Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij
liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.
De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren
ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk
geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de
helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een
krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.
Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep
soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn
wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op
Smuls terugkomst.
Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht
en nog steeds was hij niet terug.
Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:
"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan
bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."
Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's
zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.
Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee
dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van
Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde
kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende
vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg,
meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig
kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai
geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank
te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer
vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de
"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't
"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer
Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken;
boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp
kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en
willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met
geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.
Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd
verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer
teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas
onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer
was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was
teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik
gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de
slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar
de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had
hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de
"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het
"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst
gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse"
terecht gekomen....
En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde
Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter
lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was
Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang
waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt,
toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te
gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer
gehoord of gezien.
Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden
en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij
verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.
"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij
't verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal
versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij
noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en
'k zal ik te binst noar Roze goan."
De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar
zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij
zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met
hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't
water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij
terug.
Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die
sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij
onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't
ware aan hen vast en smeekte snikkend:
"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij
blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"
Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien
wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van
onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en
zij zuchtte, als in een stille bede:
"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven
mier 'n zag!"
Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en
Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te
hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een
versterking van haar eenige, laatste hoop.
En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste
maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor
het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,
gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het
boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij
haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij
haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan
zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan
de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem
aarzelend op een afstand vergezelden.
Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,
beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn
woorden:
"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul
gevonden hên."
"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.
"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar
uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat
diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk
aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij
ligt in den stal van 't gemientenhuis."
"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate
moaken," antwoordde zij dof.
"En moet g'hem nie mier zien?"
"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig
hoofdschuddend.
"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."
En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De
nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard
meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....
* * * * *