§ 168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in
verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en
naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en
verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten
kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder,
of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt
van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen
onderling, of ook tusschen de namen en de personen die de namen
dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene
beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan
daarmede een einde maken aan dit werk.
Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms
zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:
Van Boven en Van Beneden, Van den Begin en Van den Ende, Van den
Hemel en Van de Helle, Van Hemelrijk en Van Aertrijck, Uitzinger
en Insinger, Onderwater en Bovenwater, Helsloot en Donkersloot,
Hameter en Spekmyder, Den Engel en Den Dievel, Zoet en Zuur, Van
Aarde met Van den Hemel en Van de Helle, Hooisma en Strooisma,
Oostra en Westra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van
toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden
dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (Over
Van Aertrijck zie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is
opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamen Bovenwater,
Uitzinger en Strooisma zijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld
om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamen Onderwater,
Insinger en Hooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de
eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig
geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de
namen Bovenwater en Uitzinger in het leven geroepen. Men schepte in
den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden,
onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze
en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander
wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde
namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn
van het ontstaan van den naam Onderwater als geslachtsnaam, dit is
zeker dat de woorden onder en water, welke dezen naam samenstellen,
in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben,
moeten verstaan worden. Bovenwater is dus de wezenlike, de echte
tegenstelling van Onderwater. Maar dit is geenszins het geval met de
namen Uitzinger en Insinger. Laatstgenoemde naam toch bestaat niet uit
het voorzetsel in en een woord singer, zinger, van het werkwoord zingen
ontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even
als b. v. de geslachtsnaam Hamburger ontleend is aan den naam der stad
Hamburg, en Ottolander aan dien van het dorp Ottoland (zie bl. 204),
zoo is Insinger afgeleid van den naam van het dorp Insingen, het
welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad
Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaam Uitzinger daarentegen is
louter als tegenstelling van Insinger in de wereld gekomen, naar
men my heeft verhaald. Intusschen, de naam Uitzinger kan ook nog
anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen
vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten,
het hyschen van zeilen, het winden van 't anker, het heien van palen
(eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid,
dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen
man daar by, die 'n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat
volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt
het nederlandsche volk bepaaldelik uitzingen, en de man die het doet,
is de uitzinger. En iemand, die gewoonlik met dat uitzingen belast
werd, kon al spoedig den toenaam Uitzinger van zyne makkers hebben
bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten
geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze
eenvoudige verklaring van den geslachtsnaam Uitzinger de ware is, maar
dat deze naam in der daad als een tegenhanger van Insinger ontstaan is.
Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker
eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe
geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader
vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg
den naam van Hooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche
woord hooi te hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,
Strooisma. Hooi en stroo toch behooren by elkanderen, zoo goed als
hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaam Hooisma heeft met
het woord hooi niets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen
mansvóórnaam Hoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent
eenvoudig: (zoon) van Hoio (zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken
form is die mansvóórnaam Hoie heden ten dae in Friesland, en ook
in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was,
zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformen Hoike, Hoitse,
Hoise en Hoite is hy nog onder de Friesen in volle gebruik. Nevens
Hooisma zijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen: Hoynk,
Hooying en Hoying, Hooijenga en Hoyenga, Hooysma, verder Hoisingh,
Hoitema, Hoytema en Van Hoytema, Hoitinga en Hoitenga, Hooites en
Hoites, Hoits en Hoiten, Hoitsma en Hooitsma, Hoitsema, Hoitses, en
vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.--De
eenvoudige man die zich dien geslachtsnaam Strooisma uitkoos als de
weêrga van Hooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen
spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een
zin, eene beteekenis in ligt. Immers Strooisma en is niet zulk een
onzinnige naam als b. v. Dwingersma is of Korensma, enz. Strooisma toch
kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen
van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaam Stroosma. En
dit Stroosma (Strosma ware beter geboekstaafd) is wel degelik een
zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van
eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook
door Förstemann vermelden naam Strodo, Strode, by afslyting Stro. Van
dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikon Stroïnk, dat
nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede
de geslachtsnaam Stroma, die oudtijds onder de groningerlandsche
Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend,
uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamen Hoynck en
Stroink staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als
de friesche namen Hooisma en Stroosma (Strooisma).
De geslachtsnaam Oostra is door een israëlitisch geslacht in Friesland
aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen
voorkomenden geslachtsnaam Westra. Oostra is toevallig een goed
friesche form (Eastra nogtans ware zuiverder friesch). En, omdat deze
naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen
geslachtsnaam Van Oosten, zoo is Oostra zeker een zeer passende naam
voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten
tot ons gekomen zijn.
Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen
geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van
zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne
jeugd te Leeuwarden een wolkammer die Cammenga heette. Zoo is er een
houthandelaar te Harlingen die Houtsma heet, en te Arum in Friesland
een glazemaker die den naam Glazema draagt, even als een barbier en
een schoenmaker te Wageningen, Scheerder en Schomaker geheeten, en
een poelier te Amsterdam, die den naam Taling voert. Zoo werd voor
eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van
zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was)
waargenomen door iemand die Mettepenningen (zie bl. 432) heette. En zoo
draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusblad Le Précurseur
den naam van Goemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een
allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie
ook § 111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en
dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten
voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke
die namen dragen. Een boer wonende aan de Abbegaster-rige, een
gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heet Riegstra; een andere,
wonende op de Wonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heet
Weerstra. En nog een ander, die woont op de Bult, by Bellingawolde in
Groningerland, draagt den geslachtsnaam Bultena, terwijl Kloosterboer
de naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen
het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En
dat de boer die in den Scheurpolder woont, aan dien arm van de Maas,
welke het Scheur heet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam
draagt van Scheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.
Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in het spel als
toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene
toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats
waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende
plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde
betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin
dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage
op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds
vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike
byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.