Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke
antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles
best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge
barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods
met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn
gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt;
hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder
overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den
vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een
ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje,
waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar
macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast
scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was
blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed
uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke
koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch
om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje
van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden
komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind
vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépèche?...
veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het
jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe
van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de
oogen schemerend:
"Ik kom van avond terug.