wij de kerk verlaten hebben, komen wij aan de Oude Delft spoedig
voor het deftige woonhuis No. 199, ingericht door den heer Van Meerten,
dat, hoewel uit den nieuwen tijd, toch door zijn smaakvollen bouw
en kunstschatten alle aandacht verdient en als een museum in stand
gehouden wordt.
Van de Oude kerk richten wij thans onze schreden naar de Markt,
oudtijds "'t Marctvelt" geheeten, om de Nieuwe kerk en het Stadhuis te
bezoeken. Het vierkante, ruime plein, rondom met flinke huizen omzoomd,
vormt het centrum der stad. Enkele dier huizen trekken in 't bijzonder
de aandacht, o. a. het aardige geveltje in imitatie-renaissancestijl,
het depôt der Delftsch-aardewerkfabriek, "de Porceleine Fles"
geheeten. In het hoekhuis aan de Bijbelbrug, met een beslagen bijbel
tot uithangbord, werd in Jan. 1477 de eerste bijbel gedrukt.
Des Donderdags, den dag der gewone weekmarkt, is het bijzonder
levendig op dit plein. Dan worden de zuivelprodukten uit de rijke
Delflandsche weiden hier aangevoerd, bovenal boter (de kaasmarkt
wordt 's Zaterdagsmorgens gehouden) en reeds vroeg in den morgen, des
zomers te 5 uur, verdringen zich de boeren en boerinnen in de stad,
om spoedig weer te vertrekken naar hun hoeven.
Het "Marctvelt" is mede een der oudst bekende gedeelten der stad. In
de eerste tijden was het een ongeplaveide vlakte, een "veld",
waar de boeren hun produkten ter markt brachten; in 1381 was het
oostelijk gedeelte, waar men toen begon de Nieuwe kerk te bouwen,
een gerechtsplaats, en te midden van een rietveld stond een galg. Met
den bouw der kerk en de uitbreiding der stad werd het Marktplein meer
en meer ingesloten.
Op het Marktplein verheft zich in het westen het Stadhuis, in het
oosten de Nieuwe Kerk en in het midden verrijst het standbeeld van
Hugo de Groot.
De Nieuwe Kerk dagteekent uit het laatst der 14e eeuw. De legende heeft
ook de oudste geschiedenis dezer kerk met dichterlijke versierselen
omweven. Nadat mirakelen en wonderen, gelijk de legende luidt, de
plek voor de kerk hadden aangewezen, en o. a. Broeder Symon "op een
tijdt als dinxdaegs voor onser vrouwe Lichtmis in 't jaer 1351" bij
het ochtendkrieken, "sittende in 't stroo voor Claes Avemans doer"
aan de noordzijde van 't Marctvelt in een visioen een gouden kerk
met de Moedermaagd in 't oosten aan den hemel had zien staan, was het
duidelijk, dat volgens Gods wil hier een kerk moest gebouwd worden met
"de maget Maria als patronesse". In 1381 werd hiermede aangevangen,
oorspronkelijk een houten kerk, doch in 1384 is men reeds begonnen met
den bouw van een steenen koor en kruiswerk, en in 1396 werd de eerste
steen gelegd van den toren. De schenkingen voor dit doel vloeiden
echter niet zoo snel, en eerst in 1496, na een eeuw arbeids, was het
bouwwerk voltooid. De kerk werd aanvankelijk op naam van Maria, later
mede op naam van St. Ursula ingewijd, en verkreeg na de Hervorming
den naam van Nieuwe Kerk.
De kerk en toren zijn in zuiver Gothischen stijl gebouwd; de laatste,
van arduinsteen, bereikt een hoogte van 115 meter en overtreft dus
den Domtoren van Utrecht, waaraan veelal de eer wordt toegekend de
hoogste toren des lands te zijn. Hoewel de kerk door de beeldstormers,
die de altaren, altaarstukken en beelden vernielden, door den brand
in 1536 en door het springen van het kruithuis veel geleden heeft,
en er van de fraaie geschilderde glazen, waaronder het zoogenaamde
"Keizersglas", een geschenk van Karel V, geen spoor meer overbleef,
enkele ramen zelfs werden dichtgemetseld, blijft het toch een hoogst
merkwaardig gebouw. Doch bovenal trekken historische eerbied en
vaderlandsliefde den bezoeker der stad naar dat kerkgebouw. Zooals de
Abdij van Saint-Denis in Frankrijk, de Westminster in Engeland het stof
bewaart van de vroegere vorsten dier landen, en een dankbaar nageslacht
aan de herinnering der edelsten en grootsten door praalgraven den tol
der dankbaarheid heeft betaald, is de Nieuwe kerk te Delft de heilige
grond, waar het stof der Oranje-vorsten rust. [4] In den koninklijken
grafkelder dezer kerk zijn alle overleden telgen van het Oranjehuis,
op een enkele uitzondering na, bijgezet. En boven dien grafkelder
verrijst het praalgraf van Prins Willem I, door een dankbaar volk
gesticht ter eere van den "Vader des Vaderlands".
Het Praalgraf is gebouwd op last van de Staten-Generaal door den
beroemden bouwmeester en beeldhouwer Hendrik de Keyser. De arbeid
hiervan werd begonnen in 1616 en na 1620 voltooid door een zoon des
beeldhouwers, Pieter de Keyser. Het geheel vormt een prachtig werk
in renaissance-stijl, 5.66 M. lang, 4.25 M. breed en 7.65 M. hoog.
De tombe, van Dinantschen steen vervaardigd, rust op drie tredevormige
verhoogingen van dezelfde steensoort. Zij is versierd met gesmede
lijsten en metalen ornamenten, waarop het beeld van den Prins,
levensgroot, in vorstelijk gewaad, op een van zuiver wit Italiaansch
marmer, kunstig en uitmuntend fraai gewerkte matras rust. Aan de
voeten van het beeld ligt 's Prinsen hond, die na den dood van zijn
heer niets meer wilde nuttigen en van honger en dorst omkwam.
Rondom de tombe staan 22 kolommen, in Dorischen renaissance-stijl,
van zwart Italiaansch geaderd marmer.
De ruimten tusschen den kolommenaanleg bevatten elk drie nissen van
wit Italiaansch marmer; de nissen aan de zijde der tombe zijn versierd
met zestien metalen wapenschilden in hun kleuren, vertoonende de vier
kwartieren van het blazoen des prinsen: Nassau, Stolberg, Hessen,
Königstein. Op de uiterste vier hoeken van het monument bevinden zich
wit-marmeren, ronde piedestallen, elk versierd met het aangezicht
eener vrouw en met festoenen van metaal, die rusten op een basement van
Dinantsche steen. Op ieder dezer vier piedestallen staat voor een nis
een metalen vrouwenbeeld, uitmuntend bewerkt. Deze vier beelden stellen
voor: de Gerechtigheid, de Vrijheid, de Godsdienst en de Dapperheid.
De "Gerechtigheid" draagt in de rechterhand een vergulde weegschaal
en houdt de linkerhand in de zijde, terwijl de blik op den evenaar
der balans gevestigd is. Links van het beeld leest men het devies:
"Saevis tranquillus in undis" (Gerust te midden der woedende baren),
voorgesteld door een ijsvogel in zijn nest en een rots, welke door
de winden gebeukt wordt, terwijl een hand met een schepter uit de
wolken verschijnt boven een opkomende zon. Rechts ziet men de woorden:
"Je maintiendrai" (ik zal handhaven), voorgesteld door een geopende
hand uit de wolken boven twee gekruiste ankers, omringd door water
en vuurvlammen.
De "Vrijheid" heeft in de rechterhand een vergulden schepter en in
de linkerhand een vergulden hoed, waarop in zwarte letters staat:
"Aurea libertas" (gulden vrijheid); ter linkerzijde leest men: "Je
maintiendrai piété et justice" (Ik zal godsdienst en gerechtigheid
handhaven), voorgesteld door een hand uit de wolken, houdende een
weegschaal boven een brandend altaar. Aan de rechterzijde leest men
de spreuk: "Te vindice tuta libertas" (Wanneer gij wreker zijt is
de vrijheid veilig), voorgesteld door een geopend boek, liggende
op eenige bladen perkament met zeven zegels, terwijl in gouden
Hebreeuwsche karakters de naam Jahveh in de wolken geschreven staat.
De "Godsdienst" houdt in de rechterhand een geopend boek en de
linkerhand omvat een verguld tempeltje.
De "Dapperheid" of "Kracht" draagt een helm en tot schouderbedekking
de huid van een leeuw. Daar de leeuw aan kracht ook voorzichtigheid
paart, stelt deze vrouwenfiguur tevens de Voorzichtigheid of het
Beleid voor, terwijl een doornentakje in de rechterhand er op wijst,
dat dapperheid en kracht zonder voorzichtigheid veel gevaar loopen. De
motto's en allegorieën van den Zwijger zijn in acht vierkante platen
van wit marmer, geplaatst boven elk vrouwenbeeld aan beide kanten
van het hoofd, zeer kunstig uitgehouwen.
De onderdeelen van de kroonlijst boven deze platen, de kroonlijst zelf
en de staande randen van het lijstwerk zijn van wit, enkele profillen
van het lijstwerk van zwart geaderd marmer. Boven de beelden bevinden
zich, tusschen zwart en wit marmer, vier platen van Dinantsche steen,
en op elk van deze vindt men doodshoofden van wit marmer, omringd door
metalen ornamenten. Op de langszijde van het monument ziet men een
met snijwerk omgeven nis met schoon ornamentwerk en op ieder kapiteel
zit een schreiende kinderfiguur van metaal met een brandende toorts
in de hand.
Tusschen de vier obelisken bevindt zich een sierlijke, ronde, wit
marmeren koepelvormige afdekking; midden op deze afdekking bevinden
zich wit marmeren voetstukken. Op elk dezer voetstukken staat een
metalen kinderbeeld, wijzende met den vinger op een plaat van zwarte
Dinantsche steen, rondom met koper-ornament versierd en prijkende
aan beide zijden van boven met een gevleugeld, weenend kinderkopje
van metaal. Op den steen leest men aan beide kanten het navolgende
Latijnsche opschrift, op last der Staten-Generaal met vergulde letteren
daarin gegrift:
D. O. M.
et
aeternae memoriae
GULIELMI NASSOVII,
Supremi Arausionensium Principis
Patris Patriae,
qui Belgii fortunis
suas post habuit et suorum:
Validissimos exercitus aere plurimum privato
bis conscripsit, bis induxit
ordinum auspiciis; Hispaniae Tyrannidem
propulit: verae Religionis
cultum, avitas Patriae leges
revocavit, restituit:
ipsam denique libertatem
tantum non assertam
MAURITIO PRINCIPI
Paternae virtutis heredi filio
stabiliendam reliquit;
Herois vere pii, prodentis, invicti:
quem
Philippus II. Hispan. Rex
ille Europae timor timuit
non domuit, non terruit,
sed empto percussore fraude nefanda
sustulit.
foederat. Belg. Provinc.
perenni meritor. Monum.
P. C. C.
De Nederlandsche vertaling dezer regels luidt:
Ter eere van den Almachtigen God en tot eeuwige gedachtenisse aan
Willem van Nassau, Prins van Oranje, den Vader des Vaderlands, die
het welvaren der Nederlanden hooger stelde dan zijn eigen belang en
dat der zijnen; die tweemaal, voor het grootste gedeelte op eigen
kosten, machtige legers verzamelde en ze tweemaal in 't veld bracht
onder het opperbevel der Staten; die Spanje's dwingelandij afwendde;
den waren godsdienst en de oude wetten terugriep en herstelde; die
ten slotte de nagenoeg verzekerde vrijheid aan Prins Maurits, zijn
zoon en erfgenaam van de deugden zijns vaders, achterliet, om ze te
bevestigen; den waarlijk vromen, beleidvollen en onoverwinnelijken
held, dien Philips II, koning van Spanje, die schrik van Europa,
duchtte, doch noch tenonderbrengen, noch vrees kon aanjagen, maar
met snood verraad door de hand van een gehuurden moordenaar ten val
bracht, hebben de Vereenigde Nederlandsche Gewesten dit tot een eeuwig
gedenkteeken zijner verdiensten doen oprichten.
Aan het hoofdeinde van het liggende marmeren beeld van den Prins,
op den verhoogden vloer, zit het welgelijkend beeld van den Prins
van metaal, in volle wapenrusting, met het zwaard, de sjerp en den
bevelhebbersstaf, met ongedekten hoofde op een kunstig bewerkten
zetel. Aan de voeten van den Prins verheft zich een faam met
uitgespreide vleugels, 1.70 M. hoog, van metaal, rustende alleen met
de teenen van den linkervoet op vier metalen masken, voorstellende de
vier winden; deze faam blaast op een bazuin. Dit laatste beeld wordt
voor het grootste kunststuk van het werk gehouden; het weegt 2000 K.G.
Aan de oostzijde van het Praalgraf vindt men het gedenkteeken van
Willem Frederik George, zoon van Prins Willem V, in de jaren 1806-1808
door den wereldberoemden Italiaanschen beeldhouwer Canova bewerkt. In
de treurige dagen van Nederlands geschiedenis, toen de band met het
Oranjehuis verbroken was, overleed Willem Frederik George te Padua,
1799; hij werd in het klooster der Eremitani aldaar begraven. Doch in
1896 werd het stoffelijk overschot met het grafteeken, door bemiddeling
van H. M. de Koningin-Regentes der Nederlanden, overgebracht naar
Nederland en bijgezet in het familiegraf.
Op eenigen afstand van Canova's kunstgewrocht is tegen den kerkmuur
een piedestalvormige, zwart gepolijste steen met een smallen rand
van ongepolijsten hardsteen geplaatst, een gedenksteen voor Alexander
Ernst Casimir, zoon van Koning Willem II, overleden 22 Oct. 1822.
Verder vindt men in het koor der kerk, aan de noordzijde van het
vorstelijk Praalgraf, een eenvoudig, doch sierlijk monument ter eere
van den grooten staatsman, geleerde en dichter Hugo De Groot, het
"Delftsche orakel", van wien Brandt roemde:
"O Delf, benij geen Maes den grooten Rotterdammer,
De Groot is ruim soo groot. Dees' socht het Hollandts jammer
Te stuiten door zijn raedt; maar 't oor der twist bleef doof,
Men scheurde veel te licht een liefdeloos geloof.
Indien zijn Fenixgeest verdeelt waer onder seven,
't Vereenigt Nederlandt waer onverdeelt gebleven".
Het gedenkteeken is geheel van gepolijsten hardsteen: een zwarte naald
staat in een wit marmeren nis, terwijl de buste van De Groot op een
medaillon gebeiteld er voor geplaatst is. Het onderschrift luidt enkel
Hugoni Grotio Sacrum.
terwijl links eenige Latijnsche versregels van Petrus Burmanus Secundus
den roem van De Groot, "Prodigium Europae", verkondigen [5].
Hugo De Groot, uit een aanzienlijk geslacht in 1583 te Delft geboren,
overleed te Rostock, den 28en Aug. 1645. Het praalgraf werd in 1781
opgericht door zijn familie. Doch het erkentelijk nageslacht heeft op
het marktplein vóór de kerk in 1886 een bronzen standbeeld ter eere
van den geleerde doen verrijzen (vervaardigd door Stracké), als om te
voldoen aan hetgeen reeds Vondel bij de uitvaart van De Groot wenschte:
"Men stell', gelijk den Rotterdammer,
Een beeld den wijzen Delvenaer;
Men paer' die groote nageburen,
Wier Faem alle eeuwen zal verduren,
Zoo sta de Wijsheid op 't Altaer!"
De naam "Hugo Grotius", in gouden letters op het voetstuk aangebracht,
is alleen voldoende, om den bezoeker met eerbied het hoofd te doen
ontblooten bij het beeld van den man, wiens herinnering zoowel in het
buitenland als in Nederland bij de wetenschap wordt levendig gehouden.
Naar Bleyswijck, de geschiedschrijver van Delft, verhaalt, werd op deze
plek in 1595 in het midden van het plein gemaakt: "een ronde Perck,
in welckers middel-punt is een Compas van blauwe steen, waer boven
het wapen van de Provincie en onder van de Stadt uyt straet-steenen
gefigureert zijn, doch meerendeels nu versleten en vergaen, maer
tusschen de twee cirkels rondt-om-lopende leest men met groote letteren
noch seer bescheydenlyck dese woorden, "Elck wandel in Godts weghen",
vermaens-gewijs alludeerende op de wandel- en handelaers, die de Marct
betreden". Van dit alles is thans alleen het randschrift nog over,
en te midden daarvan verheft zich het standbeeld.
Vóór wij afscheid nemen van de kerk en haar merkwaardigheden, zullen
wij nog den toren beklimmen, om, zij het ook in gedachten, van zijn
hoogen top den blik te doen weiden over het landschap. Beneden ons
ligt de ernstige, meestal stille stad, in deftige rust, omkranst door
singels van groen geboomte, dat tevens in schilderachtige, regelmatige
lijnen den rooden dakenchaos aan onzen voet doorsnijdt. Doch rondom
de stad, over het zachtgroene tapijt der weiden, breidt zich een
eenig panorama uit met verschillende typen van het Hollandsche
landschapskarakter. Ginds het Westland, op welks glasbedekking
der tuinen de zon met zilveren schittering weerkaatst, eigenaardig
opspritsend uit den ondergrond van donkergroen, en naar het zuiden
begrensd door den breeden waterstroom der Maas, die als een zilveren
zoom over het landschap ligt. Daar in de verte de duinzoom met zijn
bochtige verticale lijnen, zoo ongewoon in Holland, en achter die
duinen in het eindeloos verschiet ligt de groote Noordzee. Over de
onafzienbare weiden naar het oosten rijzen tallooze torenspitsen in
allerlei vormen op, en bij helder weer ziet men zelfs den Utrechtschen
Dom in 't noord-oostelijk verschiet.
Hoort, er komt leven in deze hooge spheren, tot waar geen
menschengeluid doordringt. Een vriendelijke, opgewekte muziek galmt
door de klankgaten van den toren, in regelmatige trillingen een
harmonische opwekking over de stad uitstortend. De "beiaerd doet zijn
klingelende tonen wegsprankelen in huppelende vlucht". Dat is het
beroemde klokkenspel, door Franciscus Hemony gegoten en in 1663 door
Jan Col, uurwerkmaker van Nijmegen, in dezen toren geplaatst. Door
Napoleon I werden een paar klokken er van tot gietspijs voor kanonnen
gebruikt, maar overigens is het nog goed in wezen. Driemaal per week
en bij sommige gelegenheden wordt het nog bespeeld.
Wij dalen weder af uit de hoogte naar het Marktplein. Tegenover de
Nieuwe Kerk verrijst het Stadhuis, een zwaar, vierkant gebouw met een
vierkanten toren, die zich midden uit het dak verheft. Het Raadhuis
is gebouwd naar een ontwerp van Hendrik de Keyser, wiens bekwaamheid
en kunstzin voldoende bleken bij het destijds nagenoeg voltooide
gedenkteeken van het graf van Prins Willem. Toen in Februari 1618
het oude raadhuis schier geheel een prooi der vlammen was geworden,
werd aan de Keyser de bouw van een nieuw raadhuis opgedragen. Doch,
helaas! het schoone gebouw heeft in 1840 door de zoogenaamde
restauratie zijn stijlkarakter verloren, zij het dan ook, dat het
misschien meer praktisch is ingericht voor het gebruik.
In het oorspronkelijke gebouw vond men de laatste sporen van den
renaissance-stijl met den oud-Hollandschen bouwtrant vereenigd,
doch het vervangen der in lood gezette kruisramen door moderne
vensterkozijnen deed reeds het karakteristieke aanzien ontaarden. Nog
meer werd het geschonden door het moderniseeren van den hoofdingang;
de opgang met vijf trappen, aan weerszijde gedekt door een gewelf,
op twee pilaren rustende, is verdwenen.
Hoewel veel van de merkwaardigheden, die het Raadhuis voor een
halve eeuw nog bezat, o. a. vele schilderijen en kisten vol Delftsch
aardewerk, op raadselachtige wijze moeten verdwenen zijn, vindt men
er toch nog merkwaardige stukken o. a. van Pieter Bronkhorst, Delff,
Michiel Jansz. van Mierevelt.
De beschikbare plaatsruimte verbiedt ons, bij alles stil te staan,
wat Delft merkwaardigs heeft; een volledige beschrijving van deze
stad geven wij niet. Maar op onze rondwandeling door het oude en
nieuwe Delft mogen wij de "Fundatie van Renswoude" niet vergeten: een
instelling, die zoowel tot de liefdadige als tot de wetenschappelijke
inrichtingen moet gerekend worden. Deze stichting dankt haar oorsprong
aan Vrouwe Maria Duyst van Voorhout, douairière van Frederik Adriaan
Baron van Rhede, Vrijheer van Renswoude en Emminkhuizen, die den 26
April 1754 is overleden. Deze vrouw benoemde de weeshuizen te Delft en
's-Gravenhage, benevens het kinderhuis te Utrecht, tot haar erfgenamen,
onder voorwaarde, dat uit elk dier huizen eenige jongelieden van
goeden aanleg in de vrije kunsten en wetenschappen onderwezen zouden
worden, om hen daardoor tot een hoogere positie in de maatschappij
te brengen. Eenige dichtregelen op het gebouw verheerlijken de milde
stichtster. Zij luiden:
Hier leeft Maria Duyst, onsterflijk door haar sterven;
Dees' stichting was haar wil; zij heeft een schat doen erven,
Waaruit de nijvre wees, om vlug verstand geëerd,
Hier afgezonderd leeft en vrije kunsten leert.
Dus doet zij langs het spoor der wiskunst de armen streven
Naar 't merg der wetenschap, om tot 's lands nut te leven.
Het laat-Gothische poortje van 't gebouw heeft nog bouwkundige waarde.
Het zou een miskenning van onze vaderlandsche ondernemingen en van
een oude beroemdheid van Delft zijn, als wij niet enkele oogenblikken
onze aandacht wijdden aan het Delftsche aardewerk. Delft is vanouds
een bloeiende industriestad geweest, gelijk wij reeds opmerkten. Naast
brouwerijen had men er in de middeleeuwen ook lakenfabrieken. Doch van
jongeren datum zijn de plateelfabrieken. Omstreeks het midden der 17e
eeuw kwam die nijverheid tot bloei; zij werd, door het teniet gaan van
andere industrieën, een der belangrijkste bedrijven, zoodat men in de
17e eeuw wel 50 aardewerkfabrieken in deze stad vond. Het fabrikaat
was bekend door het fraaie glazuursel met heldere, donkerblauwe
kleuren en werd veel uitgevoerd.
Doch, helaas! ook deze tak van nijverheid ging door de concurrentie
achteruit, en in 1876 was er slechts één fabriek over, "de Porceleine
Fles", waar alleen gebruiksaardewerk en vuurvaste steenen vervaardigd
werden. In dien tijd echter trad Joost Thooft op als een nieuwe
baanbreker voor dezen tak van kunstnijverheid. Hij nam de fabriek over,
en met behulp van den laatsten oud-Delftschen plateelschilder, den
bejaarden Tulk, werden de eerste proeven in blauw en wit met succes
genomen, om de oude industrie te doen herleven. Later vereenigd met
Labouchère, werd de zaak uitgebreid, en in 1889, toen op de Parijsche
tentoonstelling door haar de gouden medaille werd verworven, was zij
voor goed gevestigd. Sedert dien tijd is de aardewerkfabrikatie op
groote schaal vooruitgegaan, en ook de tentoonstelling van Chicago
heeft den afzet veel vermeerderd. Het oud-Delftsche fabrikaat is
thans niet meer het eenige; ook andere methoden worden toegepast en
andere kleuren gekozen. Verder is Delft niet de eenige stad, die het
prachtige aardewerk levert: Rozenburg in Den Haag staat hiernaast,
en in Utrecht vindt eveneens de fabrikatie plaats. Doch Delft heeft de
oudste brieven bij de herleefde industrie en den stoot gegeven tot het
nieuw opkomen van dezen tak van kunstnijverheid, die van zoo groote
beteekenis is. Niemand zal dan ook verzuimen in deze stad een bezoek
te brengen aan een der winkels met het mooie Delftsche aardewerk,
om daaruit misschien iets te kiezen tot herinnering.
Van hier richten wij onze schreden naar een andere inrichting, voor
Delft niet alleen belangrijk als een grootindustieel bedrijf, maar
bovenal eigenaardig en bekend wegens het in praktijk brengen van nieuwe
sociale humaniteits-ideeën. Daar, ten N.NW. van de stad, verheffen zich
hooge fabrieksschoorsteenen en verder westelijk, over den spoorweg,
te midden van de effene graslanden, ligt een vriendelijk park, welks
nette huizen, te midden van waterpartijen en tuintjes half in 't
lommer verscholen liggen. Dit is het Agneta-park, de verblijfplaats
der arbeiders, die op gindsche fabrieken, de Nederlandsche Gist- en
Spiritus-fabriek en de Oliefabriek, arbeiden. De directeur-oprichter,
de heer Van Marken, heeft op zijn fabrieken een arbeids-stelsel
toegepast, dat den strijd tusschen kapitaal en arbeid zal opheffen en
waarbij de arbeiders deelgenooten zijn in de groote onderneming. Zelf
woont hij te midden van zijn arbeiders in het Agneta-park op de villa
"Rust Roest".
Vóór wij Delft verlaten moeten wij ten slotte nog wijzen op de
Polytechnische Hoogeschool, waar zoo vele beroemde ingenieurs gevormd
zijn, en zeggen hiermede deze merkwaardige stad vaarwel!
Als wij buiten Delft van het Agneta-park over de graslanden naar
het N.W. den blik laten rond weiden, zien wij tusschen laag hout
in de verte eenige tuinlanden te midden der weiden. Daar in de
nabijheid staat het "Bonte Huis", een uitspanning. Eenige minuten
van het Bonte Huis bevindt zich aan de overzijde der vaart een zeer
oude brug, schilderachtig door geboomte omgeven. Twee vierkante, door
ouderdom eerbiedwaardige pilaren toonen hier nog de plaats aan, waar
zich oudtijds het klooster Sion verhief; die zuilen zijn de eenige
overblijfselen van het eens zoo bekende gebouw, waar Erasmus zijn
eerste leerschool gehad heeft. Dit klooster, reeds in 1438 in bloei,
werd den 30en Januari 1544 in brand gestoken door een priester van
Schoonhoven. Na den herbouw werd het in den tachtigjarigen oorlog door
de regeering van Delft verbrand, om te voorkomen, dat de Spanjaarden
zich hier zouden vestigen.
Thans verlaten wij de buurt der stad langs den straatweg over Overschie
naar Rotterdam. De weg loopt eerst op korten afstand van en vervolgens
langs de Schie, welke zich bij Overschie splitst in drie armen, die
naar Rotterdam, Delfshaven en Schiedam loopen. Oorspronkelijk heette
dit water de Delf, waarnaar de stad Delft haar naam heeft; het maakte
zeker een deel uit van de gracht, die Corbulo heeft laten graven,
zoowel met het doel, om het lage moerassige land achter de duinen
een afwatering te geven, als om voor de schepen een binnenvaart van
de Maas naar den Rijn tot stand te brengen. Waarschijnlijk moet de
gracht van Corbulo beschouwd worden van Hoornbrug naar Overschie te
hebben geloopen.
De weg biedt weinig belangrijks aan. 't Is een echt Hollandsch
polderland, dat zich hier aan beide zijden van de Schie uitstrekt,
in het zuiden bestaande uit de diepe kommen der droogmakerijen, welke
met hun vele wind- en watermolens een eigenaardig karakter aan het
polderland geven.
Buiten Delft zien wij zoo hier en daar op de vlakte enkele dorpen
en tal van boerenhuizen over de landen uitsteken, alle van het
Zuid-Hollandsche type zooals veehouders die bouwen. Ten oosten bemerken
wij van verre het vriendelijke gehucht Delfgauw en verder het nette
dorp Pijnakker, met een frissche Hollandsche natuur, welks torentje
in de verte boven de boomen van het dorp opspitst. Wij zullen die
dorpen echter niet bezoeken.
Op korten afstand ten westen van de Schie loopt, evenwijdig daarmede,
door den Abtswouderpolder een landweg, van boerenwoningen begrensd. 't
Is het streekdorp Abtswoude.
De vreemdeling, die bij toeval dezen weg bewandelt, zal ongetwijfeld
eigenaardig getroffen worden door de rijmpjes, welke op de hekken der
landhuizen geschilderd zijn. Woont hier, te midden der onafzienbare
graslanden, een dichterlijke boerenstand? Ontspringt de Hippokrene
in de kroozige slooten van Abtswoude?
Ja waarlijk, in den volksaard schijnt hier een dichterlijk vonkje
vlam te hebben gevat. In dit dorp is in 1689 H. K. Poot geboren,
een boerenzoon, die zonder wetenschappelijke opleiding dan op de
dorpsschool, "door de natuur als met eigen handen in den schoot der
zanggodinen werd nedergezet", zegt zijn levensbeschrijver. Zeker
zijn vele dier rijmpjes afkomstig van den "boerenzanger", zooals hij
zichzelf noemde, door zijn dorpsgenooten met bewondering aangestaard,
en die door deze eenvoudige hulde de herinnering aan hun bekenden
dorpsgenoot bewaren.
Nog verder westelijk zien wij in de verte het oude, reeds onder Dirk
V in 1083 genoemde (Schipleden) Schipluiden verrijzen uit het groen
der vlakte, een dorp, bestaande uit een frissche, breede gracht,
door twee lange rijen huizen omringd en met een fraai, oud kerkje. Het
was van dit dorp, dat Antonius Hambroek, toenmaals hier predikant, in
1647 naar Indië vertrok, om in 1663 op het eiland Pormosa, gelijk de
geschiedschrijvers het uitdrukten, "als een andere Regulus vrijwillig
zijn leven ten offer te brengen," daar hij zijn aan den vijand gegeven
woord niet wilde breken.
Wij passeeren het flinke dorp Overschie, ontstaan aan het punt van
samenkomst der Schiearmen, waar de scheepvaartwegen van Rotterdam,
Delfshaven en Schiedam landinwaarts elkander ontmoeten. Oorspronkelijk
liep de Schie onvertakt naar Schiedam, dat de voorhaven van Delft
vormde aan den mond der Schie en de Maas. Doch in 1340 gaf graaf Willem
IV een handvest aan Rotterdam, waarbij deze stad vrijheid kreeg, om een
kanaal naar de Schie te graven, teneinde hierlangs verder den Vliet te
kunnen bereiken, den hoofdverkeersweg met het overige Holland. Deze
nieuwe waterweg, voor Rotterdam van het grootste belang, kwam in
1348 tot stand. De plek, waar beide wateren elkander ontmoetten,
werd verder bebouwd en dit was de oorsprong van het dorp Overschie.
Terwijl de Rotterdamsche en Schiedamsche armen der Schie met elkander
concurreerden, wist Delft in 1389 nog het recht te verkrijgen, om een
derden arm te graven van Overschie naar de buurt Schoonderloo aan de
Maas. Deze loopt tusschen de beide genoemde armen in. Aan den mond
bouwde het ondernemende Delft een eigen voorhaven, Delfshaven, om aldus
een zeestad te worden en met Rotterdam te kunnen wedijveren. Delfshaven
is dus een schepping van Delft en bleef aan deze stad behooren
tot 1795.
Wanneer men het fraaie kerkgebouw van Overschie, met den artistieken
toren, welke na den brand met smaak is herbouwd, gezien heeft,
biedt dit dorp geen bezienswaardigheden meer aan. Van hier kan men,
langs een omweg, door verscheidene polders nog het aanzienlijke dorp
Hillegersberg bereiken, dat ten noorden van Rotterdam zoo pittoresk
te midden van uitgeveende plassen gelegen is.
"'t Grijze Hilgersberg, weleer
Der Romeinen welbehagen,
Wijl ze van zijn schedel zagen
Over 't ruim van 't Hela-meer,
Dat wij thans den Maasstroom heeten",
rijmelde Smits, naar aanleiding eener onwaarschijnlijke overlevering,
dat deze plaats in den Romeinschen tijd zou zijn ontstaan op een
berg, die destijds aan de Maas gelegen was. Een mooi plekje is de
kerkhofheuvel met de bemoste, afgebrokkelde muren van een oud gebouw,
het in den volksmond bekende Reuzenhuis, terwijl daarnaast het kerkje
zich zoo rustig in 't gebladerte verschuilt, en van verre de heldere
plassen hun zilver in het zonlicht weerspiegelen, te midden van
frisch-groene omlijsting der graslanden.
Hillegersberg is de uitgangsplaats der Rotterdammers; de weg van het
dorp naar de stad is met kleine villatjes omzoomd, welker tuinen aan
beide zijden van den weg door plassen worden ingesloten. Zoo naderen
wij de drukke Rottestad, maar wij treden haar thans niet binnen, omdat
wij vooraf ten noorden van de Maas nog andere streken willen bezoeken.