Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen
hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde
naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in
haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de
doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen,
zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te
staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren
en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de
groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar,
gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets
van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds
terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de
breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die
af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken
middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje
vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even
op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om
de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het
bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne
hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn
recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille
verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte
bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte,
in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde
bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden
staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een
geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg
en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de
borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn
kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste
jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder
schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide
Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch
onverbiddelijk wist.
Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en
vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie
'n zilt hirtreiwen."
"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e
toch aan zulk 'ngedachten?"
Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij
eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen
en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle,
gele wangen, in zijn zwarten baard....
Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad:
Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader,
oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een
"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had
gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't
raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het
zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en
één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat
hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op
zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om
't kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer
binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd.
Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen,
vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze
staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij
ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar
plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en
stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van
angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem
en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de
volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over
hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna
onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht
neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als
de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even
zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het
eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het
was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de
onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van
onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene
kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist
het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek
zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet
bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was;
't was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging
rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het
Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur,
klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden
kleivloer.
De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere
gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar
hem informeeren kwam.
"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een
droom.
Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel,
aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken
in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de
oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos
lang....
In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje.
Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig
klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag
op den harden kleivloer.
Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren
lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook
Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de
begrafenis te regelen.
Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets
merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen
zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge
koorts te bed lag.
De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels
stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het
erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was
stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje
kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het
Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En
iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee
paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór
den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als
naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag:
"Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen
moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks
hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes
teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders,
dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even
buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en
keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis
de kinderen bezig.
Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een
stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts
en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich
op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige
stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
wagen van het erf.
Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als
't ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en
weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere,
op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den
zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten
gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende
kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken
en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen
handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote
uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin
het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer
zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald
geroep....
* * * * *