Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone
leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou
nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.
De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van
achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar
voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte
kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het
vuur, en vroeg haar:
"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên
we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?"
Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar
plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon
ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar
immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar
betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als
onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:
"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"
"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de
suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd
uldere prijs."
"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.
"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier
probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w' hem nog 'n joar
loate liggen lijk of hij es?"
Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en
twijfel.
"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.
"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui
over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar
vervalschten kucht."
"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten."
Hij knikte met het hoofd en was weg.
Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der
boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had
er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem
overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La,
een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide
knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te
rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol
tranen:
"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven
helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en
hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder
eigen woare."
Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.
"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn,"
zei hij met een stem die trilde.
Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch
euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.
Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af,
en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn
gewoonte was:
"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen.
Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"
Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als
boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar
verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde
en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er
was een oogenblik volkomen stilte.
"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar
en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.
Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.
"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch
moar knechten alle twieë."
Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken
was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het
ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!
Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite
Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet
verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat
hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit.
Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden
wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.
* * * * *