§ 108. In deze afdeeling zullen alle geslachtsnamen besproken worden,
die niet van mansvóórnamen afgeleid, en niet van aardrijkskundigen
oorsprong zijn; alle soorten van geslachtsnamen dus die niet in de
beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen met elkanderen
een zeer bont samenstel, wijl zy van zoo zeer verschillenden oorsprong
zijn.
A. GESLACHTSNAMEN AAN DE NAMEN VAN AMBTEN, BEDRYVEN, HANDWERKEN,
ENZ. ONTLEEND.
Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst
tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of
poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en
eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei
verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden
en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze
gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den
strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren,
zorgden er vooral voor dat slechts bekwame werklieden, of slechts zy
die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der
mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven
moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo
men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den
burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de
hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere
bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn
handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan
achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden;
b. v. Claes Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Symoen de
Backer of Simon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze
meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden,
die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een
gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen
eigennaam; b. v. Pierkin d' Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de
mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het
geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden,
nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten
en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand:
Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest
(Proost), meester Aert Doctoor, enz. zijn zulke namen.
Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de
mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over,
ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen
van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn
honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen
in volle gebruik gebleven.
Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen
enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot
vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de
patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik
zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of
gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo
zal men daar onder altijd zeer velen vinden, die toenamen, soms ook
reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf
of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de
geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het
ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche
geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het
wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften
dienaangaande, hier te vermelden.
§ 109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan
menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het
eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan;
b. v. Bakker, Bleeker, Boekbinder, [156] enz. Anderen hebben
het lidwoord er voor behouden; b. v. De Bakker, De Beenhouwer,
De Bisschop, [157] enz. Dit lidwoord wordt ook wel als den in
plaats van de geschreven; b. v. Den Boer, Den Abt, Den Heyer,
Den Herder. Opmerkelik is het dat de namen zonder lidwoord meer in
de noordelike, en die met lidwoord meer in de zuidelike gewesten
voorkomen. Die, welke het lidwoord den hebben, zijn uitsluitend tot
de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en
het overmaassche Zuid-Holland beperkt.
Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als
patronymika, in den tweeden naamval; b. v. Bakkers, Brouwers, Kuipers,
Schoenmakers. In § 64 vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd
en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.
Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen
ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike
gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid,
dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerk en de kunst,
meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in
de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei
hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels
sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen
dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling
waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit,
dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen
van die byzondere zuid-nederlandsche namen: De Cupere, D'Huyvettere
(dat is de leêrlooier), Harnisfeger, Raeymaecker (raey == raderen),
De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher,
Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.
§ 110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden
hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen
van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het
is dus billik dat men, by 't uitvoerig behandelen der geslachtsnamen
aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze
oudste bedryven.
Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De Jager,
die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voor jager
is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel het weispel. Nog hier
en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman" uit,
in plaats van »De Jager"; b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman
komt ook als maagschapsnaam voor, even als Weyman, en in misspelling
Wijman. Een ander oud woord voor jager is wildschut, overeenkomende
met het hoogduitsche Schütz, Wildschütz. »De Wildschut" hangt nog, in
stede van »de Jager", uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als
geslachtsnaam is Wildschut ook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam
met dit woord schut samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende
die schiet met eene bus of bos, het oud-nederlandsche woord voor
schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitsche Büchse,
waarvoor men in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden
wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. Een
andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als geslachtsnaam
voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, Hoendervanger en Snepvangers
behooren tot de jagernamen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler
en misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en
Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche
woord Finkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met een
flapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer
gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De geslachtsnaam Flapper
is dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamen Mollevanger
en Kraaivanger met Craeyvanger zijn zeker meer namen voor wegvangers
van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en
Valkenier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en Valckenaere
behooren ook tot de jagernamen, even als Vogelaar, De Voghelaer,
De Vogheleir en, in patronymikalen form, Veugelaers. Eindelik dient
hier nog vermeld de maagschapsnaam De Strooper.
In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers
den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen Visscher
met De Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere,
Visker, Fisker en Vissers algemeener dan Jager en De Jager. Vooral
in de friesche gewesten is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele
verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers
vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn
geene andere bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en
Schelvisvanger. Waarschijnlik behooren Botman en Bottemanne (zie
bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te
vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral
op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden
en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met
eene vlakke slede, de botsleê, in het Friesch kraite genoemd. Aan deze
eigenaardige visschery is de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een
varkenvisscher is natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt;
maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze
vischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en
in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel
gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men
noemde die dieren wel zeevarkens of meerzwynen. Nog heden zegt onze
zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van
die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende
ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z'n varkens!" De Franschen
noemen den tuimelaar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van
het friesche woord mar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens
draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook
nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het
eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de
geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ontleend. Immers »commandeur"
was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder", die
oudtijds, en nog in d' eerste helft van deze eeu, de walvischvangst
in de IJszee bedreef.
Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamen
Herder, De Herder, De Harder, Den Herder hunnen oorsprong. Zoo
ook Schaper--dat is schaapherder; en Scheper met het patronymikale
Schepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherder
scheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandsche weêrga
van het hoogduitsche woord Schäfer. Volgens onze geslachtsnamen
zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schäfer, Schäffer,
Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en
schepers. Een tegenhanger van den schaper is, in taalkundig opzicht,
de geiter, de geitehoeder. In de formen De Geyter en De Geetere komt
dit oude woord nog als maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met
Schaapman en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens De Schaepmeester
en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf
ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamen Kalverboer
en Bargeboer. Een »bargeboer" is een varkensboer; »baerch, barch"
geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het
algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer
of gesneden mannelik zwijn. Ook in menige andere gou van Nederland
wordt zulk een dier berg genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of
gild heeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het
werkwoord gilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder
is iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher,
dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant
onderscheidt men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een
gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie Gilders
gekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden
met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort." Dien
ten gevolge dient de geslachtsnaam Gilders ook in deze afdeeling
vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaam Melkman ook nog
wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en
De Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en Molkenboer. Den
uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.
Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen
dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als
aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer)
mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamen Landman, Bouwman
en Bouman met Bouwknecht, De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer,
De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans,
Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken. Tuinman, Hovenier en Hofman
(met Hoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier en
Gerdenier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en De Pachter.
In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden
de boeren veelal »huislieden" genoemd; huysman, hûsman, vooral in
Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huisman, Huysman,
Huysmans, Huesman, enz.
De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit der mate talrijk,
voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel
het meest. Boers en Boeren met Boere, (misschien ook de verfranschte
(?) formen Boursse en Bource?), als oneigenlike vadersnamen, komen ook
voor. En de namen Boerman (met Buhrman) en Boermans reken ik hier ook
toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boerema,
Boerma, Boersma, Boersema.--Boering kan een patronymikon zijn van
de soort die in § 31 is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde
friesche namen ook de oude mansvóórnaam Boere, Bure, Bore schuilen;
zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woord boer ook al als
geslachtsnaam voor; in Friesland als Boerke, in Holland als Boertje.
Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het
woord boer heeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot
nadere aanduiding, by te voegen; b. v. Veenboer, Heyboer (heideboer),
Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer,
Wortelboer en Worteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen
namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, met
Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante namen. Molken is een
oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt het als byzonder-geldersch)
voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou de Molkenboer by den
Veeman en den Melkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de
Waaiboer en de Soepboer, wier samen men in § 140 nader verklaard vindt.
Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene
nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het
volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer, de nyboer. Aan
die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboer, Nieuweboer,
Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Grooteboer en Lutjeboer formen
elkanders weêrga; lutje, lutke, overeenkomende met het friesche
woord lîts, het engelsche little, enz. is friso-saksisch voor
klein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste
van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze
friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v. Lutje-Broek in
noordelik Noord-Holland, Lutke-Wierum in Friesland, Lutje-Gast in
Groningerland, Lutje-Wolde in Oost-Friesland, enz.--Sommige boerderyen
zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest,
en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster
stond. Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de
Kloosterhoeve" of »de Kloosterplaats," en de boer die er woont,
wordt nog wel »de Kloosterboer" genoemd. Deze toenaam is ook een
vaste geslachtsnaam geworden: Kloosterboer. En deze naam werd als
zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats
woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een
klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568
onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen
dwingeland.--De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden
als in Duitschland (als Ledebur en zelfs Von Ledebur), eigen aan
verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te
verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft
er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele
boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed
zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner
eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in
het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook
tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!" leid Gy de boeren! (de
man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in
het vervolg den toenaam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze
overlevering zou Ledeboer eigenlik »Boere-leider" beteekenen. Vilmar in
zijn Deutsches Namenbüchlein (Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft:
»Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide)." Deze afleiding kan
ik niet aannemen.--Holsboer kan ik anders niet verklaren als door
aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van
eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in der daad voorkomt.--In de
middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van
kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens
versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere
landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen
droegen den naam van »het Spycker", een bastaardwoord van het latynsche
spicarium. Dit woord »spyker" komt nog heden wel als plaatsnaam
voor; b. v. het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in
Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar myne meening,
deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze naam zal oorspronkelik
dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk een
spyker woonde, of er het opzicht over had.--Ook plaatsnamen maken
wel deel uit van geslachtsnamen met boer samengesteld. Velserboer en
Beemsterboer namelik zijn afgeleid van de plaatsnamen Velsen, een dorp,
en de Beemster, een polder, beiden in Noord-Holland.--De Wilde Boer is
van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken
geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wildeboer ontleend. Blaauboer,
Witteboer en Dubbelboer zijn my moeielik te verklaren. Met Meereboer,
Ongerboer, Pinksterboer, Segboer en Traanboer weet ik in het geheel
geen weg. De maagschapsnaam Hatenboer zal wel tot de aardrijkskundige
namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehucht Hateboer,
by Roermond.
De meier-namen formen de weêrga van de boer-namen. Immers het woord
meier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet,
waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen
uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. In dien zin is het
nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik;
b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche
gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist
uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen
naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezer meiernamen
toegekomen. Behalven de enkelvoudige namen Meyer, Meier en De Meier
met De Meyere in zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam
zijn, is het getal der geslachtsnamen met meier (in verschillende
spellingen met ei en ey) samengesteld, zeer groot. Zie hier een
twaalftal uit die honderden: Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier,
Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier,
Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede
van Brockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer,
enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te
verklaren. Nieuwmeyer, met Nymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier,
is de tegenhanger van Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken,
en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ook Grootmeyer en
Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met Lutjeboer; Kloostermeier
met Kloosterboer, enz. Een groot aantal dezer meier-namen vindt men
opgenoemd in De Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.
Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard
worden. In De Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer
(1878) in zekere landstreek van 't noordelike Westfalen vertoevende,
noemde een ingezetene van die streek my verschillende meier-namen op,
terwijl hy my de meieryen of landhoeven, waar die namen aan verbonden
zijn, aanwees: dort wohnt der Brüggemeier, dort der Niermeier,
da der Obermeier, hier der Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da
wohnt der Dreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland
als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat
hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo
morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet
voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider
my toe: Gy lacht wel om dien Dreckmeier? Dat is oorspronkelik niet
Dreckmeier maar Dree-eek-meier. Zie maar! daar staan ook dree eeken
(westfaalsch-nederduitsch voor drie eiken) by 't huis!--En zoo was
het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van
den naam Dreckmeier te vinden."
Wien het vreemd moge schynen dat dree-eek tot dreck, drek, en niet tot
dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere
nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering
van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e (ek) voorkomt, en wel
in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als
in Westfalen: eek; men spreekt te Leeuwarden van eekenhout, eekene
planken, 'n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet,
noemt men te Leeuwarden een eekmöln. En als een Leeuwarder ergens
komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit
hy wel: »it ruukt hier eekerich." Toch heet de eikel, de vrucht
van den eek, te Leeuwarden niet eekel, zoo als het zijn moest in
overeenstemming met het hollandsche eikel en het hoogduitsche eichel,
maar ekkel. Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn,
houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men
daar ekkelkoffi te drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er
ook weêr terug gebracht op den eek of eikenboom zelven; van daar de
geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam
Dreckmeier, van de westfaalsche dree eeken, zijn de geslachtsnaam
Vijf-eeken (die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die
by 't huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg),
de plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen,
en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake.
Uit den geslachtsnaam Wedemeyer (ook komt Wehdemeier voor) is eene m
verloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen
onderscheid of men Wedemeier dan wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier
is de boer die op de hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of
die op de wedem zelve woont, zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme,
wedem, ook versleten tot weême, is de oude naam (oud-saksisch
en oud-friesch withum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men
hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland
en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de
kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den
geestelike dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche
Friesland ook wel »de pastory-plaats" genoemd. De weeme zelve is hier
en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter of meier,
de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins
uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het
oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van
noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de
friesche geslachtsnamen Wymstra en Weemstra (dat is gelyk aan Van
der Weeme--zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.
§ 111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is
de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons
waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker
wyze vele zeelieden en schippers, en de woorden die hun stand en
bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier
eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In
d' eerste plaats Zeeman, en dan Schipper met het patronymikale
Schippers. Verder het patronymikale Zeevaarders, met Schipman,
Koffeman, Buisman en Buysman met Buismans (de schipper van eene
haringbuis), Stuurman, Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos
en Schuitevoerder. Of de maagschapsnaam Kapitein, met Kapteyn
en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja
beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden
laten. De geslachtsnamen De Reeder, Loots en Tonneboeyer zijn ook al
aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneens Kaper. De geslachtsnaam
Schuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is,
formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In
Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met
een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden" naar
de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug
brengt naar heiden en venen, »skuteboer" genoemd. Dit woord vinden
wy terug in den geslachtsnaam Schuiteboer, in de friesche gouen
inheemsch. Ook de maagschapsnamen Veerman en De Veirman behooren in
deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den
geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden
voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woord Scutevarer,
schuitevaarder, of, in het Friesch skutefarjer. Dit woord komt
herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden,
in het begin der 16de eeu. Immers vinden wy in het Register van den
Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd
eenen Claes Scuteferger (bl. 4), Hilcke Scutefergier (bl. 5),
Upke Scutefergier (bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman
Scuteferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de
geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich aan het
hoofd stelde der binnenschippers of schuitevaarders (skutefarjers),
en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart,
welke vereeniging ook zynen naam draagt.
§ 112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden
ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen
van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt
in alle nederlandsche gewesten.
De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamen
Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikon
Timmermans. Het hoogduitsche Zimmermann en het fransche Carpentier
zijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.
Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers
of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en
eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende
geslachtsnamen ontleend: Schrynemaeckers en Schryner, Kistemaker,
Kistemaecker en Kistemaeckers, Schuitemaker en Schuitmaker,
Scheepmaker, Mastenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf
der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong
gegeven. Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De
Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer
hoogduitsche formen Wagner en Wegner. Dan aan De Waegemaecker
en Swagemakers (zie bl. 184) en aan Stelmaker; want zóó wordt
in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als
in het Hoogduitsch Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker
behooren er ook toe, even als Molenmaker, Wielmaker, Rademaker,
Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; en Leestemaker kan men er ook toe
brengen. Ten slotte nog Drayer, De Saegher, misschien ook Zaagmans,
en Houtzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers
kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy
de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere,
Cuyper, de verlatynschte formen Cuperus en Couperus, met de oneigenlike
vadersnamen Kuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.
Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen
vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid, in allerlei
formen, als Smid, Smit, Smitt, Smidt, Smet, Smedt, De Smet, De
Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, Smidts, Smedes, Smidtz,
en in hoogduitsche en engelsche formen: Schmidt, Smith, enz. En
dan de samengestelde namen Ankersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit,
Beylsmit en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guthschmidt
en Kleinschmit, en in verkleinform Smidje. Ook Slotemaker. Den
naam Broeksmit weet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene
schertsende benaming voor kleêrmaker wou opvatten--gelijk iemand,
die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook
kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek"
(het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook
tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker,
Bussemaker en Bosgieter (bus, bos is de oud-nederlandsche form die
met het hoogduitsche bücks overeenstemt, en in eenigen onzer gewesten
nog in gebruike is; in Holland zegt men buks, dat zonder verandering
van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). Verder
De Mesmaecker (met de patronymikale formen Messemaeckers en
Smessemaeckers, zie bl. 184), Swertvagher en Harnisfeger.--Zilversmit
en Selversmet, Goudsmit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En
dan nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blikman), Ketelaer
en De Ketelaere, met Ketellapper, Ketelbueters en Panneboeter. Zoo
mede Tingieter, Potgieter, Kannegieter, met den hoogduitschen form
Kannengiesser, enz.
Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar,
Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153);
ook Opperman en Kalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui
welke almede by den huisbou te pas komen: Dekker, Decker, De Decker,
De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en
Deckers en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers
als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker
(de kwade dekker?) ook tot deze dekker-namen. Dan nog Verwer en
De Verwer in algemeen-nederlandschen, en Varwer met De Varver in
gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamen Glazemaker
met Glaser (dat zekerlik wel van hoogduitschen oorsprong is), en
Glaasker met Glasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten
den glazemaker noemt. Zekeren Sybren Glaesker vinden wy reeds in den
jare 1511 als burger der stede Dokkum. [158]
De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers,
de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke
geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen,
en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v. Bakker,
Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten form Bakkerus,
en als patronymikon Bakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ook
baken en baker met opene a, in plaats van het hedendaagsche bakken
en bakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakker batser
(ba-tser; ts == k) noemden; de zeventiende-eeusche Gysbert Japicx
schrijft baetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord
als baker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamen
Baker, De Baker en De Baecker, met Baekers als patronymikon. Men
heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn,
natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord
baker (de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster,
friesch: kreamwarster of kreamheinster. De geslachtsnamen Bekker,
Becker, De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons voor. Zy
beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere
bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen Bollebakker
(bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood), Bonebakker,
Koekebakker en Wafelbakker.
De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor gelijkbeduidend
met Kok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk
voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam, Koch, geenszins
zeldzaam onder ons. Intusschen, alle geslachtsnamen Kock zijn niet
aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader
van mynen overgrootvader, heette Nicolas Coq. Hy was een Franschman,
en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict
van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en
eigendom verdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de
Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet
volgens de beteekenis, tot Haan, zoo als het toch zijn moest, maar in
spelwyze. Zy maakten er namelik Kock van. Deze zelfde naam bestaat nog
heden in de namen der maagschappen Kock Beylanus en Kock Winkler. [159]
Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen
ontstaan: Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie bl. 320), Beenhouwer
en Beenhakker. De namen Vleesman (met den hoogduitschen, ook hier te
lande voorkomenden form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook
toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen
Van der Spek en Van der Ham.
De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede
teuge biers," en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de
nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook
dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De Brouwer, De Brauwer en
De Brauwere zoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht als
Brouerius en in patronymikalen form als Brouwers, komt deze naam
ook voor. Hoppenbrouwer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot
dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen
bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden,
b. v. in Limburg, draagt den naam van kuit, kuyt, koit. Van daar de
geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamen Moltmaker
en Smoutmaeckers--met voorgevoegde s, zie bl. 184) behoort ook
tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam
van biersteker, en deze naam is als Biersteker, Bierstekers en
(half saksisch, half hoogduitsch) Beerstecher tot geslachtsnaam
geworden. Bierman behoort hier ook by.
§ 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding
zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker,
De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, Snyders en Snieder met Snieders;
ook de hoogduitsche Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur
komt ook voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de
geslachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel
eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen De Naeyer,
De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche
gewesten inheemsch zijn, beteekenen ook kleêrmaker. Men vergelyke ook
den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 besproken. Kiliaan heeft nog
»naeyer == sartor." Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam,
en die eveneens kleêrmaker beduidt, is De Schepper, De Scheppere. In
oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper" in dezen zin nog
voor; men zie Edw. Gailliard's Glossaire flamand, op het woord »scepper
== tailleur". Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude
dagteekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de vlaamsche
stad Damme (zie Annales du comité flamand de France. Duinkerke,
1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland
en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den
kleêrmaker. Men noemde hem skrodare, schroder, schröder, schreuder,
schrader. Nog heden is het woord skroar, uit het oude skrodare
saamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel
als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en
daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog wel schreur,
schrör genoemd. Skrodar, skroar, schröder, schreur beteekent letterlik:
snyder. Het oud-friesche werkwoord skroda, oud-vlaamsch schrooden,
thans schrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koning Filips
die een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers
Filips de munteschroodere of munteschrooier. [160] Talrijk zijn
de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oude
skrodan, schrooden ontleenen; b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt,
Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en
Schreurs, zoo mede het hoogduitschformige Schröder of Schroeder. De
samengestelde naam Kampschreur beteekent: dorpskleêrmaker. »Kamp"
(de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld" in
tegenstelling van »de stad." Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen,
dient hier nog de latynsche form Sartorius (van sartor), die ook als
nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.
In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van
betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en
naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als
andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere
afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de
geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker,
De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ook Cousseschepper.
Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer
werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamen Pelsmaeker,
Pelser, Pelster oorsprong gaf. Het woord pelser is een oudfriesche
form voor het woord pelsmaker of pelswerker, zoo als men nu veelal
zegt. Eenen Jelke Pelser vind ik reeds opgenoemd onder de burgery der
stede Leeuwarden, ten jare 1511. [161] Te Groningen is er nog eene
Pelserstraat (ook wel Pelsterstraat genoemd); en eveneens te Emden. De
fransche en hoogduitsche formen van dit woord, Pelletier en Peltzer,
Pelzer komen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam
in schrijfwyze weêr verdietscht, als Peltser.
Hoedemaker en De Hoedemaker komen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als
geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is De Capmaker. De schoenmakers
daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, als Schoemaeker,
Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de
hoogduitsche formen Schuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in
Nederland. In het Latyn heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord
is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch als
sooter en in het Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter;
het hedendaagsch hoogduitsche woord schuster is daar van eene
samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten,
verbasterden het latynsche sutor eveneens tot suter, en zetten er dan
ook wel hun woord schoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy dit
suter nog wel verder tot sutter, zelfs tot sitter en setter. Van daar
de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen De Sutter,
De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter,
Schoesitter, Schoesetters, enz.--By den schoenmaker behoort nog de man,
wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker.
§ 114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het
ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de
omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken
van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders,
zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de
namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid
aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd: Molenaar,
Molenaer, Moolenaar. [162] In samenstellingen komt de naam Mulder of
Muller ook geenszins zeldzaam voor; b. v. Bergmuller, Kruysmulder,
Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller (zoude dit niet
oorspronkelik een hoogduitsche Weissmüller zijn?), Watermulder,
Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt
geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaad slaat,
draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam
van slagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamen Slagmulder,
Slachmulder, Slagmuylder, Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder,
Slagmolder, met het patronymikale Slachmuylders en met Van der
Slagmolen ontleend. De geslachtsnamen Olislager, Olislaeger, Dolislager
(waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord
heeft doen samensmelten), en Oliemuller hebben de zelfde beteekenis. De
grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de
geslachtsnamen Grutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter,
enz. ontleend; met Gorter, De Gorter en Gortmaker. De Gruiters
zijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en de Gorters in de
noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regel gorter
of gortmaker genoemd; zie ook § 160. Een molen waar garst of ander
graan, ontbolsterd, gepeld wordt, heet in Friesland een pelmolen. En
den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by
verkorting: pel; b. v. »Baas Pieter Pel." Dit is de oorsprong van
den in Friesland inheemschen geslachtsnaam Pel.
Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig
»fabrikant in aardewerk") gaf oorsprong aan de geslachtsnamen
Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere,
en, als patronymikon Potters. Potjer en Panjer zijn in Groningerland
inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie §
153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamen Tichelaar,
Tigchelaar, Tiggelaar en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen
naam, Ziegler en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en
komt ook, half-verdietscht, als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen
Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet
weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst
te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde;
in den patronymikalen geslachtsnaam Teegelbeckers vindt men zijn
kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike
gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam van huidevetter. In
vele vlaamsche steden vindt men nog eene Huyvettersstraet of een
Huidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter,
D'Huivetter, D'Huyvettere en D'Huvettere, in Vlaanderen inheemsch,
hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting der
d van het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting der h,
tot Duyvetter geworden. De hollandsche geslachtsnaam De Looyer is
de weêrgade van den vlaamschen Huyvetter. De kaarsemakers vinden
wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamen
Keersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers,
Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf
ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker
draagt daar ook wel den naam van zadelaar, overeenkomstig den
hoogduitschen form sattler. En van dezen byzonderen form zijn de
maagschapsnamen De Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleer en
het half verfranschte De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers
afgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door
de geslachtsnamen De Leersnyder met De Leersnydere, Riemsnyder,
Teschemaker (tasschenmaker) en De Scheemaeker. De naam Touwslager
eischt geene verklaring, maar Lijnslager, Seeldrayers, Reepmaker
wel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene
andere oude naam van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog
de Reepslagersbaan (Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in
St. Pauli. Een reep is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten
in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en De
Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche Weber dat
vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, met de latynsche formen
Velius en Carbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, Mandemaker en
Korfker (zie § 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper,
enz. Waarschijnlik behooren de namen Corver en Korver ook te dezer
plaatse, als beteekenende korfmaker. Het woord zeepzieder is in het
Oud-Friesch sieper (sjiëper), weêr verhollandscht tot zeper. Nog heden
wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden
gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder
eveneens geschiedde.
De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen
Beeldsnyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, De Munter, Graveur,
Drukker en Drucker, Schryver en Schriever, De Schryver, Landmeter,
De Landmeter, en, als patronymikon Landmeeters; verder Sanger en De
Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche benaming van den
muzikant), Trompetter, Bonger (zie bl. 292), Pyper en de hoogduitsche
formen Pfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formen
De Feifer, De Vijver, enz.
§ 115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er
nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen
kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven
zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen,
welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar
toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen:
De Waard en De Weerdt met Casteleyn, Kastelein en Hospes; Tapper,
Wijnschenk en Bierschenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier
ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of
tappery-houder. Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere,
en misschien ook Wasman, behooren by elkanderen. Verder Barbier en
Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kapper; ook Uitdrager, Colenbrander
en Loteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken,
koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds
oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal
jaren heb ik er nog eenen gekend te 's-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn
de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ontleend. De geslachtsnamen
De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), Tolk, Voerman, Reisiger, Reiser
en Reizer, De Bo, De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by
elkanderen. Denkelik ook Minnebo (Minnebode? de dietsche weêrga van
den franschen Postillon d'amour?) en Slotboo (de bode van het slot,
van het kasteel?).
Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de steden nog tol
eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars
aan de poorten gezeten, dien tol moesten innen. Het hoogduitsche
Zöllner komt ook by ons voor, en ik houd de geslachtsnamen Tullenaar,
Tullener en Tullner, met de patronymikale formen daarvan, Tulleners,
Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een
byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen Rovers
en Roovers echter als vadersnamen van het woord roover te beschouen
zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen
naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Hrodfrid,
Rodfried. Even als het patronymikon Govers van den mansvóórnaam Govert
komt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried,
zoo komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche naam
Hrodfrid, Rodfried is in Förstemann's Altdeutsches Namenbuch te vinden,
ook in den afgesletenen form Rofred; van Rofred tot Rovert is slechts
één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.--Zeer byzonder,
en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaam Ziekenoppasser.
Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de
geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder,
Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, Kruyer en Bezorger,
Karreman (en, in limburgschen form, als patronymikon Kerremans),
Poerstamper (poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen
kruitmolen, of een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk
dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman,
Modderman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans acht ik niet
afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst
neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met Förstemann, volgens diens
Altdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde
waar aan ook de naam van het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen
oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer,
maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik
zeer scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche
Friesen en Vlamingen doen het nog.
De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord
schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de
geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat iemand daar ooit
vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen
of te dragen.
Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den
geslachtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaam
Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden
kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keukenmeester en Keukenschryver mogen
ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend
worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.
§ 116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn
de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudige Koopman, Coopman, De
Coopman; als vadersnamen Koopmans en Coopmans. Oudtijds zeide men wel,
by uitslyting der letter p, cooman in plaats van koopman, en nog meer
verbasterd, coomen, gelijk men ook van coomeny sprak in plaats van
koopmanny of koopmanschap. Uit de geslachtsnamen De Cooman, Coomen,
Koomen en Komen blijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche
en fransche formen Kaufmann en Marchand ontbreken natuurlik ook
niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep
de maagschapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar en Kramer met
al de byformen van laatstgenoemden naam: Kraamer, Cramer, Kremer,
Cremer, Cremers en Creemers, en het verlatynschte Cramerus.--Merseman
en De Mersseman duiden eenen marskramer aan; misschien ook Marsman;
zie echter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere en, in patronymikalen
form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis; zoo ook Beddekoper,
Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper,
Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is zekerlik een
verkooper van kleedingstoffen), Vellekoper, Vischkooper en Viskoper,
enz. Een byzondere tegenhanger van Paardekooper is de zekerlik reeds
zeer oude patronymikale maagschapsnaam Hengstmangers. Immers manger of
menger, met de byformen monger en minger, is een oud-nederlandsch,
ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men
zie 't woordenboek van Kiliaan, op het woord: »Mangher, Mengher,
vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator--appelmangher,
vleeschmangher--" enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder
den form menger of minger nog in de friesche taal in gebruik; zie
Wassenbergh, Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is
dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog
in de eenvoudige maagschapsnamen Manger en Menger.
§ 117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af
vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog
aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze
namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de
eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door
afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen
en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen,
zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de
voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen,
waarin de eenvoudige woorden smid en molenaar als maagschapsnamen,
op bl. 308 en 314 voorkomen. De woorden vleeschhouwer en rademaker
(wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de
zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen
van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen,
gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er
echter nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer,
Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De
Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere,
De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. Dan
Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker,
Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De
Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymika Rademakers, Raedemaeckers,
Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers,
Raymaekers, het hoogduitsche Rademacher, enz. in haast oneindige
afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen.
§ 118. »De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in ons land
bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger
door een der voorouders uitgeoefend bedrijf." Zoo zegt J. Soutendam
in zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschrift Een wandeling
langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in
der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige
bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van
het oude Delft, allen op man uitgaande, en welke toenamen tegenwoordig
nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder deze man-namen
zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche
nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in
gebruik gebleven. By voorbeeld speckman voor varkensslachter; coolman
voor groenteboer of warmoezier; brandewijnman, dunnebiersman, enz. Als
voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, op man uitgaande,
en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden:
Wijnman en Bierman, Spekman en Mostertman, Zoutman, [163] enz. Velen
van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene
of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds
het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de
geslachtsnamen Koopman, Speelman, Tuinman, [164] enz. Eene andere
groep van deze man-namen is niet ontleend aan het eene of andere
maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem,
die eerst met zulken naam genoemd werd. Deze man-namen behooren dus
eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op
bl. 293 vermeld en behandeld.
Nevens deze eenvoudige man-namen staan de patronymika daarvan, die ook
eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het
zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus
allen op s, op mans uit. Velen van deze patronymikale man-namen
zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige
namen; b. v. Biermans, Appelmans, Mosselmans, [165] enz. Anderen
zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als:
Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman, Havermans, Slotmans,
Costermans, enz. Onder deze mans-namen, waarvan er velen eigen
zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten,
zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer
duister is. Als zoodanigen noem ik: Wittemans, Geloudemans,
Mortelmans, [166] enz. Beersmans en Breugelmans, beiden in Brabant
inheemsch, acht ik afgeleid te zijn van Beersman en Breugelman,
in de beteekenis van: een man van of uit Beers, of van of uit
Breugel.--Beers en Breugel beide zijn namen van brabantsche dorpen,
in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen
zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamen Lemmersman
en Kuindersman, op bl. 204 vermeld. Tielemans met Tielmans, en
Tillemans met Tilmans zijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in
de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten
gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaam Tilman, Tielman. Verder
Hoosemans, van hoseman, de man die hosen, hozen = kousen maakte of
verkocht? En Goemans, Koumans en Coumans met Wakkermans, van Goeman
(ook in dezen form voorkomende), Kouman en Wakkerman, eigentlik
bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?
§ 119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af, zekerlik
eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de handwerken en
bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid,
dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend
zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel
wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge
weerdigheden betreft. De geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog,
Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand
zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers,
Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen" in der daad de
weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En
niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamen Bakker,
Smid, De Boer, De Jager dragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers,
smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer,
Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen
geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd-
en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk
een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op
gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen,
gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen", »de Koningh
van Enghelant", »de Bisschop van Munster", enz. kwamen oudtijds
veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter
Gouw vermelden er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren
wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in,
en sprak enkel van »de Keizer", »de Koning", »de Bisschop"; b. v. ik
woon in »de Keizer", of naast »de Koning", ik ga naar »de Bisschop." En
zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden
welke in die huizen woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het
huis De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al spoedig niet meer
Leenaert Heyndricksz, maar Leen in »de Keyser." Maar ook deze benaming
was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig,
en eerlang werd het Leen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser" ging
ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op zynen zoon Heyndrick
Leenaertsz over, vooral als deze ook in het vaderlike huis »de Keyser"
bleef wonen,--en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam
voor al de nakomelingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn
voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap
steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers,
die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet
verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een
knaap reeds »het koninkje" werd genoemd, of by het noordnederlandsche
volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje";--dat die bynaam
als »Koning" of »Prins" ook aan den volwassen man bleef hechten,
en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige
andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften
tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.
Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van
zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart,
hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom
men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager
van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den
geslachtsnaam wordt aangeduid.
Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van
allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten
ontleend, die my zijn voorgekomen--hoog en laag, aanzienlik en gering,
geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus
tot den koster.
Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoogduitsche Kaiser
komt ook voor.--Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De
Ceunynck, De Cueninck, Conninck en het hoogduitsche König.--Hertog,
De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De
Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitsche Herzog en het fransche
Le Duc.--Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De
Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het fransche Le
Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het verlatynschte
Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als
patronymika: Keizers, Konings, Conincks, Coninckx, Ceunynckx,
Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, 'S Hertogen, Graven, Graeven,
Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en D' Hoogvorst
meen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed
in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong. Vorst,
voorst, forst, foorst, foreest is een oud-nederlandsch bastaardwoord,
in de beteekenis van woud, bosch. Dus Hoogvorst is het hooge woud.
Nu volgt Ceurvorst, Prins, De Prins, De Prince (als patronymikon
Prinsen, Prinssen, Prinsse, zelfs Prince), Markgraaf, De Landgraaf,
Burggraaf, Burghgraef, De Borchgrave en Borggreve, met Borchgrevink
als patronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling (zie
bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere,
Jonckheere en Jonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens
de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en De Rudder. De Bontridder
behoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik
niet.--Stadhouder, Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer,
Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leenheer en Ambachtsheer
met Ambagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, als Heer, De Heer,
Dheere en D' Heere. Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de
aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin
ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, als heer geldt. De
patronymika Heeres en Heeren meen ik echter niet van den titel heer,
maar van den frieschen mansvóórnaam Hero of Here, Heere, Heerke, te
moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamen Heringa,
Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike
voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woord heer
ook als geslachtsnaam voor. Te weten als Mijnheer, Menheer en Menheere.
Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche
gouen de »welgeboren mannen", de eigenerfden of erfgezetenen, de
einierden of erfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten
zitten. Van hunnen alouden titel »welboren" (wolberne is in het Friesch
nog heden gebruikelik) of »welgeboren," is de geslachtsnaam Welboren
afkomstig. In de Informacie up den staet van Hollant ende Frieslant,
worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen
in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van
Velzen", en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden
van Velzen." Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters,
de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters,
gelijk men ze in onze saksische gouen noemt. Hugo de Groot, in zyne
»Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit", bl. 22b, schrijft:
»'t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver
tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen." Vermoedelik
was de man die het eerst den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of
aannam, wel een dezer »welboren" mannen van Velsen. Het schijnt althans
dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.
De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Welboren, komt my
voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven,
en ironice bedoeld.
Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren: Goeverneur, Senator,
Burgemeester met den byform Burgemeestre, Balju en Bailyu, Droste,
Drost (misschien ook wel Troste), Drossaart, Schoutheet, Schoutheete,
De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete,
Schauteeten en Schautetten (de twee laatste namen zijn patronymika,
in wanspelling), Schout, Scholte, Schulte met den hoogduitschen form
Schulze, enz. Over deze namen Schout, Scholte, enz. die evenzeer
oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De
geslachtsnamen Commissaris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy
ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De
naam Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer algemeen,
en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van
die byformen: Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks,
Clerqx, Clerckx, enz.
De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika Rigters en
Richters), Raadsheer, Boerrichter en Boerrigter met Dorprechter,
Procureur, Advokaat en Advookaat, met het oud-nederlandsche
Taalman, Deurwaerder en De Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul
vertegenwoordigen de rechterlike macht, even als Doctor, Dokter, Docter
met het patronymikon Docters, Arts en De Stadbader den geneeskundigen
dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy
stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had
in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het
geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen,
door de stedelike regeering aangestelden bader of stovenhouder, den
stadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit;
b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken,
gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland,
vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den
naam van »Bader".
Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Rector en Schoolmeester
(ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onderwyzer ontleend. De
geslachtsnamen Meester, De Meester en Meesters met Mesters voeg ik
ook hier by. Andere meesters worden nog vertegenwoordigd door de
geslachtsnamen Bouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester,
Dijckmeester, Rentmeester en Rentmeesters, Waagmeester, De Meulemeester
en eindelik Keukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van
den jare 1511 wordt reeds een Oeswalt Koeckenmester genoemd. [167]
De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als
de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver)
voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen,
die door de geslachtsnamen Hoveling, Kamerling, Camerlinck,
Camerlynk en Camerlingh (als patronymikon Kemerlinckx), en Schenk
worden aangeduid. Schenk is eene oude benaming voor »schenker"; men
vergelyke hier de namen Wijnschenk en Bierschenk, reeds op bl. 317
vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, als
Schenkius, als geslachtsnaam voor.
De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in
de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren wel
vrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid
ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten;--niet waar? Aan dit
woord zijn de geslachtsnamen De Laat en De Laet ontleend, die
vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het
vooral deze »laten", die by de opkomst en bevestiging der steden,
den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van
dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamen
De Poortere en De Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger,
De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymika Borghers,
Burghers en Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is
niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaam Borchart, Borgert,
Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.
De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en
neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk
gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden
uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen
nog als geslachtsnamen voor; te weten: Gildemeester, Baas, Gezelle,
Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den
tweeden-naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas,
die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als
geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan
tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan
een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy
vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, Knecht en De Knegt, ook
in Bouwknecht, Wagenknecht en Stalknecht. Hier toe behoort ook de
geslachtsnaam Koetsier en Coetsier. Ook Koetser, dat my eene halve
verdietsching schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis
van den naam Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel
een gemeenzame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze
als de geslachtsnamen Janknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn
vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een
geslachtsnaam, Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist
onder de vrye Friesen, te Leeuwarden voor. Dat deze naam nog zoude
dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden,
acht ik geheel onwaarschijnlik. Zou Slaaff hier ook een volksnaam
zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van
eenen hoogduitschen geslachtsnaam Schlaf? Deze naam is my wel nooit
voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche
woord slaap een geslachtsnaam formt; zie § 146.
Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar
in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van
den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden
bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgsman (met Kriegsman), en
Ruiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman
te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna
staat als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, De
Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De Maesschalck
voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapitein (zie bl. 307),
Hoofdman, Hooftman en Hopman (een nederlandsch bastaardwoord van
het hoogduitsche »Hauptmann", tydens ons gemeenebest by het leger in
gebruik), Ritmeester, Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager,
Vaandrig, Vendrik, en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, Musquetier,
De Schutter, De Handschutter (handboogschutter, in tegenstelling van
den voetboogschutter), en Schildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder
zijn de geslachtsnamen Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan
komen nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patronymikon Pypers. De
hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer
algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt in verschillende formen
en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden
voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds
onze grenzen overschreden!--Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor,
al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd
uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan
dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het
zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers.
§ 120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn
ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke
my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen--ik kan ze
niet schiften.
Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen Kerckheer,
De Kerckheer en De Paap, ook Paap, Pape en De Paepe, met de patronymika
Paaps, Spapen, Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming
van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis
eigenlik is van den geslachtsnaam De Boelpaep, die hier ook schijnt
te behooren, is my niet duidelik; 't en zy men hier by aan het
oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking
nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude
verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Langpaep, een
lange geestelike, is zoo veel te duideliker.--De volgende namen zijn
allen duidelik: Paus, en misschien ook Pous. (Neemt men in aanmerking
dat Pau, Pauw in gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik
is als afkorting van den mansvóórnaam Paulus, zoo is het zeer wel
mogelik dat deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen,
een patronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. Karel Pauszoon of
Karel Pausz, d. i. Karel de zoon van Pau of Paulus). Verder Cardinaal,
Bisschop, De Bisschop en Den Bisschop met het verbasterde Busschop en
het hoogduitsche Bischoff. Dan Priester en De Priester, Pastoor en,
als patronymika, Pastoors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteure. Proost
en De Proost, De Deken en Den Deken, Dominé, Abt en Den Abt, Prior,
Pater en De Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik,
De Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, met de patronymika
Munniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, Smeunincks en Munninksma;
zie bl. 166. Eindelik Jeswiet en Carmeliet. Omdat een monnik door de
Roomsch-Catholyken als »broeder" wordt aangesproken, en men ook van
hem spreekt als van »den broeder" of b. v. als »broeder Benedictus",
zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De Broeder en Den
Broeder ook zeer wel een monnik schuilen kan. Cluysenaer, Cluysenaar,
Heeremiet en Pelgrim, ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche
Pilger, en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim,
in den frieschen form Pylgrom, is in Friesland ook nog heden als
mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika
ook zeer wel aan dien mansvóórnaam ontleend zijn, en niet aan het
woord pelgrim.--Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel
de geslachtsnaam Rabbie bekend.
Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig,
reken ik de namen: Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster,
De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte
Costerus en de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Custodis
in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het hoogduitsche
Vorsänger, en Orgelist.
Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamen
Apostel, Profeet en De Maertelaere met De Maerteleire (martelaar). Zoo
ook Den Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen
afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet" nog de naam
van een huis--althans van eene handelszaak.
§ 121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf,
als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen,
den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen
vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind
ik opgenoemd: Alijt Weefster. Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack
Dekennaister; onder die van Dokkum: Ken Froedmoer, Aecht Baeckster,
enz. [168] Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan
zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden
is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon van Alijt Weefster
(ook al had deze Alijt misschien geen man) kon zich toch niet wel
naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. niet Willem
Weefster heeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten
zijn.
Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, naar myne
meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer
nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan eerst door eenen
man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou,
die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster" bekend
was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te
gelooven dat deze naam Sangster eene halve verdietsching ware van het
engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaam
Songster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch
eene mannelike beteekenis, dien van zanger heeft. Even zoo is het met
het engelsche woord webster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken
form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, toch wever,
niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engelschen oorsprong,
komt ook in de Nederlanden voor.
Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne
en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen
oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike
kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik
gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn"
en »De Non" kunnen nog namen van huizen geweest zijn, (»de Non"
althans wordt als huisnaam door Van Lennep en Ter Gouw vermeld), en
als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. Maar Quanonne,
de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by-
of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.
§ 122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo
zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven
en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie § 167 en
bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaam Bakker tot Pistorius geworden,
Kuiper tot Viëtor enz.
Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleêrmaker, van
het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche
woord sutor; Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt" als Fabricius
en Fabritius voorkomende, en in patronymikalen form als Fabri, Fabry en
Faberi, dat is: Smids, des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer
of de landman; Textor, wever; Carbasius en Velius, zeilmaker; Cantor,
de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik
voor jonger dan de 17de eeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst
van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen. Pistorius
is niet de eenigste vreemde form, waarin de naam Bakker is omgezet
geworden. Immers Syds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te
Dokkum, schreef zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt
weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is
hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam Nauta, met het ontaalkundige
Van Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan
beschoud worden als eene verlatynsching van den naam Schipper. Immers
het woord schipper is in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan, dat
dit met sommigen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar
deze naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn
(zie § 44) van den oud-germaanschen mansvóórnaam Nauto, Naute, die
in Förstemann's Namenbuch voorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaam
Nauts een vadersnaam is.
In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was,
gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde,
maar dat men slechts eenen latynschen uitgang, us of ius, voegde achter
den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen,
aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van
heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn
in dit werk reeds genoemd: Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus,
Cuperus. Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of
kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form,
als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. Verder
Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamperius (Stamper, Poerstamper,
zie bl. 318), Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus
my toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woord smid.
Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het
Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, Senator, in § 119
reeds vermeld, noem ik hier nog Praetorius en Sindikus. Misschien
behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.
De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben ook een latynsch
voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy
beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.
§ 123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en
bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld,
die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven
zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden
by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken
ik b. v. Knipscheer en Vingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen
kleermaker; Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd,
te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze:
»Baas Knieriem," of »Baas Pikkedraad"). Verder Hoefnagel, de bynaam
van den hoefsmid; Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen
komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. als Knyrim
en Knierum, Vingerhoedt, door uitslyting der h als Vingeroedt, ook als
patronymikon Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefnagels,
in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, in hoogduitschen form
als Hufnagel, enz.
Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst vóór
de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze
allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter
noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, de kleêrmaker Van der
Naald, de schoenmaker Van der Els of Van der Leest, de timmerman Van
den Hamer, Van der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Friesen volgden
weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen
te formen. De bleeker in Friesland noemde zich Osinga, de slachter
Bylsma, de schoenmaker Elsinga, de glazemaker Glasstra, de timmerman
Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als
geijkte maagschapsnamen, en houden de herinnering aan het voorvaderlike
bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze
in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van
oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong,
dan het volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie
bl. 256 en § 135), Osinga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. het
geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook § 129.