§ 151. Zoo men de nederlandsche geslachtsnamen, en de vreemde
geslachtsnamen in Nederland voorkomende, beschout volgens
hunne aardrijkskundige verdeeling, en volgens hunnen oorsprong in
aardrijkskundigen zin, dan levert die beschouing ook menige belangryke
en merkweerdige byzonderheid op. Zy doet ons reeds aanstonds twee
hoofdgroepen van namen, in aardrijkskundigen zin geordend, kennen. Te
weten: de nederlandsche geslachtsnamen, die aan byzondere nederlandsche
en nederduitsche gewesten eigen zijn, zoo wel binnen als buiten de
staatkundige grenzen van Noord- en van Zuid-Nederland, als ook in
vreemde landen. En dan de vreemde, de onnederlandsche namen, van
verschillende volkeren afkomstig, uit verschillende vreemde talen
oorspronkelik, die in de Nederlanden voorkomen. Elk van deze twee
hoofdgroepen vervalt weer nader in onderdeelen.
Beschouen wy eerst de zuiver nederlandsche namen, die aan byzondere
gedeelten van het geheele Nederland eigen zijn, dan doen zich, als
eerste onderverdeeling daarvan, ten eersten voor: