XLVII.

Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij

liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.

De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren

ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk

geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de

helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een

krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.

Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep

soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn

wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op

Smuls terugkomst.

Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht

en nog steeds was hij niet terug.

Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:

"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan

bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."

Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's

zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.

Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee

dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van

Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde

kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende

vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg,

meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig

kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai

geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank

te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer

vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de

"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't

"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer

Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken;

boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp

kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en

willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met

geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.

Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd

verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer

teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas

onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer

was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was

teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik

gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de

slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar

de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had

hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de

"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het

"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst

gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse"

terecht gekomen....

En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde

Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter

lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was

Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang

waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt,

toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te

gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer

gehoord of gezien.

Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden

en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij

verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.

"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij

't verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal

versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij

noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en

'k zal ik te binst noar Roze goan."

De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar

zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij

zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met

hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't

water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij

terug.

Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die

sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij

onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't

ware aan hen vast en smeekte snikkend:

"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij

blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"

Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien

wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van

onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en

zij zuchtte, als in een stille bede:

"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven

mier 'n zag!"

Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en

Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te

hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een

versterking van haar eenige, laatste hoop.

En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste

maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor

het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,

gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het

boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij

haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij

haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan

zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan

de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem

aarzelend op een afstand vergezelden.

Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,

beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn

woorden:

"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul

gevonden hên."

"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.

"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar

uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat

diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk

aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij

ligt in den stal van 't gemientenhuis."

"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate

moaken," antwoordde zij dof.

"En moet g'hem nie mier zien?"

"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig

hoofdschuddend.

"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."

En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De

nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard

meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 47 / 51 题