B. GESLACHTSNAMEN AAN PERSOONLIKE EIGENSCHAPPEN ONTLEEND.

§ 124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van

anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn

lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding

van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden

veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne

omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,"

»de dikke," »de manke," als zy lang of dik zijn van lichaamsbou,

of wel kreupel zijn--of als »de goeie," »de vrek," »scherp" als

ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp,

vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te

recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn

ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike

eigenschap--toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d' ooren

van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min

beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men

geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen,

aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt

hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie," »de lamme," »de

bult," »mankpoot" zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten

soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt

genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het

laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die

alzoo genoemd worden--en de personen wien het aangaat die bynamen

zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.

Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen

der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van

zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel

in geschriften van lateren tijd, van de 16de en 17de eeu, worden de

personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid

of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven

schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als

»Harm Gerloffssoen gezegd Witkop"--»Govert Claessen, dien men noemt

Crombeen"--»Egbert Wilminck genoemt de Stercke" komen dikwijls voor

in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten

jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan

Scrobbe, alias Cromhals"; [169] een burger der stad Alkmaar, ten

jare 1514, heette »Willem Roothooft" en zekere »Dirrick Coevoet" was

in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem. [170] De naam eener

vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie

Onbeleefd", [171] en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen,

in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse." [172] En om nog een paar

voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan

te halen van J. ter Gouw, voorkomende in diens werk Amsterdamsche

kleinigheden--Amsterdam, 1864--bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder

namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers,

brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u een Luitenant Leepoog

tegen, en daar de makelaar Laurens het houten aangezigt. Hier ontmoet

gij een deftig poorter, dien ge als Jonge Jan Doet er niet toe hoort

aanspreken; elders is het de eerzame Dirk Dirksz, die, om hen van een

anderen dubbelen Dirk te onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt:

»Zoon van bezeten Lijsje!" Ten jare 1600 waren er te Delft burgers

die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld

staan; by voorbeeld Mr. Jan Smeer-de-borst en Frans Mont-van-de-hel

(zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja,

zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen

van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend,

laten welgevallen. Men denke aan namen als Floris de Vette, Karel

de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult,

Zwarte Margriet, enz.

Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is,

daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik

was, getuigen; Xenarchus Metretes, de dronkaard; Phocion Chrestus,

de goede; Pittacus Soropada, breedvoet; Marcus Curius Dentatus, de

getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen

heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke

bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren,

leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12de en 13de eeu kennen

wy eenen Frank de roode (ten jare 1050), Giselbrecht de zwarte (1225),

Ekbrecht de kale (1162), [173] eenen Willem Eenoog, Reiner de kleine,

[174] enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van

de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan,

langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook

in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen: Reinska langhe Symens

dochter," eene leeuwarder vrou ten jare 1534. [175]

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet

anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst

gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de

kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren

die alle leden van een zelfde geslacht droegen,--tot dat zy eindelik

geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen

werden. En deze zaak heeft zich in der daad zeer veelvuldig aldus

toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande,

en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere

persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten

bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde

kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben

tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage

zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaam De Rooi voert,

om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander die

Kroese heet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden

van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy kunnen, ja, louter

op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik verklaard

worden door d' omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls,

ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks

van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naam Kroeseklaas.

§ 125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend,

en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche

gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die

hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke

ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven

der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden:

De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde:

De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die

als schoonheden of volkomenheden gelden (Scheele en Slingervoet

tegenover Schoonooghe en Zwaanshals),--ook goede en kwade eigenschappen

(De Brave en Welgemoed tegenover De Quay en De Sot) komen gelykelik

voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze

geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of

zonder een lidwoord (Schele, De Lange),--dan wel of het zelfstandige

naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze

onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als

tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde

opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen

afgeleid, mogen de ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen

aard zijn.

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.--De Reus en Reuse

behooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan:

De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De

Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en

kleen door elkanderen genomen. De form kleen is tegenwoordig nagenoeg

volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal;

althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar

deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend

met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschen

klein en kleen. Het eerste woord is het latynsche parvus; het tweede

het latynsche minutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo

verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel

naukeurig tusschen klein en kleen. De Vlamingen doen het nog heden

wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben,

te weten lîts == klein == parvus, en klien == kleen == minutus,

eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordje klien in Friesland

en kleen in Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het

taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De Corte, De Kort, De Cort,

De Curte, Kort. Ook D' Hooghe, De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag.

De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer dikke man, zoo dik

als twee, als een dubbelde man), met Maegherman, Magherman, Magerman,

Mager. Ook Schrale en Schraal.

Den Breejen, De Breejen, Breed en Breet, met Smale en Smal.

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen,

Dauwe (D' Auwe, brabantsch, ook als patronymika Dauwen en Sauwen,

zie bl. 185), Doude (D' Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en

Oudemans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De Jong, De

Jongh, De Iong, Jonge en Jong. De geslachtsnamen De Jonge, enz. zijn

zeer algemeen en komen zeer veelvuldig voor. Menige zoon droeg den

zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te

onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig

het byvoechsel »de Jonge" of »de Jong" achter zynen naam te plaatsen,

terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de

Oude" achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts

persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen

over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.

Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst

voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten,

waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, Klein, De Lang en

De Jong zijn uit der mate talrijk.

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden

nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Sterke, De Staercke,

Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struys en misschien ook De Stuers,

aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy van De Strues,

De Struys--(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van

lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden

in gebruik is). Dat de geslachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond

hier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond,

dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt

nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan

ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel)

noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik een bynaam

geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den

geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap

van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.

Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, De Schoonen,

Schoone, Schone, Schoon, met Schoonhoefd, Schoonheere, Schoonman en

Schoonejongen. Verder De Fraeye, De Mooi, Mooy en Mooi, met Mooyekind,

alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hübscher). De afleiding

van de geslachtsnamen Schone, Schoone en Schoon van het byvoegelike

naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker,

hoewel daar aan by De Schoone (wegens het lidwoord), Schoonheere,

enz. geen twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche

mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen

(Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men

in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch op den naamstam Skauni == de

schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamen Schoninga, Schoonie

en Schoentjens op bl. 73 vermeld.

De geslachtsnamen De Recht en De Regt, in tegenoverstelling met De

Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo

ook Stotteraar.

Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blankaard, Blanquaert,

Blankert, De Blancke, Blancke en Blank aan eene algemeen-lichamelike

eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter

de geslachtsnamen Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts

eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaam blank

(van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102

aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is.

De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel de zelfde

beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid

van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen

beschou ik de geslachtsnamen Donker en Doncker, met het patronymikon

Donkers.

By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid

duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het

geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn

de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert oorspronkelik

bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen

was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naam

Blauwaert is geformd als grijsaard, als Caluwaert, Scheluwaert

(zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou men in het Hollandsch

zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de

geslachtsnamen Blaauw, Blaeu, Blaau, Blau en Blauw eveneens aan deze

byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen

zeer twyfelachtig. Deze namen kunnen ook eenvoudig bestaan uit den

oud-germaanschen mansvóórnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan

heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt

Förstemann's Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouenaam Blawa,

en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen

patronymikalen geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend,

dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woord Blaauw als

geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in

dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra noemde. In

myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer, Blauwstra

geheeten, gekend.

Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze groep gerekend

moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien

werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen,

als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze

huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg

om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven--de naam

Groen is geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante

geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van

dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaam Gruno (zie 29)

in schuilen? Ei ja toch!

§ 126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de

algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te

weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere

eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen

wy in d' eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van

het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:

De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit met De Zwarte,

De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, Zwart en Swart, en met de

patronymika Swarts, Zwarts, Swartz, enz. Verder De Roode, De Rooy,

De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De

Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe,

De Graauw, De Graeu en De Schiere en Schiere. De twee laatste namen,

van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woord skier,

dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik

is. Over de patronymika van den naam De Graauwe, Graauw afgeleid,

zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De Bont, Bonte en Bont

reken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker,

met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins

zeldzaam. Verder nog Wittebol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol

en Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam Gryspeerdt,

in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het

schijne. Gryspeerdt toch is eene verbastering van Grysperre, zoo

als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de

gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en

Grysperre ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre"

is letterlik grijs hoofd, gryze kop; »perre" is een oud-vlaamsch

woord voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in

sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan" = op het hoofd staan,

met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan

er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. De Wit),

dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden

zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets

anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v. Wit,

Bruin). Dan kunnen deze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn

als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen,

ook by onze voorouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en

Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen,

in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch. De vóórnamen Witte (men

denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno worden heden nog wel door

Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika,

zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v. Wittinga, Witting (ook in

Engelland, met Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Witsen,

Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en Rhodens, met Rooikens

(dat is Rodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de

geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruishaar (kruis in dezen

naam is eene verhollandsching van het saksische en frankische krûs,

kroes), Fijnhaar en Lankhaar. Als tegenhanger van Kruishaar kwam in

de vorige eeu de geslachtsnaam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de

geslachtsnamen Krul, Krull, Crul, Krol en Crol ook hunnen oorsprong

in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig,

Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen

ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft

oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, Kaal, Caluwaert,

verbasterd tot Callewaert, en als patronymikon Calluwaerts. Caluwe,

kaluw is de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest

byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche,

meest byzonder-friesche woord kaal, zuiver friesch keal. De woorden

caluwe, kaluw en kaal, keal staan in de zelfde verhouding tot

elkanderen als zwaluwe, zwaluw, friesch sweal, engelsch swallow;

als het vlaamsche geluwe, engelsch yellow, hoogduitsch gelb (b =

uw), hollandsch geel, friesch giel; als schaduw, engelsch shadow,

zuiver friesch skaed, in de friesche steden ook skat, hoogduitsch

schatt(en). Caluwaert, letterlik in het Hollandsch kalert, is geformd

als grijsaard.--Dat kruse, kroese oudtijds ook als een mansvóórnaam

in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale

geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van

hoofddeksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te

danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluifhoofd

is minder duidelik. Zou Kluifhoofd niet in de plaats staan van

Kloofhoofd? Kluiven, kluifjes toch zijn gekloofde beenderen. Kloofhoofd

zou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd

(schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v.,

als 't ware door midden was gekloofd geweest, waar van hy zijn leven

lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. En Brooshooft

kan een bynaam zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door

eene ziekelike aandoening, byzonder broos waren, zoodat zy, ook by

geringe aanleiding, lichtelik braken.--De maagschapsnaam Schoonhoefd

(hoefd == hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van

den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Breebaart, Langebaerd en

Langebaard, Robaert en Roobaart, Schoonbaert en Witbaard, welke geen

van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan

der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene byzonderheid by ons

oorspronkelik blonde, blau-oogde volk), Liefhooghe, Schoonooghe,

Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), Wijdhooge en Wijdoogen. In de

namen Liefhooghe en Wijdhooge is, door misverstand, eene h vóór de

eerste letter van het woord oog, ooge, ooghe geplaatst. Deze namen

zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die de h niet uitspreken,

zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen

haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boekenoogen ook

tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan

ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheele en Schele

zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een vlaamsche

geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlik

schelert is in het hollandsche taaleigen, even als caluwaert en

kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde verhouding

tot het hollandsche scheel, het friesche skîl(ich), als caluwe staat

tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen

een scheef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat is schelve,

scheluwe.--De Blinde, De Blende en Blindeman zijn maagschapsnamen

die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben, voor zoo verre my bekend is,

slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aan Den Dooven

namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan

dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my

nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking

hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer

gevoelig punt voor de menschelike ydelheid. Bynamen die gebreken

van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods

welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een

leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden

neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als

»langneus", »wipneus", »klompneus" wel gegeven, niemand laat zich zoo'n

bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel

minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus"

wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten by Ovidius Naso. En

ook het enkele De Neus en Neus is my wel als een nederlandsche

geslachtsnaam voorgekomen; zie § 139. Maar deze eenvoudige namen

laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft

met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen Suermondt,

Guldemond en Goudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, Iserbyt

en Quatant. Een »zuurmond" is een mond, die door eenen byzonderen

trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt,

wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel";

te Leeuwarden »suertoet";--»toet", »tuit" is mond. Guldemond of

Goudemond is een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen

zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaam

Chrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers

recht volksaardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor

de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namen Iserentant,

Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit

heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde

beteekent Quatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten

naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering,

eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is

het nu!--De geslachtsnamen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173

vermeld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, den kwaden

Johannes, kan men ook beschouen als versletene patronymika van dezen

bynaam Quatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen

Corthals en Korthals, Cromhals, Langhals, Scheefhals en Schevenhals,

Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg

zijn. Schevenhals komt door verkeerde uitspraak en misspelling ook

voor als Schevenhels en Schevenels.--Dichters mogen eenen blanken,

slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik

niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen,

die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden

aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen

aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na: Schoonman,

Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoonooghe zijn de eenigste

uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van

onverschilligen aard zijn, als de Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies

wil ik by de verklaring van den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken

aan den aardrijkskundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt

heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel

geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. 'T Swaenshals

was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu.

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam voor iemand

die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt,

zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek,

melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich" zegt men te Leeuwarden

daar voor.

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt,

niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend

zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant"

was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare

1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers

een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de

hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de

nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men

Van Lennep en Ter Gouw's Uithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent, is my niet

duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche bynaam,

duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam

voorkomt.

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been

en voet ontleend zijn: Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen,

Spillebeen, Strakbeen, Roodbeen zijn namen die geenen uitleg eischen,

evenmin als Blaevoet (Blau-voet) [176], Slingervoet, Platvoet en

Plaetevoet, en Zwartvoet.--Stutvoet is de voet aan een opgekrompen

been (door heupziekte), die door een stut wordt ondersteund. Andevoet

wordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet". Hy is dus ook

een »platvoet". Ligtvoet zal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn

voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen

of dansen. Holvoet en Hollevoet zijn de tegenhangers van »platvoet,"

en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door

de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt. Witvoet, enkel

naar de witte huidkleur van den voet, als Blaevoet en Zwartvoet? De

uitdrukking »witvoet" schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te

hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje)

hebben", en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan." Hazevoet,

Haesevoet, en als patronymikon Hasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor

iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of

voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet

is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken

komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus

geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.--Koevoet en Coevoet,

ook als vadersnaam Koevoets, en zelfs Kofoed (als ik my niet bedrieg

uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden

voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook

wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een

poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel)

uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691". [177] Maar dit

uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden,

en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamen

Koevoet van huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen

anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike

voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet

vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit

voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop,

ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet".--Om een

einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamen

Barvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymika Barvoets,

Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men

gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker

minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en

veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere

gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. Tee, en niet

teen, of too, en niet toon, overeenkomende met het hoogduitsche

zehe, het engelsche toe, het deensche taa, het zweedsche tå) is het

oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook

hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy

zeggen nog heden tee, tegenover het verbasterde teen of toon der

Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den

zuiveren ouden form schoe, even als de Friesen skoe, de Hoogduitschers

schuh, de Engelschen shoe, de Zweden en Denen sko, tegenover het

verbasterde schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen

teen of toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teeën of

tooën en schoeën, die lichtelik in d' uitspraak tot tee'n of too'n en

schoe'n worden samengetrokken. De maagschapsnaam Steketee is eenvoudig

steekteen, een tee (teen) die steekt--dus wellicht oorspronkelik de

bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en Suikerbuik

worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man

die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen

lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere

gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De

volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan

allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en

veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man

die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by

wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op

geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!" Ik hoorde dit nog in

myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamen Droogleever en

Witlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever,

Kortleever en Ringlever en kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet

en weet.

§ 127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn

aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed,

het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter

dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat

de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als

by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die

oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in

drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike

naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)--of

uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede,

De Surgeloose)--of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder

lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik

willekeurig, en ik zal er my, by 't vermelden der geslachtsnamen van

deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl

de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt,

dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen

by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld

worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs, [178] enz. Dan komen Deftig,

Droog, Streng [179], en daarna Dom, Gram, Slegt. [180]--De Goede, De

Reine en Reyne, De Vroede, [181] met De Droog, De Loos en De Looze en

De Slegte, De Snoo en Snooy (de snoode) en De Wreede, [182] formen

de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamen

Dapperheld met Vrybloed, [183] dan Goethals, De Praeter en De Leener,

[184] en ook Ledeganck, Hooghart en Quataert [185] de namen uit van

de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling van

kwaadaard, iemand van kwaden aard, van kwade geaardheid.

Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog: Behaeghel,

Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in de zuidelike gewesten

inheemsch zijn. »Behaeghel, behaghel" is eene oudtijds gebruikelike

afkorting van »behaeghelick, behagelijk", gelijk men oudtijds

het woord »kostelick" ook wel tot »kostel" afkortte. Door de

gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche) h in g, is van

het oorspronkelike zuid-nederlandsche Behagel in Noord-Nederland

Begagel geworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te

Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamen Roosenschoon en

Vergult kunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch

moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden,

laat zich achterna moeielik gissen.--By den geslachtsnaam Reukeloos

heeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord

(niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis

van »roekeloos".--Gouweloose kan ik niet verklaren; beteekent deze

geslachtsnaam misschien »goudeloos", zonder goud, de geldelooze? Hy

zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaam Dhaveloose, dat

is D'Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven

als Daveloose en Dhavelosse, aan verschillende geslachten eigen,

voorkomt. Want ook dit woord haveloos moet niet in de hedendaags meest

gangbare beteekenis van verwaarloosd, liederlik vuil worden opgevat,

maar in de oude en rechte beduidenis zonder have, zonder bezitting,

zonder eigendom.--By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als

by Dhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten;

te weten by Doosche en Dedel. De naam Doosche is in West-Vlaanderen

inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even als

Daveloose, eene h verloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde

naam voor als Dhoosche, D'Hoosche, dat is De Hoosche, versleten van De

Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen

geslachtsnaam Courtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De

geslachtsnaam De Heus heeft volkomen den zelfden oorsprong en de

zelfde beteekenis als Doosche. Immers »hoofsch" is in het Hoogduitsch

höfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan de

o van dit woord den gewyzigden klank: »heufsch". Van »De Heufsche"

kwam »De Heusche" en, als hedendaagsche geslachtsnaam, De Heus. Ook

het woord heusch als byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in

Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting van heufsch,

hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoord hübsch,

is al mede eene verbastering van hübisch, höbisch, höfisch, en van

dezen hoogduitschen form hübsch is ons woord hupsch weêr eene leelike

wan-verdietsching. Het hoogduitsche woord hübsch heeft weêr oorsprong

gegeven aan den geslachtsnaam Hübscher, in Duitschland niet zeldzaam,

en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamen De Schoone,

De Fraeye, De Mooy. En deze naam Hübscher is in Nederland weêr half

verdietscht tot Hupscher. Zoo dat de geslachtsnamen Doosche, De Heus

en Hupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja

de zelfde woorden zijn. De naam Dedel, eigen aan een oud-utrechtsch

adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor als D'Edel en

De Edel, ook wel als Den Edelen, by uitbreiding, en als Deel (D'Eel),

by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420,

wordt zeker lid van dit geslacht, Lambert geheeten, afwisselend

genoemd Lambert Dedel, L. d'Edel, L. Edelen en L. den Edelen. [186] Men

vergelyke ook de geslachtsnamen Doude en Dauwe, op bl. 339 vermeld.--

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Grimm voorkomende,

opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord grim, grimmig,

dus als de weêrga van den geslachtsnaam Gram, dan wel of deze naam

oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaam Grim, moet ik

in het midden laten. De oud-germaansche mansnaam Grim, Grimmo is

oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze

patronymikale geslachtsnamen Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken

ten bewyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een dorp

in Oost-Vlaanderen, en Grimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam

(de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog naar). Verder is nog

Grimmen de naam van eene buurt by 't dorp Grootkerk (of Hohenkirchen)

in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt

in Lincolnshire (Engelland); en Grimminghausen, zoo heeten twee

westfaalsche dorpen, een by Herford, 't andere by Meschede gelegen.

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen Snel en

Wakker en Wacker. Beide deze namen kunnen oorspronkelik bynamen zijn,

en wel de bekende byvoegelike naamwoorden snel en wakker. Maar het

kunnen ook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamen Snel en Wakker

zijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met

de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De

geslachtsnaam Dazert heeft de zelfde beteekenis als zot of dwaas. Het

woord dwaas wordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in

die van West-Vlaanderen (zie L. L. de Bo's Westvlaamsch Idiotikon) en

van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken als daas. En

dazert of dwazert (dwaas-aard) is daar van afgeleid.--Eindelik moet

nog genoemd worden de geslachtsnaam De Nieuwe, als bynaam gegeven aan

iemand die ergens nieu kwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden

oorsprong als Nieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304

vermeld.

Ook de geslachtsnamen Den Dievel en Den Engel met Engel houd ik voor

oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamsche form van het woord duivel;

Kiliaan vermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in

overeenkomst met het engelsche woord devil, divel voor duivel. Den

Dievel is, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar

reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de

St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekeren Cornelis de Dievele,

»die starf in 't jaer 1496". [187] Dat het volk aan dezen of genen

boosaardigen man den bynaam geeft van duivel, komt nog dageliks voor;

bynamen als Piet den Duivel, Hein de Duvel of Durk Divel (in Friesland)

kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere

gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis,

waar »de Duyvel" uithing, ontleend zijn. »In de 15de eeuw vindt men

onder de regeeringsleden" (van Amsterdam) »een familie Boel, en een

tak daarvan voerde den toenaam van Duyvel. In 1420 was Jacob Boel,

gezegd Duyvel, Burgemeester, in 1470 Jacob Boel Claasz, gezegd Duyvel,

Schepen, en in 1486 Coert Jacobsz. Boel, gezegd Duyvel, Schepen en

in 1490 tevens Raad. 't Is niet te onderstellen, dat men aan mannen,

die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien

leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden

hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door

hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook

een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende

eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de

Watergeuzen." [188]

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegenhanger van

Den Dievel; zie § 168. Of, met Engel, ook als bynaam voor een byzonder

engelachtig man, en dan gewis in scherts bedoeld. Ook kan het zijn dat

deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam,

aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaam Coorengel, dien ik niet

verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord)

kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaam Engel zijn, die in

Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in

Friesland, als Engele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam

zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, Engelen en Engelsma

ontleend, met Engelkens en Engelkes, in verkleinform. De geslachtsnaam

Van Engelen duidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan

ook een dorp Engelen, in Noord-Brabant, by 's Hertogenbosch.

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als

tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren

kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van

kleur: De Soete, Soete, Soet, Zoet, met Zuur, Zuure en Bitter. Deze

namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy,

als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming,

in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral

met den naam De Soete schijnt my dit het geval te wezen, ofschoon

eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van

twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die

door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete" en »de bittere"

werden onderscheiden. Zoo iets kan by 't ontstaan van bovengenoemde

geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.

De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en

huidkleur, heb ik op bl. 341-344 vermeld. Waren de namen De Blaeuwe,

Blaauw, enz. en De Groen en Groen my reeds twyfelachtig--wat zal

ik dan maken van Bladergroen, Hoogbruin en Reynwit? In welken

zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan

te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn,

op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamen

Croockewit en Hulsewit zijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo

schijnt ook de geslachtsnaam Bruinzwart, die ook als Bruinswart

voorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaam

Van Bruinzwaard uit de onwetendheid. Immers het voorvoechsel van

duidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo

is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als

verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaam Brunswarden,

zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou

Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naam Brunswarden wordt door

het friesche volk steeds als »Brunswert" (natuurlik met hoogduitsche

u) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden

ook Liowert noemen, het dorp Sengwarden Sennewert enz. De form van

den geslachtsnaam Bruinswart is eene regelrechte verhollandsching;

maar Bruinzwart en Van Bruinzwaard zijn verbasterde formen. Die deze

namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woord

Bruins-wart niet verstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart"

was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur,

bruinachtig-zwart; de andere aan een bruin zwaard. Zij hebben de s

niet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins),

maar hebben die letter als beginletter (swart of ook swaard, zwaard)

aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om die s te verwisselen met eene

z, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt

de geslachtsnaam Van Lamzweerde tegenwoordig aldus geschreven, als

of hy bestond uit de woorden lam en zweerde, en niet Van Lamsweerde,

gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap

dezen naam ook aldus in den goeden form. Immers is deze geslachtsnaam

ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst,

Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naam Lamsweerde (Lams-weerde) wordt

tegenwoordig wel verhollandscht tot Lamswaarde, en nog meer verbasterd

tot Lamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamen Ammersode (Ammers-ode),

dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, en Walsoorde (Wals-oorde),

de veerbuurt aan de Schelde by 't dorp Hontenisse in het Land van

Hulst, heden ten dage wel als Ammerzoden en Walzoorden misformd en

onverstaanbaar gemaakt. [189] En dat deze verkeerde afbreking der

lettergrepen, met de misspelling van s als z, daardoor veroorzaakt,

reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam, Willem

van Reymerzwale (dat is: Reymerswale [Reimer 's wale], de toen nog

bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in

eene oorkonde van den jare 1514. [190]

De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten worden opgevat

als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam,

gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der

aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis · 第 20 / 42 题