XXVIII.

Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij

ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem

lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den

baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en

somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou

en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo

een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om

zou zien. En toch!...

Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!

Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het

boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel

mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer

den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had,

dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van

den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad

gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op

schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel

bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een

oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en

watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen

bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve

veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige

dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam

er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat

dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met

enkele maanden te laat op de wereld te komen.

Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was,

sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij

zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet

in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep

wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel

openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn

't Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij

niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit

beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en

tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal

zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't

onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook

niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en

deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n

schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't

wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij

al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend

noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde

zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om

hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den

arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch

van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar

kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of

stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en

Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel

niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam

onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel,

het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er

in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte

wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette,

zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 27 / 51 题