E. GESLACHTSNAMEN AAN HET PLANTENRIJK ONTLEEND.

§ 135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar

ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de

geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten

daarvan, in 't algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig,

zijn nog veel meer in aantal.

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen

plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen

draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders

byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by

stond. Men noemde zulk een huis dan wel: »het huis onder de linde",

of »by de eiken", of »by den peereboom". En zulke huisnamen gingen

weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder

de linde", of »Bartold by de eiken", of »Hubert van den peereboom"

noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde", of »Berthout van de

Eiken", of »Hubrecht Peereboom." Ook droeg in de nederlandsche steden

van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene

plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werk

De Uithangteekens van Van Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige

voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de

lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden,

van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy:

de Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen

voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appel

en de Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad,

enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste

geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk

afkomstig, verkochten. Hein, de worteleboer, werd al spoedig Hein

Wortel genoemd,--Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde men

Bartel Coolsaet of Barthold Rogge,--Pieter, de kruidenier, kreeg den

bynaam van Pier Peper. En Levi, die »spaansche fruiten", gelijk onze

voorouders zeiden, ventte, heette eerlang Levi Citroen, terwijl men

Krijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen

ter markt bracht, slechts kende als Krijn Langeraap. En al die bynamen

zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had,

blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy

bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.

Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen

en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de

geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten Boom en Onder den Boom. Omdat Boom

ook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik

den geslachtsnaam Van Boom liefst verklaren als van dezen plaatsnaam

afgeleid. Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog:

Appelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, Noteboom en Neuteboom,

Palmboom, Peereboom, Rozeboom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom

en Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op

gaande en kegeldragende boomen--van daar ook het Mastbosch by Breda en

elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is

my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer

als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk

dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten,

de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelenboom

verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam

van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van ekkelkoffi (fijn gestampte

gebrande eikels), van ekkelspek (het spek van varkens, die met eikels

gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaam

Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den

eikel is aker. »De Akerboom" kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam

als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er

nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam; [228]

misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen

heette De Akerboom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven

de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De

geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van

den boom, dien men ook sevenboom, savenboom, savelboom noemt,

dien de geleerden Juniperus Sabina noemen, en die oudtijds by

het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam Slijboom houd ik

voor eene verbastering van Sleeboom, het welk de naam is van den

Prunus spinosa, dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer wijl de sleeën,

vruchten van dezen boom, in Groningerland sleien worden genoemd. In den

geslachtsnaam Slebos vindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort

terug; slebos, verbastering van sleebosch, een nederlandsche form van

den hoogduitschen geslachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden

voorkomt. Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen

Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaam Slebos ook tot

de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie

bl. 212. Toch is, am Ende, de dorpsnaam Schlebusch ook weêr ontleend

aan den naam van den sleeboom. De teeboom, waaraan de geslachtsnaam

Teeboom zynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel

op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een

oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende

boomen is kienboom. Kilianus heeft »Kien-boom, kien-hout, pinus,

teda." In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den

geslachtsnaam Kieboom.

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op

zich zelven, zonder het woord boom daar achter. Dit zijn Hagedoorn

en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D'Hulst. Verder De Linde (kan ook

de riviernaam zijn, zie bl. 243) en De Lynde, Louwerier en Lourier

(hollandsche uitspraak van laurier), Palm en Popelier.

Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt

men »stok" in plaats van »boom"; b. v. »wijnstok" en »rozestok". De

geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn oorspronkelik deze woorden.

Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere,

tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit

woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree,

en in de skandinaafsche als träd en træ, boom, was oudtijds ook

eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en

geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in

de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, appelboom), Appeltern,

een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, en Appelterre, een dorp

in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem. [229] In sommige gouspraken

is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in

leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam van

mispelteer, de vlierboom heet daar holenteer, overeenkomende met

het hoogduitsche woord Holunder (der = boom); en de jeneverstruik

wachelteer, hoogduitsch Wacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige

zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ook appelteer,

appelteir, appeltere, overeenkomende met het engelsche appletree,

en den noteboom notelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die

eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze

oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn Mispelter,

Mispeltier en, als patronymikon, Mispelters. En Notelteirs, dat my

ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De

geslachtsnamen Hagedoorn, Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos,

Hoogendoorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.

Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden,

en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik

is, bestaat uit de lettergreep laar (lare, laere, leer, lere). Zoo

spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenen appelaar,

voor appelboom; van eenen kerselaar, mispelaar, neutelaar, enz. voor

kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen

vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als

zoodanig zijn my bekend de namen Appelaar, Perelaer, De Haeseleer,

D'Haselaer en D'Haseleire (haselaar = haselnoteboom), Kersselaers,

Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De

Rozelaar, Roseleer en Rooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der

zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aan

boomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen,

die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik

b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom en Raeckelboom niet

te verklaren; en Göljenboom evenmin. Ook Boerenboom, Boerboom en

Bourboom zijn my zoo min duidelik als Slotboom en Soeteboom. De

geslachtsnamen Graanboom en Meelboom kan ik my slechts voorstellen,

als uit spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van

boschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden als

bosboom, boksboom, buksboom, hoogduitsch Buxbaum, de soms boomachtige,

welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den

naam van palm draagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamen

Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud woord kwekke, kweke, kwik,

dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woord kwikborn,

levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne

(zie § 165). Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachtsnaam

Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen Dorreboom en

Dorrenboom.--Hoogeboom, Holleboom, Dikboom en Oldenboom (oude boom,

in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam

Heyligenboom zal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld

van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen,

waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook

kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog

uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering

van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog

na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders,

soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en

noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan

zynen toenaam ontleenen.--De geslachtsnaam Meiboom en Meyboom kan,

ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen

naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom", die in vele

germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de

huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste

en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien

een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef,

misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval

gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom

was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.--De beteekenis van den

naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude het oorspronkelik beerboom,

hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?

Nevens deze boomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die

met het woord hout zijn samengesteld, en die met de boomnamen veelal

na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen: Ebbenhout, Eekhout,

Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. Verder Langhout,

en, in saksischen form Lankholt, Witholt, Kromhout en Cromhout,

Drijfhout, Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaagsche geijkte

Nederlandsch «eikenhout," komt in verschillende formen voor; als

Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen

form als Eicholtz, enz. Verder nog Van den Eeckhoutte, Van den

Eeckhautte en Van den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenhout komt

ook voor als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form; als

Boekhold en Boekholt, in saksischen form; als Bouchout en Bouckhout,

in vlaamschen form; verder nog als Boekhout, Bucholtz, enz. Schelfhout

komt in Brabant ook als Schelfaut en Schelfhautte voor. Burgerhoudt en

Tuinhout behooren mede tot deze groep. Eveneens Van 't Lindenhout en

Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig

hout", dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.

De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof en Eckhoff, allen

een hof van »eeken" of eikenboomen aanduidende, Beukenhof, Berckhof

en Berckenhof, Appelhof, ook Lindenhovius in verlatynschten form,

enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke

verder bl. 278.

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die

samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel,

meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v. Van Eik,

Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun

ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte

of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond

van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze

groep van namen behooren nog Van den Peereboom en Van den Peireboom,

Van den Kieboom (zie bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van

den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek,

Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamen

Vijf-Eiken, met Van Vijfeyken en het kwalik gespelde Veyfeyken,

van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen

zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet;

te weten van Dreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaam

Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze eiknamen kunnen

ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen als Eik, Eecke,

Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens

aan den eik (als boom) ontleend. Ek in Van Ek en Van Eck kan ook

plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek." Verder Van der Wilgen,

Van de Willigen, Van der Willigen, Verwilghen en Utterwulghe (zie

bl. 257);--Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van

den Elsen en Van den Elzen met Verelzen. Verbueken, met Verbuecken,

is een brabantsche form voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der

Linde (dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nog

Van der Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Verlint. Dan

nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme (olm is de

zuid-nederlandsche naam van den yp), Van de Peppel (peppel of pappel

of popel is de nederlandsche volksnaam van den populier). Van de

Wijngaert met Van de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De

geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in

de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor,

als Van den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs,

door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak, als Van den

Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehucht

Abeele op het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen,

ten grondslag liggen. Den geslachtsnaam Van der Palm eindelik zoude

ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam

van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als

gevelteeken was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in

Nederland voor; wel vinden wy »De Palm" als huisnaam.

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen,

hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer

algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, Van den Bussche, Van 't Wout,

Van der Woude, Van de Woude, Van 't Hout, Van Houte, Van Houtte,

Ten Houte, Op 't Holt, Bymholt (zie bl. 253), Van den Boom, Verboom,

Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha,

Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit

werk vermeld zijn.

§ 136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds

talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke

bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen

en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden

samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke

ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en

vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan

de namen van geheele planten: Byvoet, ook in patronymikalen form als

Byvoets voorkomende; Hoppe, Thijm, Braam en Braem, Brem, Roosemarijn,

Boekweit, Klaver en De Klaver, Coorevitse (zie § 151), Vlas,

Dopheide, Bies en Biese, Quakernaat, Gras, Graan en De Graan, Tarwe

en Taerwe, Rogge, Geerste, Haver, Spelt en Koorn. De geslachtsnaam

Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik of krodde (Sinapis

arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hederik, Hadarik ook

een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men in Förstemann's

Altdeutsches Namenbuch kan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor

te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, in Duitschland als Hederich

voorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.--De maagschapsnamen

Oudegerst en Oltrogge moeten ook tot de graannamen worden gerekend,

even als Tervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.--Mos en Schimmel

zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken,

ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend

aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam

»Schimmel" wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik

het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan

ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte

behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamen Kruid,

Kruyt (hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid.

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen

en planten aanduiden, noem ik hier: Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad

(met Kleeblad, klaverblad), Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt,

De Vrugt, Fruit, Bes, Pit en Kern.

In de maagschapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voorkomen, zoo

als ook de hoogduitsche formen van dezen naam, Blum en Blume, als

geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik

zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woord bloem. Immers Blom,

Bluoma is een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de

Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer

vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche)

geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.

De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aan

algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn de geslachtsnamen, van

de namen van byzondere bloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem

ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose,

Rose, Roze, met Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely en

Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend

aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie." Vervolgens

Tulp, Boterbloem, Distelbloem, Vlasbloem en Vlasblom, Korenblom,

Heyblom. De geslachtsnamen Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn

inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn

van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer

hoven. De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere verklaring,

al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis

van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende

uitdrukking voor leugens--»die blaue Blume der Romantik") moet gedacht

worden. Kleinbloesem is een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.

De maagschapsnamen Mispelblom en Gelderblom zijn wellicht hier minder

op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde,

of in § 128, by de namen aan huisteekens in 't algemeen ontleend. De

bloesem van den mispel, de »mispelblom" was afgebeeld op het oude

wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche

bloem" en »de geldersche roos" of »Roos van Gelre" genoemd. Van

Lennep en Ter Gouw zeggen er van, in hunne »Uithangteekens", dl. I,

bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen

de Geldersche Blom uit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de

Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens

van Lochem en van Deutinchem terug vindt."

Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Rose, enz. in alle gevallen

oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins

beweren. Immers Ros, Rose is een oud-germaansche mansvóórnaam, die

als zoodanig in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En

dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland,

zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldt Leendertz in zyne

Naamlijst (Navorscher XXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de

verklein-form van dezen naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons

nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Rose,

enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op

bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins

zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen,

zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen

ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot met Neut en De Neut,

komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen: Appel, Den Appel en

Houtappel (ook in hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de

vrucht van den wilden appelboom). Citroen, Pruim (zie echter bl. 212),

Olijff, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel,

Kokernoot, Haasnoot, Corstanje en Carstanjen. Eenigen dezer namen

(Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen

geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.

Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamen

Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quaesaet (kwaad zaad, zaad

van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd

worden de geslachtsnamen Koolsaet en Coolsaet, Lijnzaad en

Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik

wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad

handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen

oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil

van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namen Raepsaet,

Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, Ripsaam en

Riepsame.

De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren ook tot de

zaadnamen; en eigenlik eveneens Haverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408

reeds vermeld.

Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het

plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der

menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen

van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de

geslachtsnamen Peper, Kaneel, Caneel en Canneel, Sucaet, Comijn,

Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Kervel, Koffy, Coffy, Thee,

Tabak, Toeback en zelfs Tobback. Verder Zoethout (met het hoogduitsche

Süssholz), Siepel, Juyn (sipel is de friesche, juyn of juun (ajuin)

de zeeusche naam van de uie), Juynboll, Peperwortel, Radijs, Langeraap

en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen Balsem, Pik en Hars

te worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit

het plantenrijk.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 23 / 42 题