A. DE NOORD- EN DE ZUID-NEDERLANDSCHE GESLACHTSNAMEN.

Oorspronkelik en von Haus aus, om met de Hoogduitschers te spreken,

is er tusschen de geslachtsnamen van de noordelike en van de

zuidelike nederlandsche gewesten, van Nederland en België zoogenoemd,

geen byzonder onderscheid waar te nemen. En zulk een onderscheid

bestaat er dan eigenlik ook niet, en kan er niet bestaan. Immers

de schrijftaal is de zelfde in Vlaanderen en Holland, in Brabant

en Gelderland, in Limburg en Zeeland. Daar zoo wel als hier gelden

voor een en de zelfde taal ook geheel de zelfde taalwetten, die in

den volksgeest zelven gegrondvest zijn, en waar schoolmeesters en

taalleeraars niets aan veranderen kunnen--noch mogen, zoo zy althans

hunne roeping wel begrypen. En die volkseigene taalregels, die de

zelfden zijn noord en zuid van den Moerdijk, de zelfden aan Schelde

en Rijn, aan Maas en IJssel, die zijn het juist, volgens welke de

nederlandsche geslachtsnamen geformd zijn. De geslachtsnamen toch

zijn rechtstreeks uit den mond van het eigenlike volk voortgekomen;

zy danken hunnen oorsprong onmiddellik aan de spraakmakende gemeente.

Maar is er dan in hooftsaak geen onderscheid tusschen de geslachtsnamen

van Noord- en die van Zuid-Nederland,--in byzaken is dit wel het

geval. In de omstandigheid dat de Vlamingen, Brabanders en Limburgers

in Zuid-Nederland, sedert de scheiding tusschen noord en zuid, die in

de 16de eeu plaats greep, in vele gevallen eene andere spelling volgden

voor ons aller gemeenschappelike taal, dan de Hollanders en Zeeuen, de

Gelderschen en Friesen in de noordelike gewesten aannamen, vindt men

voor een gedeelte de oorzaak van dat onderscheid. En voor een ander

gedeelte is die oorzaak gelegen in eenige byzondere woorden die in

't algemeen aan de verschillende zuid-nederlandsche gouspraken eigen

zijn, maar in de noordelike streekspraken niet voorkomen. Als zulke

byzonder-zuidnederlandsche woorden deel uitmaken van geslachtsnamen,

geven zy aan die namen een eigen zuid-nederlandsch voorkomen, dat hen

eenigszins onderscheidt van de noord-nederlandsche namen. Zie hier

een paar voorbeelden. In De Brauwere, De Cueninck, Van Meirhaeghe,

Dierckxsens, Van Suetendael, Den Haene, enz. erkent iedereen terstond

byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen, omdat zy in hunne

spelling de byzondere zuid-nederlandsche kenteekenen vertoonen,

tegenover die zelfde namen in noord-nederlandsche spelling, en

die dan ook in de noordelike gewesten inheemsch zijn. Te weten:

De Brouwer, De Koning, Van Meerhagen, Dirksens, Van Zoetendaal en

De Haan. Eveneens in Van den Driessche (en het versletene Van den

Dries), Van de Cauter, Van den Bilcke, Van der Meersch, Schoesetters,

De Naeyer, D'Huyvetter, enz. omdat deze namen samengesteld zijn uit

woorden die slechts aan de zuid-nederlandsche gouspraken eigen zijn en

die in de noord-nederlandsche door anderen vervangen worden, zoodat

dan ook genoemde namen in de noordelike gewesten hunne tegenhangers

vinden in Van den Akker, Van der Weide, Ter Marsch, Schoenmakers,

Kleermaker of Snyder, De Looyer, enz.

Niet enkel wyken de zuid-nederlandsche namen in hun voorkomen van de

noord-nederlandsche af door de beide bovenvermelde oorzaken--maar

ook nog door de oude, ten deele zelfs zeer oude, geheel verouderde

spelling die aan velen hunner eigen is. Die oude, veelal middeleeusche,

of anders 16de eeusche spelwyze was eertijds even zeer gebruikelik

in de noordelike als in de zuidelike Nederlanden. Dat evenwel

zoo vele zuid-nederlandsche geslachtsnamen die oude spellingen

vertoonen, terwijl men zoo zelden noord-nederlandsche namen in dat

verouderde gewaad ontmoet, vindt zyne oorzaak in de omstandigheid

dat de Vlamingen en Brabanders in de middeleeuen en in de eerste

eeu van den nieuen tijd reeds vaste geslachtsnamen voerden, terwijl

de Noord-Nederlanders zulke namen toen, in den regel, nog geenszins

hadden. Die zuid-nederlandsche namen zijn ontstaan ten tyde dat die

nu zoo geheel verouderde spellingen in zwang waren, en zy zijn sedert

dien tijd steeds op die wyze geschreven geweest, en hebben die oude

schrijfwyze behouden tot op den dag van heden, al veranderde van tijd

tot tijd, van eeu tot eeu, de rechtschryving der nederlandsche taal ook

nog zoo zeer. Die byzondere zuid-nederlandsche geslachtsnamen leggen

dus, door de oude spelwyze waar in zy geschreven worden, getuigenis

af van den tijd van hun ontstaan, dus van hunnen ouderdom. In

Noord-Nederland kwam het dragen van vaste geslachtsnamen eerst veel

later algemeen in zwang. In de hollandsche steden begonnen eerst in

de 15de en 16de eeu de aanzienlike burgers, later ook de geringeren,

geslachtsnamen te voeren. Het gros der bevolking in Holland, vooral ook

ten platten lande, kreeg eerst in de 18de eeu vaste geslachtsnamen,

en in de overige noord-nederlandsche gewesten, vooral ook in de

friesche gouen, duurde het tot het begin dezer eeu, eer iedereen

eenen vasten geslachtsnaam had. Van daar, dat de noord-nederlandsche

geslachtsnamen in den regel geschreven worden volgens de spelregels

die in den nieueren, gedeeltelik in den laatsten tijd, in deze eeu,

in zwang waren en zijn. Van daar dat woorden welke sedert de 16de

eeu uit de nederlandsche taal verloren gingen, en woorden die dienen

ter aanduiding van zaken en dingen welke in den nieueren tijd niet

meer bestaan, of die thans andere namen dragen dan voorheen, in de

noord-nederlandsche geslachtsnamen niet meer voorkomen, zoo als in

de zuid-nederlandsche wel het geval is. En hier in is hooftsakelik

de oorsprong te zoeken en te vinden van het onwezenlike onderscheid

dat er bestaat tusschen de geslachtsnamen in de noordelike en in de

zuidelike Nederlanden.

Eenige byzondere, oorbeeldige zuid-nederlandsche geslachtsnamen mogen

hier nog eene plaats vinden. De nieuere formen, waaronder die zelfde

namen in de noordelike gewesten voorkomen, heb ik er achter gevoegd:

Van Eerdewegh en Van den Eertweg (Van den Aardweg), Vermeire (Vermeere,

Vermeeren en Van der Meer), Keersmaekers, [256] enz.

Zeer eigenaardige zuid-nederlandsche namen zijn ook Mispelters,

Notelteirs, D'Haseleire, enz. En eveneens D'Haeiere en Coorevitse. Ter

verklaring van den voorlaatsten geslachtsnaam wete men dat in vele

vlaamsche, brabantsche en limburgsche gouspraken een werkwoord haaien

(haeyen) voorkomt, in de beteekenis van halen, ophalen, iets te

zamen brengen door het een of ander op te halen, huis aan huis,

gelijk jonge lieden wel doen, die tegen Kerstmis, met St. Pieter

en St. Maarten, met Driekoningen-dag, enz. al zingende goede gaven

by de huizen inzamelen. Ook noemt men den bode van het gerecht die

de zettingen int, inhaalt, ophaalt, inhaait, hier en daar in de

zuidelike gewesten de haaier, in oude spelwyze d'haeyere. [257]

Dit is de oorsprong en de beteekenis van den naam D'Haeiere.

De wikken, verschillende soorten van planten uit het geslacht Ervum,

en die wel, vooral Ervum tetraspermum, als onkruid op onze akkers

voorkomen, dragen by het volk in de zuidelike gewesten, en ook wel

hier daar in Noord-Nederland, den naam van vitsen, vitse--door de

verwisseling van k en ts, die nog heden in de friesche taal veelvuldig

voorkomt: kerk = tsjerke, karn = tsjerne, enz. De wikke of vitse,

die vooral als onkruid in het koorn voorkomt, het bovengenoemde

E. tetraspermum, noemt men dus de koornvitse of korenwikke. Dit woord,

in het Luiker-Waalsch tot coirvèse verbasterd, is tot eenen vlaamschen

geslachtsnaam, tot Coorevitse geworden.

Natuurliker wyze treft men de zuid-nederlandsche namen meest in de

zuidelike gewesten, de noord-nederlandsche meest in het Noorden

aan. En dit is niet slechts in het algemeen het geval, maar het

komt zelfs ook zeer in het byzonder voor, veel meer dan men zoude

meenen te moeten afleiden uit de, toch niet zóó zeldzame wisseling

van bevolking tusschen het Noorden en het Zuiden. Oorbeeldige

geslachtsnamen, duidelik de kenmerken van hunnen oorsprong in het

Noorden of in het Zuiden vertoonende, treft men, over en weêr, buiten

de gouen waar zy oorspronkelik inheemsch zijn, slechts zelden aan. De

oorbeeldige vlaamsche geslachtsnamen op ynck, inckx, enz. eindigende

(zie bl. 42 en 46) komen slechts uiterst weinig voor in de noordelike

gewesten. Van de byzonder-friesche, op a eindigende geslachtsnamen die

in de friesche gouen zoo algemeen, en in de andere, vooral hollandsche

gewesten van het Noorden ook geenszins zeldzaam zijn, vond ik slechts

Bockma en Dykstra te Brussel, slechts Sinia te Gent. De oorzaak van

dit verschijnsel is hierin te zoeken, dat de wisseling van bevolking

tusschen Noord- en Zuid-Nederland sedert de laatste helft der vorige

eeu en sedert het begin dezer eeu heeft stilgestaan, of althans,

vooral sedert de tweede scheiding tusschen Noord en Zuid, sedert

den jare 1830, van zeer geringe beteekenis is geweest. Eerst in den

allerjongsten tijd is er weêr verandering--verbetering--in deze zake

te bespeuren. En het is vooral sedert de laatste honderd jaren dat

de vaste geslachtsnamen, althans in het Noorden, ontstaan zijn. In

de omstandigheid dat de Zuiderlingen eenige eeuen vroeger vaste

geslachtsnamen voerden dan de Noorderlingen, is ook de oorzaak

te vinden van het feit dat er altijd meer namen van zuideliken

oorsprong te vinden zijn in de noordelike gewesten, als omgekeerd. De

zestiende eeu hooftsakelik deed, wegens redenen van godsdienstigen

en staatkundigen aard, vele Vlamingen en Brabanders zich in de

noordelike gewesten, vooral in Holland en Zeeland vestigen. Ook

omgekeerd bracht toen de zelfde oorzaak vele Noorderlingen met der

woon naar het Zuiden. Die Vlamingen en Brabanders hadden nagenoeg

allen toen reeds vaste geslachtsnamen. En zy behielden die ook,

ten deele zelfs in hunne oude, weldra verouderde spelling, in hunne

nieue woonsteden. Maar die Noorderlingen voerden voor het grootste

gedeelte in die jaren nog geene vaste geslachtsnamen. En toen zy,

of hunne nakomelingen, zich vaste geslachtsnamen uitkozen, waren dit

meestal, op het voorbeeld der Vlamingen en Brabanders, onder wien zy

zich gevestigd hadden, ook vlaamsche of brabantsche namen, althans

in vlaamsche en brabantsche formen en spelwyzen, en daar mede ging

het bewijs van hunnen noordeliken oorsprong verloren. Of ook wel,

zoo deze Noord-Nederlanders by hunne verhuizing naar het Zuiden reeds

geslachtsnamen voerden, dan lieten zy, in hunne nieue woonplaatsen,

die namen, welke toch in den regel meer als toenamen, dan wel als

vaste geslachtsnamen golden, wel vervallen, en namen nieue aan. Waren

die oude namen friesche namen, dan was de onverstaanbaarheid daarvan

voor Vlamingen en Brabanders misschien wel de reden, waarom men ze

buiten gebruik stelde. Zoo lieten de leden van een friesch geslacht

dat de patronymikale toenamen Joenkema en Jariga voerde, en die in

het begin der 16de eeu te Mechelen zich met der woon vestigden, dáár

in Brabant die aloude namen varen, en namen (althans een van hen,

de beroemde kruidkundige Rembert) het verlatynschte patronymikon

Dodonaeus (dat is Doedes) aan. [258] Omgekeerd gebeurde het ook wel

dat de nakomelingen van Zuid-Nederlanders die in de 16de eeu in Holland

zich hadden neêrgezet, de oud-vlaamsche en oud-brabantsche spelwyzen,

die zy by 't schryven hunner namen, op het voetspoor hunner ouders

hadden gevolgd, lieten varen, en eene nieuere, hollandsche spelling

daar voor aannamen. Zoo komt b. v. de oud-brabantsche geslachtsnaam

Van den Eertwegh heden ten dage te Haarlem voor als Van den Aardweg;

de oud-vlaamsche naam Tydgaet eveneens te Haarlem als Tijdgaat. Verder

De Rynck en Van der Ghote, ook van vlaamschen oorsprong, in Friesland

als De Ring en Van der Goot, enz.

Haarlem en Leiden in de eerste plaats, waren de steden waar in de 16de

en 17de eeu vele Zuid-Nederlanders, uit hun eigen land verdreven of

gevlucht, zich met der woon vestigden. Daaronder waren vele wevers en

andere nyveren, en dezen brachten door hunne kunstvlijt aan Haarlem en

Leiden roem en voordeel, eere en rijkdom. Zoo is het te verklaren dat

nog heden in genoemde steden eenige byzondere zuid-nederlandsche namen,

behoorende aan de nakomelingen dier oude uitwykelingen, voorkomen;

ten deele in vernieude, verhollandschte spelling. Behalven de reeds

hier boven vermelde namen Tijdgaat en Van den Aardweg vinden wy als

zoodanig te Haarlem: Smissaert (ook in Vlaanderen), Kokkelkoorn (in

Vlaanderen Kokelkoorn), Strybos (ook te Antwerpen), Malefijt (als

Malefeyt en Maelfeyt ook te Antwerpen en elders in Zuid-Nederland),

Verkruysen (als Vercruysse in Vlaanderen niet zeldzaam), Wijkhuizen (in

Vlaanderen Wyckhuyse), De Laat (in Vlaanderen De Laet), De Breuk (te

Brugge De Breuck), Ego (ook te Kortrijk), Rybrouk (als Rybrouck, ook

als Reybroeck en Van Reybrouck, in de zuidelike gewesten inheemsch);

Lodder (te Haarlem) en De Loddere (te Kortrijk), Van der Elst (te

Brussel zeer algemeen), Van der Smissen (ook te Brussel), Proot

(te Haarlem, te Leiden en in Vlaanderen), Muylaert (in de zuidelike

gewesten niet zeldzaam), Overbeek (Van Overbeke in Vlaanderen), De Hoog

(D'Hooghe in Vlaanderen), Hazevoet (Haesevoet in Vlaanderen), Steenkist

(Van de Steenkiste in Vlaanderen), enz. Buitendien nog in het Noorden

De Ring, Van der Goot, Van der Plaats, Korthals, enz. tegenover De

Rynck, Van der Ghote met het saamgetrokkene Vergote, Van der Plaetse

en het saamgetrokkene Verplaetse en Corthals in het Zuiden. Velen van

deze uit het Zuiden naar het Noorden verhuisde maagschappen behooren

nog heden tot het Doopsgezinde kerkgenootschap, en maakten nog in de

vorige eeu de byzondere, vooral in Holland en Friesland verspreide

kerkgemeenten der zoogenoemde Vlaamsche Mennisten uit (Van der Smissen,

Van Mesdag, Overbeek, Van der Goot, Van der Plaats, De Ring, enz.),

ten bewyze dat hunne voorvaderen om hun Protestantsch geloof verdreven

waren uit de zuidelike gewesten, waar zy van ouds gezeten waren en waar

de Katholyk geblevene leden hunner maagschap nog heden gezeten zijn.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 34 / 42 题