§ 137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen,
ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal
voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de
namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt
zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker
wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop
betrekking heeft.
Nemen wy in d' eerste plaats de namen van metalen, dan vinden wy als
zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, Silver en Zulver,
volgens de volksuitspraak in vele streken. Verder Koper, Yzer, Lood en
Loot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de
geslachtsnamen Staal, Koudstaal, Coudyser, Coudyzer en Caudyzer met
Hardyzer. Koperdraat en Yzerdraad (met het hoogduitsche Eisendrath)
behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamen Van Koperen
en Van Yzeren breng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en
weet te duiden.
In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten,
enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Marmelstein,
Bruynsteen, Granaat, Saphier en Diamant. De drie laatstgenoemde
namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van
kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen,
»De rouwe Diamant" komt ook als huisnaam voor te Amsterdam, [230]
en kan aan den geslachtsnaam Diamant ten grondslag liggen. By
het israëlitische geslacht dat den naam van Thopas draagt, zal de
oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in
edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam,
aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen
geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De
maagschapsnaam Agaat heeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn
ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling,
omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik
als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had. [231] De
geslachtsnamen Pecsteen, Wecksteen en Weeksteen, waar van de oorsprong
my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. Maar
Wetstein is aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen"
is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik
echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukker Hendrik Wetstein
bewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17de eeu. [232]
Of de hedendaagsche maagschap Wetstein echter de zelfde is als die
van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik. Hoekstein en Hoeksteen,
met Eckstein in hoogduitschen form, en met Exsteen, kunnen ook tot
deze groep gebracht worden. Verder Smalt, Gips, Krijt, Roodzant,
Schulpzand en Stuivesand met Stuyvesant. Naardien echter »het Roode
zand" de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de
vraag of de geslachtsnaam Roodzant niet veeleer had behoord vermeld
te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte
nog de oude maagschapsnamen Moerenclaey en Moerentorf (moer, moeras;
claey, klei; torf, turf) met Kuindertorf (turf uit de Kuinder, een
vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel
turf uitgevoerd werd).
G. GESLACHTSNAMEN, ONTLEEND AAN HET HEELAL, AAN NATUURVERSCHIJNSELEN,
JAARGETYDEN, BYZONDERE DAGEN, ENZ.
§ 138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als
huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de
hand om de geslachtsnamen Zon, Son, Maan, Maen, De Maan, De Maen
en Van der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der Star en Van
der Starre te verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal
dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen
geweest zijn. Zoo mede van Morgenster, Sevenster en Sevenstern. Tot
verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft
men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in
de geschiedenis van Klaasje Zevenster het geval is. Immers kwam
oudtijds »de Zevenster" zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En
nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht
Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den
oorsprong der geslachtsnamen Zonligt en Maneschijn, die ook in
hoogduitschen form als Sonstral en Sonnenschein in de Nederlanden
voorkomen. De maagschapsnamen Avontroodt en Schemering zijn als de
tegenhangers van Zonligt en Maneschijn, en, wat hunnen oorsprong
betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte
der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by:
Lugt en De Lugt, De Wind en De Windt, Storm, Storme en Sturm [233],
enz. De maagschapsnamen Regenboog en Regenbogen komen niet zeldzaam
voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog" kwam
oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te
verklaren. Den naam Regenbogen meen ik niet als een meervoudsform te
moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelik Regenboge geweest,
volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge,
bage). Door onverstand, meenende in boge eenen, op hollandsche wyze
uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven,
eene n achter gevoegd. De geslachtsnaam Renneboog vertoont eenen
samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en
Engelsch het woord regen als rein en rain voorkomt. De maagschapsnaam
Vonk is, ook in den form Vonck, veelvuldig over vele nederlandsche
gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, als Vonks en Vonckx
komt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen
naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig
voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.
De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde
vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan
uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe
mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen
aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen
oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier
de geslachtsnamen Lente, Zomer en Somer, Herfst en Winter, met De
Winter en De Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds
ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik
man die Boudewyn de Wyntere heette. [234] De geslachtsnaam Lente kan
oorspronkelik ook de naam zijn van het gehucht Lenthe, onder Dalfsen
en Heino in Salland, waar de maagschapsnaam Van Lenthe zonder twyfel
ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen
uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden--dan vinden wy vooreerst als
zoodanig den naam Lente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als
een andere form of uitspraak van den mansvóórnaam Lante, Lanto, Lando,
die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is. Brons vermeldt in
zyne Friesische Namen Lente als een vrouenaam. De patronymika Lentink,
in Nederland als geslachtsnaam, en Lenting, in Beieren, by Ingolstadt,
als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaam
Lente aan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaam
Lentelink, die geformd is van den verkleinform Lentele (Lentelyn).
Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche mansvóórnaam, ook
door Förstemann vermeld. De hedendaagsche geslachtsnaam Somer, Zomer
kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale
formen Somers en Somering, die ook als geslachtsnamen geenszins
zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.
Wintar vind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam in Förstemann's
Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter en Zomer), deze namen
droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar
ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen
mansvóórnaam Winidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam
voor. De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen van
dezen ouden mansvóórnaam.
Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen Meert,
April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen April en De Mey in
der daad aan de namen der maanden ontleend. In Julij kan een vadersnaam
schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaam
Julius. Terwijl Meert eene verkorting kan zijn van den kerkeliken
mansvóórnaam Martinus, die in sommige nederlandsche gouspraken tot
Meerten geworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam
Meertens. In Koelemey schuilt mede de naam van de maand Mei.
Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te weten
Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag met Vrydag, Vridagh,
Van Fridagh, het hoogduitsche Freitag en in patronymikalen form
Vrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen
kwamen Maandag en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my slechts
eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag" en eenen »Donderdag" echter
heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel
of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak
mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.
Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen,
dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoogduitsche Neujahr en
het patronymikale Nieuwejaers. Drykoningen; deze naam kan ook zeer
wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen"
oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men in Van Lennep en Ter
Gouw's Uithangteekens (dl. II, bl. 76) nalezen mag. Verder Vastavond en
als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog Paschen en Pinkster
met Van Paesschen en Van Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn
my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de
geslachtsnamen Vierdag en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor
eene halve verdietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam
(?), die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, Mesdach,
een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche
kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam
ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans
in de noordelike gewesten inheemsch, heeft een van daarby genomen,
en heet nu Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale
strydende form als Van Paesschen en Van Pinxteren. De volksuitspraak
neemt geerne eene t achter sommige letters (zie § 156). Zoodoende
komt de naam Mesdag ook voor als Mestdagh en Mestdach, en is, in dezen
form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.
Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen Nieuwentijt
en Ouendag, Tijdgaat (zie § 148), De Zaeytijdt, Duurentijdt en Ontijd
vermeld worden.