§ 167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden
om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze
gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa
in gebruik, hield niet aleen in de 16de en 17de eeu stand, maar nam,
by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral
in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen
toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden,
in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats
van zoo vele vreemde geleerden.
Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching
der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen
geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang
achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten
deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, die Kuyper tot
toenaam of geslachtsnaam had, of die oorspronkelik zelf een kuiper was
of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende,
dien naam met Viëtor, terwijl een ander er eenvoudig Cuperus van
maakte. Of de eene man die Bakker heette, verlatynschte dien naam tot
Pistorius, of hy vergriekschte hem tot Artopaeus, terwijl de andere
zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde,
en er Backerus van maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het
veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand,
geheel verkeerd. De geleerde Desiderius Erasmus, iemand die zekerlik
beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de
oud-germaansche taalstammen, heette eigenlik Gerrit. En omdat zyn vader
ook Gerrit heette, zoo noemde hy zich Gerrit Gerritsz., dat is Gerrit
Gerritszoon, of Gerrit, de zoon van Gerrit. De naam Gerrit nu is,
zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van
den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naam Gerhard
(Geraert). Het schijnt dat Gerrit Gerritsz. meende dat in dezen naam
Geraart het woord geeren, begeeren opgesloten lag. Dies vertaalde
hy zynen naam in het Latyn tot Desiderius, en in het Grieksch tot
Erasmus, en nam deze dubbele begeerte aan in de plaats van zynen
oorspronkeliken dubbelen Gerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen,
en die minder dan Gerrit Gerritsz. t'huis waren in Grieksch en
Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschen Gerrit eenen
quasi-latynschen Gerhardus te maken. In latere tyden, in de 17de eeu,
toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer
hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen,
niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze
zake, aan het licht. En het waren vooral de 17de eeusche herformde
predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft
uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien,
vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin
der 18de eeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde
geleerden stand. Een eenvoudige Fries, die Oene heette en zich Oene
Oenes moest noemen, omdat zijn vader eveneens Oene heette, noemde
zich, als herformd predikant te Goinga, in Friesland, in 1712, Onias
Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, en Johannes Fokkes geheeten,
dat is Johannes, de zoon van Fokke, noemde zich, als hoogleeraar
te Franeker in het midden der 17de eeu, Johannes Phocylides ab
Holwarda. Marten Eelkes, dat is Marten, de zoon van Eelke, een der
eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam,
nu eens tot Martinus Helius (de zon), dan eens tot Martinus Eliacus
(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten
zijn. Zekere Ulrik was predikant te Hemelum, een friesch dorp, en
noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats, Ulricus
Uranius (hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin
bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy
noemde zich Tullius, Pastor Hunnorum, alsof de ingezetenen van Huins
Hunnen waren. Eenvoudiger was Berend Boues, (men vindt zynen naam ook
wel deftiger gemaakt als Bernard Bouwo). Hy was eveneens een (West)
Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland,
en noemde zich, naar dien dorpsnaam, Eilshemius, een naam die nog lange
door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ook Hendrik,
een eenvoudige Drent, van Beilen geboortig, die in het begin der
17de eeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde,
zich Henricus Beylanus noemde; zie bl. 206.
Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte
even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, die Cornelis
Loose heette, noemde zich met de weidsche namen Cornelius Calfidius
Chrysopolitanus (uit de gouden stad!). En Jacob Harmensz., een man uit
Oudewater, eigende zich de namen Jacobus Arminius Veteraquinas toe. In
de 17de eeu leefde in Holland ook de befaamde Jacobus Trigland, vooral
bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen". Zyne vrou heette
Christina Theodora, en voerde den geslachtsnaam van Astophia. »De naam
klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek
niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend
woord vindt, waar gij dat Astophia mede in verband kunt brengen: uw
zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet van huis te
gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren
naam van Stoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er
tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar
de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde
namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige
menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer
was, slechts een klank, een geluid." [285]
En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze
onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het
dorp Engelen, Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelik Arnout
Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen tot Arnoldus Arlenius,
en voegde er nog den griekschen toenaam Peraxylus by, »omdat hy in
een dorp over den Bosch ('s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was,
van de grieksche woorden per`a en z`ulon, over en hout, gelijk bosch
wel eens voor hout genomen wordt." [286] De bekende woordafleidkundige
Becanus, voluit Johannes Goropius Becanus genoemd, heette eigentlik
enkel maar Johannes. Hy noemde zich Goropius, omdat hy geboren was
in het gehucht Gorp; en Becanus naar den naam van het dorp Beek,
voluit Hilvarenbeek in Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder
behoort. De hedendaagsche geslachtsnamen Van Gorp en Van Gurp zijn
ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.--De beroemde taalgeleerde
Cornelis Van Kiel eindelik noemde zich Cornelius Kilianus Dufflaeus,
omdat hy van Duffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.
De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede
latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen
misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaam Viëtor op,
die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik
inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze
naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynsch lexicon
uitgaf, of liever zulk een woordeboek uit het Latyn-Hoogduitsch in
het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woorden Böttcher en
Büttner, en vertaalde die door kuiper. Maar het woord vieo, waar viëtor
rechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis van
vlechten. Viëtor is dus eigenlik de Vlechter. In anders nog al goede
Latynsch-Hoogduitsche Lexica, b. v. die van Freund en van Klotz, vindt
men nog dit woord vietor = Böttcher, Büttner, dat is kuiper. Maar in de
nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet: mandemaker
(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot manden vervlecht).
In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste
toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst
voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik
weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by
de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In
de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche
bevolking, komen ze hooftsakelik voor--byna uitsluitend. De oorzaak
van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral
de predikanten der Herformden waren, in de 16de en 17de eeu,
die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze
namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele
hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen,
eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen
predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever,
als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen
maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in
de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke
verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na
die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage
die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd
nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der
nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.
Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen
zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op
verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermeld en
verklaard. Naar die plaatsen (§ 22, § 55-57, § 71, § 122 en § 90)
kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene
eenvoudige opsomming.
Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen
zeldzaam. Als zoodanigen noem ik: Paludanus (oorspronkelik Van de
Moer? Van den Broecke? Poelstra? Broekstra?--want dat beteekent
deze naam); Sartorius, Pistorius, [287] enz. Alle deze namen zijn in
dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen
latynschen form vertoonen, slechts den uitgang us of ius achter eenen
nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v. Cuperus,
Cramerus, Vorstius, [288] enz. De geslachtsnamen Slaterus en Colerus
zijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namen Schlater
en Köhler. Ook Knottnerus schijnt my eene verlatynsching van eenen
oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.
Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan
nog: Acronius, Beilanus, Buranus, [289] enz. allen reeds op bl. 207
verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaam Alstorphius ontleend
is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen,
die Alsdorf heeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz
en by Aken) gelegen zijn.--Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn,
behalven de boven reeds genoemde naam Paludanus, nog Greidanus en
Greydanus (van greide, het friesche woord voor weide, grasland),
Heidanus (van heide, Van der Heide), Geesteranus, Grevinchovius,
Lindenhovius, Althusius (het oorspronkelike Althuis komt ook in
Nederland als geslachtsnaam voor), Neuhusius (deze twee laatsten
schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn), Nathusius, Heshusius
(Heshuysen komt ook voor), enz.
Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van
aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van
nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds
behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijn Arntzenius, Bolsius,
Borgesius, [290] enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche
tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden
in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke
grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden
ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het
zijn: Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides,
Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:
Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides
en Simonides.--Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen
ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan
byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis),
als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen
van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.
De geslachtsnaam Malcomesius weet ik anders niet te verklaren
als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een
(engelsch?) patronymikon--Malcomes--van den oud-schotschen mansvóórnaam
Malcom, eigenlik Malcolm ontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder
anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over
het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.
Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang
gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam,
die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is,
dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam
voorkomt. Zulke namen zijn Bekius (Beek); Bredius (Breed en Breet--zie
bl. 339), Cnopius (Knoop), Glasius (Glas en Glasz), Hondius (Hond,
De Hondt--zie bl. 377) en Hazewindus, Koppius (Kops? zie bl. 131),
Lossius (Los) enz. [291]
Friso en Gruno zijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst
doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche
mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen
eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt;
zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als
die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de
fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en
Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.
De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetsels a en
ab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden
gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in § 90. A Speculo
(zie bl. 362) behoort er ook toe.
De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamen Sanctorum, Oculorum,
Springorum, Stekelorum en Stikkelorum (zie bl. 462), mogen hier niet
onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en
spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen
form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat
zijn Gualtherie, Odolphie en Hilbrandie (oorspronkelik Gualtheri,
Odolphi en Hilbrandi), zie bl. 151; Althuizes, Althuises en Althuzes,
verbasteringen van Althusius (zie bl. 555); Kuperus, Kuperes, Couperus
en Kupaerus, van Cuperus; Kuipéri, van Cuperi (zie bl. 333); Piestoor
van Pistorius; Kuckulus van Cuculus, verlatynsching van Koekoek of
Cockuyt (zie bl. 382); en Horjus en Napjus. De laatstgenoemde naam zal
wel eene misforming zijn van Nappius, eene eenvoudige verlatynsching
van den geslachtsnaam Nap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook
de byformen Glazenap en Drogenap had. Maar Horjus, oorspronkelik
zeker Horrius, houd ik voor eene verlatynsching van het versletene
patronymikon Horje, eigentlik Horria, 't welk wederom een versleten
form is van den vollen oud-frieschen vadersnaam Horringa, die nog,
ook in den byform Horrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik
is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende
patronymikale geslachtsnamen Horring en Horrington. De oud-germaansche
mansvóórnaam Horro ligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als,
door den verkleinform Horreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaam
Horrekens, en aan de plaatsnamen Horsbüll en Horrstedt, beide dorpen
in Noord-Friesland. Verder aan Horrem, dorp by Keulen; Horringhausen,
gehucht by Altena in Westfalen; Horrington, in Somersetshire,
Engelland, enz.
Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch
van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat,
zal, zoo de geslachtsnamen Radix, Aries, Omen, Venus hem onder de
oogen komen, terstond denken aan de latynsche woorden radix, wortel;
aries, ram; aan omen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godin
Venus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed
nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. En Aries is eenvoudig
een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken
mansvóórnaam Arie, eene verkorting van Ariaan, dat weer eene
verbastering is van den vollen oud-romeinschen naam Hadrianus.