XLVIII.

Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De

harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling

uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk

toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't

instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de

speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets

aan haar verder leven schikken kon.

Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal

weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat

stond vóór haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet

meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen

leven....

En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en

weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende

seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om

haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar

broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en

haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve

voelde zich langzaam aan een oudje worden....

Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer

en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat

trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die

gewenscht en voortgesteld had.

Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest,

dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,

zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood

van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wèl gehoopt

dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij

beheeren.

Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen

haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als

hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had

kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog

zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een

deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij

haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een

heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhémar

en Bérénice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een

soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal

vreemde was.

En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de

nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer

verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar

oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest

beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte

geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu

liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was

zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en

ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij

verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog

enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpétue!...

Soeur Vincent-Perpétue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar

had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van

Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de

boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die

haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het

eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds

geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van

haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't

verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten

zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en

karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die

iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal

zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal

betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op

heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.

Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid

en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de

herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot

en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan

kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de

meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch

slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld

door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee

bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;

twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zóó innig had

liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!

Die alleen leefden, lééfden steeds intens voor haar!--Met die twee

leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige

verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde

stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen,

terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de

schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven

duren....

Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in

de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar

toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een

sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging,

dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...

dat zij weldra bereiken zou.

Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend

in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij

hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het

ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't

nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar

haar plaats tusschen hen bewaard bleef....

In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze

aarde haast niet meer. Nog één stapje, nog één oogenblikje wachtens ...

en zij was er....

Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden

najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als

een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo

stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen

in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar

het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar

wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch

niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm

gelaat.

Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een

onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken....

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 48 / 51 题