VII.

De vage avond om den horizon had stad en strand doen krimpen onder een

doem van wolken. Nu zwol de nacht over d'Oceaan en de nacht was brak.

Als 't verdriet dat over de wangen druppelt en zilt door de lippen wordt

geslikt, voelde Johan de nattigheid loslaten uit het weenende weêr.

Telkens spritste er regen van uit den bollen wind die bakboords blies,

of was het gestuif van de proestende golven, want met vollen stoom

plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, zich delvend een

gang door den nacht.

Al gauw na het winden van de ankers, het werken van de matrozen die

schreeuwend door het waaidonker met de touwen zeulden, was Johan

afgedaald in de kajuit, maar er uitgedreven weêr door een niet te

overwinnen afzonderingsbegeerte van geheel zijn wezen. Hij had de

onstuimigheid van het getij verkozen voor de vriendelijke scheepskamer,

die vol kleuring van rood fluweel, glom van koperen stangen langs de

boorden om het zeker loopen. Van onder de huiselijk lage lampen

overschijnend een tafel-vol tijdverdrijf van periodieken, was hij

opgestaan. Er zaten wat reizigers te lezen, kreukend sloeg blad om na

blad, dan legden de menschen zich achterover in de stoelen en spraken

naar elkaâr, wankele woorden in het buiten windezingen van de zee. En

boven met rug en ellebogen stevig vastgedrukt in de staaf der

verschansing en de voeten schrijlings gekant op het plankier van den

boeg, had hij heel lang voor zich uitgestaard in het oneindige zwart.

Warrend stond het nu op den warrenden vloer van de waterkolken. Lang was

er nog lichting geweest in de westelijke lucht, glimmering van dag die

niet weg wil gaan, en roode vlammetjes had hij dolen gezien langs

Tangers weggeslorpt strand, menschjes die den weg met lantarens zoeken

door het lage leven.

Zwaar steunde de machine en bonkte de wentelende schroef; met donkere

krachtgeluiden in zijn harden buik stampte de Atlantic vooruit.

.... Alzoo ging het nu terug; zoo stond het een andermaal te beginnen

het moeilijk-geweten leven daarginds, van voren af aan, nu, nu, nu;

gelijk de trage stappen van een geharnast man bonsde het aldoor

terugkomend in zijn hoofd waar geen andere gedachten bleven, nu, nu, nu;

dat klonk als de waakzame roep van een wachter in den nacht.

Gulzig klokte het lage zwart om het snellende schip. Kookte niet overal

de wijd-duistere zee van slokkende, vratige dreigementen? Stond hij daar

nu niet midden op den nacht, voelend de sluipkou van den nacht, den

nacht in de haren rillend; stond hij daar niet als een vat vol gloênde

gisting; ging hij niet strekken nu de spierbanden onbewegelijk, om het

vat te dijgen, om bijeen te houden het lijf, bewarend het eigene aan

hem, dat daar leefde in hem?

Waar ging het heen, waar ging het henen door den angsten-nacht? Was het

niet beter het broze vat te vernietigen, nu, nu, nu, en de verlangens

der ziel als de geuren van een balsem te vervluchtigen in den nacht van

het niet meer zijn....

Daar was de rood-gekooide vlam van een lantaren wiegend in de takelage

en spinnewebde licht over touwen en sprieten, gebluscht al door den

aanhijgenden rook uit het brok-zwart van den schoorsteen als uit een

strot. En het was Johan weêr of hij met het schip in het duister hing.

Dan andermaal uit het rechtsche Westen boorde Kaap Espartels toren zijn

vuur in de nachtelijke woestenij: een loensche straal uit een groot

groen oog spookte over de leêge zee. Maar de wachter daar.... Braun's

hand.... keerde de mechanieken en de toren spoot zijn cyclopig licht nu

rood in het ijle. Rinkinkelend ging er een brallend lach-licht de

wateren over, de golven verschenen tot onder de kiel, vochten in het

lage, dol en kwaadaardig aan 't vernietigen van elkaâr, tuimelden zij

met de roode vlamkoppen in de zwartnatte dalen. Duister geheel en al was

het schip komen te staan voor den rooden nacht; een gehoornd monster,

triomfantelijk en architecturaal, dat snuivend in zijn vaart, de booten

buitenboords aan de kromhouten hangend, langs de flanken meêdroeg als

buit van gevangen haaien.... Wat dreef daar op de zee, was het niet een

hoog-neuzig aangezicht liggend op het nat, bleek in de woeling spoelend

met blauw-open oogen....

Door den smook als neêrduizelend van uit den gansch onzichtbren hemel,

plonsde de Atlantic gelijk een zwaar zwembeest vooruit, weêrbaar

knarsend, scharmaaiend van ijzer, delvend zijn gang door den nacht.

.... Wat zou het geven, wat zou er komen voor hem uit al dat duister;

een verdoemenis was de nacht, glanzend afgrondelijk, slaand' tegen

slaande beneden.... Waarom was die rookvlag in het want almaar....

waarom troostte niet wat licht hier in de zwarte zwaarte der ziel....

.... O.... de ontzetting beginnend, nu, nu, nu.... hoog.... laag....

buiten, binnen, hier en van daarginds.... Hoor.... het water het zwarte,

het huilt.... de diepte klokt, voel den regen wimperen.... het zijn al

tranen.... gevangen zijn ze in den heeten mond.... val water in buien

uit, zie ik wil ze drinken uit mijn geholde handen....

Wat te bestaan, waar was wat licht.... o, de barre angst voor het leven

voorgevoeld, van altijd allen tegen éen....

.... Daar was de ontbering die het begeeren lam slaat en uitmergelt de

verlangens; daar was de ellende die het lijf verminkt.... daar kwam ze

de verschrikkelijke Honger in den Nacht.... Daar stond zij de

gerimpelde, de dorre van ouderdom, de furie met de droge tepels en

naakt.... Oogen stekelen in het kopkarkas en haar mond is zinloos

tragisch in den boog der lippen. Nu neemt ze de floers-vlerken op,

buigend naar de slippen, dat haar er 't vel van kraakt. En zij spant ze

meêwarig tot een huif om haar hooge dorheid, lacht, ja lacht, belooft

den dood en vervliegt in 't zwart.

Waarom bleef die jammerlijke glinstering van oogen daar op het

water?.... was er dan geen dag meer, wachter, waar is het licht, waarom

braakt de toren geen vlammen hier in het ziedende zwart? Het kookt en

het borrelt maar voort, en er is geen vuur; de haren worden klam als van

een verdronkene, de oogen zijn kil en de handen klam, het danst onder de

voeten, het is een golf in den steunloozen nacht.... Wachter, keer de

mechanieken.... toren.. uw lach....

En 't was als een vonk uit een vergeten waakvuur dat de storm weêr

aanblaast, als een ster die wakker staat en uitspat in het ruim; dan

als een brand staâg in den nacht gestoken, de bliksemblik, het siderale

licht van het groene torenoog. Helsch in de duisternis ging het den

chaos doorvorschen. Maar slagbui van regen tusschen bergen blinkend,

bevlaagd door zon uit een donderwolkscheur, zoo bundelde het schijnsel

nu neêr, gleed van onder het half-toegegane oog de laaiende blik aan

over het akelige water.

Verschenen was de zee: een nachtvlakte vol oorlog onder een kille maan;

een platgebrand land zwart nog van laag tumult. Stoeten van kruipers op

knieën met glibberenden rug, hobbelden alle de ellendige golven,

schuimend, nekkend elkaâr, in den wedloop stortend, grijpend, willend

vernietigen, weêr overstortend.

Heftig had Johan zich losgezet van de wering en hij stond in den

schrikschijn van het groene licht, dat onder de brug door, sproeiend

stekelige slagschaduwen over het planken dek was komen schraaien,

spinnend er de naden van onder zijn voeten als lijnen van telegrafen. En

hij zag een lange slang met fosforkringels op haar huid, een touw,

kruipen langs de verschansing, omrollen dan een bout, worgend om een

hals....

Onder het rood geworden torenoog was d'Oceaan gaan bloeden. Plots donker

geronnen drongen de stommelende golven de barsche boot rondom, die,

burcht van toornig agaat dat op kanten en facetten rinkelt, het booze

gefonkel hief in mast en want, en van katrollen het vurig gekogel, en op

rondassen en oorlogstuig. 't Schip stond in 't rooie gegloor, waggelde,

doch opstootend zijn gestookten stoomadem, dreunde het neêr, plompend

ging zijn macht voort door de moordzee die van verslagenen dreef.

Rond in de gruwelijk incarnate zee zwommen de wringenden uit den baaierd

los, tot sombere slagorden van baren, baren bergend baren, baren die

baren baarden, slag-armend en met vlammende spiralen voor den buik,

naderden zij daar waar de klaarheid wijlde van het felle toren-turen.

Wentelend rood, woelend bloed; zij delgden zich borsten over ruggen,

schuimmuilen vielen er in plassend bloed; zij drupten den schijn van

ooglichtingen vol, valsch in de kringsels en de stroomsels van de

draaiende haren. Dan schoven er de roode dooden gestoken en bobbelden en

wentelden en wielden.

De blik week.... de lichtschoof kromp op, maar bleef, zwalkende vloek,

boven de waterwereld branden, die keerend zijn afgronden voortdurendlijk

om, barbaarsch en laag praalde verzadigd met het oude rood. Het oog

kneep dicht.... en onder den stuipenden toren verbloedde de Oceaan....

Alom wolkte de nacht, kolkte de barnende nacht. En 't was Johan of de

ooren hem groeiden tot maatlooze zwarte plantbladen naast het hoofd in

't natte vlagge-waaien van den wind. De verten rondde het gerommel van

krijg en kwaad weêr, de diepte bruiste, zwolg grollen op en grimassen

van geluid. Uit het wellen, uit het lekken borrelden klokken, monden die

vol water gaan, 't verstikkend overgeven; klakken van handen knalden,

het water slaande, het water dat toch niet houdt, om te zoeken den

vlottenden stroohalm in 't vliedende water. Verbolgen loeien, het

hoog-òp verzet; het vloeien, het lijdzaam gaan liggen in de

doodenzee.... De kolk stond overeind, wervelend bewoog zwart in zwart,

bepreveld, belipt, beknerst, begrijnsd, bewrongen, bekronkeld en

beklaagd en beschreid. Werd daar de zee niet glinsterig nu, bezwermd met

millioenen confuse insekten, zwoegde er de boot niet door, met onder

aan den boeg almaar den gefloersden slag van een doodstrom?

Van zijn plek gejaagd was Johan gaan klimmen tegen de loopvaart in van

het schip als tegen een zwarten berg. Daar in het midden wou hij zijn,

daar danste de vloer niet, daar ging het niet òp, daar ging het niet

neêr.

't Grafzwart druischte overal; langs den draad der verschansing gleed de

arme hand. Nachtdingen roerden in den poel, scheerden er uit los en

voorbij het gesperd-zijn van de oogen in adem-wasem. Nu, nu, nu, sloeg

het heete hart; zoo onophoudelijk alleen, om het tegen te willen gaan,

om het te willen uitrukken en te werpen hier in het aangaan van de

golven....

Uit het dreunende binnen van de boot droomden stemmen los, huiverig

genot-koud, heel-even gelach. De wind zoog in het trapgat, met den voet

had hij koortsig de deur naar den kuil gezocht; in lange weeningen

verzong zich nog de zee, toen hij ze al voor zich had de roode

menschen-schijnsels....

Een hoofd in een hand gloeide op van-achter de tafel met de periodieken;

vingers, werktuigelijke dingen, aaiden, werend iets onteziens als

spinraggen boven de oogen weg.

Luisterend hoogde het hoofd.... de zee zong.... De hand met de

flonkerstip van een juweel begon de snorharen te streelen, als om er

goud uit te spinnen. Want met bevlamden strot lag een tweede gezicht

aandachtig te praten naar den zolder, onbekende taal in pluizen van

rook.... de zee zong....

Het eerste hoofd met het haar in schaduw, zonder de hand, als een klomp

oud goud, verrimpelde in stil lachen, een oogenblik, want

strak-verdwaasd zakte het in 't week-donkere van de schouders en tuurde

onder de lampen door naar Johan in de deur gebleven.

.... Twee blauwe ster-oogen brandden er geheimvol.... toen.... maar al

joeg Johan zich langs de trap weêr naar boven, hebbend dien weenenden

blik al zoo lang gekend en nu zien sterven.

* * * * *

* * * * *

Nu klaagden zware waaiingen om het schip, de toren sliep weg in het

duister; nu gaan de sentimenten over de wereld weg....

.... Nog draagt de zee wel den wind van 't verlangen....

.... Zie, zie, 't is alles een wonderspel; de koninklijke deernis gaat

in lang watergewaad.... mannen en vrouwen.... zuiver onder de gouden

passiën, roemzingen zacht om wat is gestorven.... kinderen nog....

dragend den sleep henen over het delireeren van de zee....

* * * * *

De wind waait in 't niet.... vult de wereld met gedroom....

Water verruischt naar alle randen....

De Atlantic zwaar zwemmend plompt met roodwankend toplicht vast voort

door diepen droom.

En Johan staat nog op den boeg te droomen in dien droom....

Gekken · 第 15 / 16 题