De vage avond om den horizon had stad en strand doen krimpen onder een
doem van wolken. Nu zwol de nacht over d'Oceaan en de nacht was brak.
Als 't verdriet dat over de wangen druppelt en zilt door de lippen wordt
geslikt, voelde Johan de nattigheid loslaten uit het weenende weêr.
Telkens spritste er regen van uit den bollen wind die bakboords blies,
of was het gestuif van de proestende golven, want met vollen stoom
plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, zich delvend een
gang door den nacht.
Al gauw na het winden van de ankers, het werken van de matrozen die
schreeuwend door het waaidonker met de touwen zeulden, was Johan
afgedaald in de kajuit, maar er uitgedreven weêr door een niet te
overwinnen afzonderingsbegeerte van geheel zijn wezen. Hij had de
onstuimigheid van het getij verkozen voor de vriendelijke scheepskamer,
die vol kleuring van rood fluweel, glom van koperen stangen langs de
boorden om het zeker loopen. Van onder de huiselijk lage lampen
overschijnend een tafel-vol tijdverdrijf van periodieken, was hij
opgestaan. Er zaten wat reizigers te lezen, kreukend sloeg blad om na
blad, dan legden de menschen zich achterover in de stoelen en spraken
naar elkaâr, wankele woorden in het buiten windezingen van de zee. En
boven met rug en ellebogen stevig vastgedrukt in de staaf der
verschansing en de voeten schrijlings gekant op het plankier van den
boeg, had hij heel lang voor zich uitgestaard in het oneindige zwart.
Warrend stond het nu op den warrenden vloer van de waterkolken. Lang was
er nog lichting geweest in de westelijke lucht, glimmering van dag die
niet weg wil gaan, en roode vlammetjes had hij dolen gezien langs
Tangers weggeslorpt strand, menschjes die den weg met lantarens zoeken
door het lage leven.
Zwaar steunde de machine en bonkte de wentelende schroef; met donkere
krachtgeluiden in zijn harden buik stampte de Atlantic vooruit.
.... Alzoo ging het nu terug; zoo stond het een andermaal te beginnen
het moeilijk-geweten leven daarginds, van voren af aan, nu, nu, nu;
gelijk de trage stappen van een geharnast man bonsde het aldoor
terugkomend in zijn hoofd waar geen andere gedachten bleven, nu, nu, nu;
dat klonk als de waakzame roep van een wachter in den nacht.
Gulzig klokte het lage zwart om het snellende schip. Kookte niet overal
de wijd-duistere zee van slokkende, vratige dreigementen? Stond hij daar
nu niet midden op den nacht, voelend de sluipkou van den nacht, den
nacht in de haren rillend; stond hij daar niet als een vat vol gloênde
gisting; ging hij niet strekken nu de spierbanden onbewegelijk, om het
vat te dijgen, om bijeen te houden het lijf, bewarend het eigene aan
hem, dat daar leefde in hem?
Waar ging het heen, waar ging het henen door den angsten-nacht? Was het
niet beter het broze vat te vernietigen, nu, nu, nu, en de verlangens
der ziel als de geuren van een balsem te vervluchtigen in den nacht van
het niet meer zijn....
Daar was de rood-gekooide vlam van een lantaren wiegend in de takelage
en spinnewebde licht over touwen en sprieten, gebluscht al door den
aanhijgenden rook uit het brok-zwart van den schoorsteen als uit een
strot. En het was Johan weêr of hij met het schip in het duister hing.
Dan andermaal uit het rechtsche Westen boorde Kaap Espartels toren zijn
vuur in de nachtelijke woestenij: een loensche straal uit een groot
groen oog spookte over de leêge zee. Maar de wachter daar.... Braun's
hand.... keerde de mechanieken en de toren spoot zijn cyclopig licht nu
rood in het ijle. Rinkinkelend ging er een brallend lach-licht de
wateren over, de golven verschenen tot onder de kiel, vochten in het
lage, dol en kwaadaardig aan 't vernietigen van elkaâr, tuimelden zij
met de roode vlamkoppen in de zwartnatte dalen. Duister geheel en al was
het schip komen te staan voor den rooden nacht; een gehoornd monster,
triomfantelijk en architecturaal, dat snuivend in zijn vaart, de booten
buitenboords aan de kromhouten hangend, langs de flanken meêdroeg als
buit van gevangen haaien.... Wat dreef daar op de zee, was het niet een
hoog-neuzig aangezicht liggend op het nat, bleek in de woeling spoelend
met blauw-open oogen....
Door den smook als neêrduizelend van uit den gansch onzichtbren hemel,
plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, weêrbaar
knarsend, scharmaaiend van ijzer, delvend zijn gang door den nacht.
.... Wat zou het geven, wat zou er komen voor hem uit al dat duister;
een verdoemenis was de nacht, glanzend afgrondelijk, slaand' tegen
slaande beneden.... Waarom was die rookvlag in het want almaar....
waarom troostte niet wat licht hier in de zwarte zwaarte der ziel....
.... O.... de ontzetting beginnend, nu, nu, nu.... hoog.... laag....
buiten, binnen, hier en van daarginds.... Hoor.... het water het zwarte,
het huilt.... de diepte klokt, voel den regen wimperen.... het zijn al
tranen.... gevangen zijn ze in den heeten mond.... val water in buien
uit, zie ik wil ze drinken uit mijn geholde handen....
Wat te bestaan, waar was wat licht.... o, de barre angst voor het leven
voorgevoeld, van altijd allen tegen éen....
.... Daar was de ontbering die het begeeren lam slaat en uitmergelt de
verlangens; daar was de ellende die het lijf verminkt.... daar kwam ze
de verschrikkelijke Honger in den Nacht.... Daar stond zij de
gerimpelde, de dorre van ouderdom, de furie met de droge tepels en
naakt.... Oogen stekelen in het kopkarkas en haar mond is zinloos
tragisch in den boog der lippen. Nu neemt ze de floers-vlerken op,
buigend naar de slippen, dat haar er 't vel van kraakt. En zij spant ze
meêwarig tot een huif om haar hooge dorheid, lacht, ja lacht, belooft
den dood en vervliegt in 't zwart.
Waarom bleef die jammerlijke glinstering van oogen daar op het
water?.... was er dan geen dag meer, wachter, waar is het licht, waarom
braakt de toren geen vlammen hier in het ziedende zwart? Het kookt en
het borrelt maar voort, en er is geen vuur; de haren worden klam als van
een verdronkene, de oogen zijn kil en de handen klam, het danst onder de
voeten, het is een golf in den steunloozen nacht.... Wachter, keer de
mechanieken.... toren.. uw lach....
En 't was als een vonk uit een vergeten waakvuur dat de storm weêr
aanblaast, als een ster die wakker staat en uitspat in het ruim; dan
als een brand staâg in den nacht gestoken, de bliksemblik, het siderale
licht van het groene torenoog. Helsch in de duisternis ging het den
chaos doorvorschen. Maar slagbui van regen tusschen bergen blinkend,
bevlaagd door zon uit een donderwolkscheur, zoo bundelde het schijnsel
nu neêr, gleed van onder het half-toegegane oog de laaiende blik aan
over het akelige water.
Verschenen was de zee: een nachtvlakte vol oorlog onder een kille maan;
een platgebrand land zwart nog van laag tumult. Stoeten van kruipers op
knieën met glibberenden rug, hobbelden alle de ellendige golven,
schuimend, nekkend elkaâr, in den wedloop stortend, grijpend, willend
vernietigen, weêr overstortend.
Heftig had Johan zich losgezet van de wering en hij stond in den
schrikschijn van het groene licht, dat onder de brug door, sproeiend
stekelige slagschaduwen over het planken dek was komen schraaien,
spinnend er de naden van onder zijn voeten als lijnen van telegrafen. En
hij zag een lange slang met fosforkringels op haar huid, een touw,
kruipen langs de verschansing, omrollen dan een bout, worgend om een
hals....
Onder het rood geworden torenoog was d'Oceaan gaan bloeden. Plots donker
geronnen drongen de stommelende golven de barsche boot rondom, die,
burcht van toornig agaat dat op kanten en facetten rinkelt, het booze
gefonkel hief in mast en want, en van katrollen het vurig gekogel, en op
rondassen en oorlogstuig. 't Schip stond in 't rooie gegloor, waggelde,
doch opstootend zijn gestookten stoomadem, dreunde het neêr, plompend
ging zijn macht voort door de moordzee die van verslagenen dreef.
Rond in de gruwelijk incarnate zee zwommen de wringenden uit den baaierd
los, tot sombere slagorden van baren, baren bergend baren, baren die
baren baarden, slag-armend en met vlammende spiralen voor den buik,
naderden zij daar waar de klaarheid wijlde van het felle toren-turen.
Wentelend rood, woelend bloed; zij delgden zich borsten over ruggen,
schuimmuilen vielen er in plassend bloed; zij drupten den schijn van
ooglichtingen vol, valsch in de kringsels en de stroomsels van de
draaiende haren. Dan schoven er de roode dooden gestoken en bobbelden en
wentelden en wielden.
De blik week.... de lichtschoof kromp op, maar bleef, zwalkende vloek,
boven de waterwereld branden, die keerend zijn afgronden voortdurendlijk
om, barbaarsch en laag praalde verzadigd met het oude rood. Het oog
kneep dicht.... en onder den stuipenden toren verbloedde de Oceaan....
Alom wolkte de nacht, kolkte de barnende nacht. En 't was Johan of de
ooren hem groeiden tot maatlooze zwarte plantbladen naast het hoofd in
't natte vlagge-waaien van den wind. De verten rondde het gerommel van
krijg en kwaad weêr, de diepte bruiste, zwolg grollen op en grimassen
van geluid. Uit het wellen, uit het lekken borrelden klokken, monden die
vol water gaan, 't verstikkend overgeven; klakken van handen knalden,
het water slaande, het water dat toch niet houdt, om te zoeken den
vlottenden stroohalm in 't vliedende water. Verbolgen loeien, het
hoog-òp verzet; het vloeien, het lijdzaam gaan liggen in de
doodenzee.... De kolk stond overeind, wervelend bewoog zwart in zwart,
bepreveld, belipt, beknerst, begrijnsd, bewrongen, bekronkeld en
beklaagd en beschreid. Werd daar de zee niet glinsterig nu, bezwermd met
millioenen confuse insekten, zwoegde er de boot niet door, met onder
aan den boeg almaar den gefloersden slag van een doodstrom?
Van zijn plek gejaagd was Johan gaan klimmen tegen de loopvaart in van
het schip als tegen een zwarten berg. Daar in het midden wou hij zijn,
daar danste de vloer niet, daar ging het niet òp, daar ging het niet
neêr.
't Grafzwart druischte overal; langs den draad der verschansing gleed de
arme hand. Nachtdingen roerden in den poel, scheerden er uit los en
voorbij het gesperd-zijn van de oogen in adem-wasem. Nu, nu, nu, sloeg
het heete hart; zoo onophoudelijk alleen, om het tegen te willen gaan,
om het te willen uitrukken en te werpen hier in het aangaan van de
golven....
Uit het dreunende binnen van de boot droomden stemmen los, huiverig
genot-koud, heel-even gelach. De wind zoog in het trapgat, met den voet
had hij koortsig de deur naar den kuil gezocht; in lange weeningen
verzong zich nog de zee, toen hij ze al voor zich had de roode
menschen-schijnsels....
Een hoofd in een hand gloeide op van-achter de tafel met de periodieken;
vingers, werktuigelijke dingen, aaiden, werend iets onteziens als
spinraggen boven de oogen weg.
Luisterend hoogde het hoofd.... de zee zong.... De hand met de
flonkerstip van een juweel begon de snorharen te streelen, als om er
goud uit te spinnen. Want met bevlamden strot lag een tweede gezicht
aandachtig te praten naar den zolder, onbekende taal in pluizen van
rook.... de zee zong....
Het eerste hoofd met het haar in schaduw, zonder de hand, als een klomp
oud goud, verrimpelde in stil lachen, een oogenblik, want
strak-verdwaasd zakte het in 't week-donkere van de schouders en tuurde
onder de lampen door naar Johan in de deur gebleven.
.... Twee blauwe ster-oogen brandden er geheimvol.... toen.... maar al
joeg Johan zich langs de trap weêr naar boven, hebbend dien weenenden
blik al zoo lang gekend en nu zien sterven.
* * * * *
* * * * *
Nu klaagden zware waaiingen om het schip, de toren sliep weg in het
duister; nu gaan de sentimenten over de wereld weg....
.... Nog draagt de zee wel den wind van 't verlangen....
.... Zie, zie, 't is alles een wonderspel; de koninklijke deernis gaat
in lang watergewaad.... mannen en vrouwen.... zuiver onder de gouden
passiën, roemzingen zacht om wat is gestorven.... kinderen nog....
dragend den sleep henen over het delireeren van de zee....
* * * * *
De wind waait in 't niet.... vult de wereld met gedroom....
Water verruischt naar alle randen....
De Atlantic zwaar zwemmend plompt met roodwankend toplicht vast voort
door diepen droom.
En Johan staat nog op den boeg te droomen in dien droom....