In de villa na donker. Naar 't Oosten kijkend van binnen uit,
in plaats van naar 't Westen van buiten af, ziet men het raam
met kleine ruitjes waarvoor de gordijnen zijn dichtgetrokken, nu
midden in den voormuur van het villatje, met de entreedeur links er
van. In den linkermuur is de deur, die naar den uitbouw leidt. Op
den achtergrond tegen denzelfden muur is 'n klein plat buffet met
'n kaars en lucifers er op, en Franks geweer, waarvan de loop in
'n bordenrek rust, er tegen aangezet. In het midden een tafel met
'n aangestoken lamp er op. Vivie's boeken en schrijfgerei liggen op
'n tafel rechts van 't raam, tegen den muur aan. De haard is rechts
met 'n klein bankje er voor; er is geen vuur in. Twee van de stoelen
zijn rechts en links van de tafel geplaatst.
De entree-deur gaat open, waardoor men buiten 'n mooie sterrenlucht
ziet, en mevrouw Warren gewikkeld in 'n shawl van Vivie, komt binnen,
gevolgd door Frank. Ze heeft genoeg van wandelen en blaast 'n zucht
van verlichting uit, terwijl zij de pennen uit haar hoed neemt, die
daarna afzet, de pennen door den bol steekt en den hoed op tafel legt.
MEVR. WARREN. O Heere! Ik weet niet wàt 't ergste is van 't buiten
zijn; het wandelen of 't thuiszitten zonder iets uit te voeren. Ik
zou nou veel geven voor 'n whisky met spuitwater, als er zoo iets
maar te krijgen was in dit gat.
FRANK (helpt haar om haar shawl af te doen en geeft onder de hand
haar schouders eventjes 'n lichte liefkoozing). Misschien heeft Vivie
wel wat.
MEVR. WARREN (keert zich om en kijkt even naar hem van uit den hoek
van haar oog, als ze het kneepje voelt). Gekheid! Wat zou 'n jong
meisje als zij daarmee doen.--Enfin, komt er niet op aan. (Ze valt
vermoeid neer op 'n stoel bij de tafel). Ik begrijp niet hoe ze haar
tijd hier zoek brengt. Ik zou veel liever in Weenen zitten.
FRANK. Laat mij u daar mee naar toenemen. (Hij vouwt de shawl netjes
op, hangt die over den rug van den anderen stoel en gaat tegenover
haar zitten).
MEVR. WARREN. Loop heen! Bij jou is 't geloof ik ook: 'n aardje naar
z'n vaartje.
FRANK. Precies de oude heer, hè?
MEVR. WARREN. Houd je daar buiten. Wat weet je van die dingen af? Je
bent nog maar 'n kuiken.
FRANK. Toe, ga met me mee naar Weenen. 't Zou zoo allemachtig leuk
zijn.
MEVR. WARREN. Dank je wel. Weenen is geen plaats voor jou, tenminste
niet vòòr je wat ouder bent. (Zij knikt tegen hem om kracht bij
te zetten aan deze raadgeving. Hij zet 'n kwasi-droevig gezicht,
terwijl z'n oogen lachen. Zij kijkt hem aan, staat dan op en komt
naar hem toe). Kijk 'ns hier, kleine vent--(neemt z'n gezicht en licht
't op). Ik ken je van haver tot gort door de gelijkenis met je vader,
beter dan jij jezelf kent. Haal je nou, wat mìj betreft, geen dwaze
ideeën in je kop, versta je?
FRANK (haar galant 't hof makend met z'n stem). Kan 't niet helpen,
lieve mevrouw Warren, 't zit in 't bloed. (Zij doet alsof ze hem om
z'n ooren wil slaan; kijkt dan, 'n oogenblik in verzoeking gebracht,
naar 't lachende, aardige, naar haar toegewende gezicht;--ten slotte
kust ze hem en wendt zich onmiddellijk af, knorrig op zichzelf).
MEVR. WARREN. Daar! Dat had ik niet moeten doen. Ik bèn ook
slecht.--Neem er maar geen notitie van jongenlief, 't was maar 'n
moederlijke zoen. Ga heen en flirt met Vivie.
FRANK. Dat doe ik al.
MEVR. WARREN (keert zich haastig naar hem toe met 'n scherpen toon
van angst in haar stem). Wat?
FRANK. Vivie en ik zijn dikke vrinden.
MEVR. WARREN. Wat meen je daarmee? Hoor ès; ik duld niet, dat eenige
kwajongen scharrelt met mijn kleine meid. Begrepen? Dat wil ik
nièt hebben.
FRANK (in 't minst niet beschaamd). M'n beste mevrouw Warren, wees
toch niet zoo ontdaan. Ik heb eerlijke bedoelingen, zoo eerlijk
mogelijk. En jouw kleine meid is best in staat om op zich zelf te
passen. Je hoeft haar lang niet zoo onder 'n stolpje te zetten als
haar moeder. Ze is niet zoo mooi, weet je.
MEVR. WARREN (perplext van z'n zekerheid). Nou, jij hebt ook 'n flinke,
aardige, twee-duim-dikke-laag brutaligheid over je. Van wièn je 't
hebt weet ik niet,--van je vader zeker niet. (Stemmen en voetstappen
bij den ingang). Sst! Ik hoor de anderen binnen komen. (Zij gaat
haastig zitten). Onthoud 't nou; je bent gewaarschuwd (De eerwaarde
Samuel komt binnen gevolgd door Crofts). Zoo, wat hebben jullie
uitgevoerd? En waar zijn Praeddie en Vivie?
CROFTS (zet zijn hoed op het bankje en z'n stok in den hoek van den
schoorsteen). Zij zijn den heuvel opgegaan. En wij 't dorp in. Ik had
'n hartversterking noodig. (Hij gaat op de bank zitten).
MEVR. WARREN. Nou, ze moest er niet zoo van doorgaan, zonder me iets
te zeggen (tot Frank). Krijg 'n stoel voor je vader; waar zijn je
manieren? (Frank springt op en biedt z'n vader op hoffelijke wijze
een stoel aan. Krijgt dan 'n andere van den muur vandaan en gaat
midden aan de tafel zitten, met z'n vader rechts en mevrouw Warren
links van hem). George, waar zul jij van nacht blijven? Hier kunnen
wij je niet bergen. En wat zal Praeddie doen?
CROFTS. Gardner brengt me onder dak.
MEVR. WARREN. O natuurlijk. Jij zult wel voor jezelf gezorgd
hebben. Maar waar blijft Praeddie?
CROFTS. 'k Weet niet. Ik veronderstel, dat hij in 't logement kan
slapen.
MEVR. WARREN. Heb jij geen plaats voor hem, Sam?
DOMINÉ. Wel... è... als dominé hier weet je, ben ik niet vrij om te
doen wat ik precies wil... è... Wat is Praed z'n maatschappelijke
positie?
MEVR. WARREN. O, laat dat maar loopen; hij is 'n architect. Wat
'n oude sok ben je toch, Sam.
FRANK. Ja, dat 's in orde, oude heer. Hij heeft dat ding gebouwd,
daar in Monmouthshire voor den hertog van Beaufort. Tintern Abbey heet
't. Je zult er wel van gehoord hebben. (Hij wenkt mevr. Warren toe
met bliksemsnelle behendigheid en ziet z'n vader onschuldig aan).
DOMINÉ. O, in dat geval zal 't ons natuurlijk zeer aangenaam wezen. Ik
vermoed, dat hij den hertog van Beaufort persoonlijk kent?
FRANK. O... heel intiem zelfs! We kunnen hem in Georgina's oude
kamer plakken.
MEVR. WARREN. Zoo, dat is dus afgesproken. Als nou die twee maar
wouen komen en wij ons soupé konden hebben. 't Komt niet te pas,
om zoo lang na donker uit te blijven.
CROFTS (ruziemakerig). Wat voor kwaad doen ze je?
MEVR. WARREN. Kwaad of niet, 't bevalt me niet.
FRANK. U doet beter met niet op hen te wachten, mevrouw Warren. Praed
zal zoo lang mogelijk uitblijven. Hij heeft nooit geweten, wat 't
zeggen wil om op 'n zomernacht over de hei te dwalen met mijn Vivie.
CROFTS (gaat ontsteld overeind zitten). Zeg is even...!
DOMINÉ (uit z'n professionneele manieren opgeschrikt tot echte kracht
en ernst). Frank, eens en voor al, dat is buiten de kwestie. Mevrouw
Warren zal je vertellen, dat daar niet aan te denken valt.
CROFTS. Natuurlijk niet.
FRANK (met innemende kalmte). Is dat zoo, mevrouw Warren?
MEVR. WARREN (nadenkend). Wel, ik weet 't niet, Sam. Als 't kind wil
trouwen, kan er geen goed van komen om haar òngetrouwd te laten.
DOMINÉ (perplext). Maar getrouwd met hèm! Jouw dochter met mijn
zoon. Denk dan toch eens: dat is onmogelijk.
CROFTS. Natuurlijk is 't onmogelijk. Wees niet mal, Kitty.
MEVR. WARREN (geprikkeld). Waarom niet? Is mijn dochter niet goed
genoeg voor jouw zoon?
DOMINÉ. Maar waarlijk, beste mevrouw Warren, je weet toch de reden....
MEVR. WARREN (uitdagend). Ik weèt van geen reden. Als jìj er een weet,
kun je hem aan den jongen vertellen, of aan haàr, of aan je gemeente,
als je wilt.
DOMINÉ (hulpeloos). Je weet heel goed, dat ik niemand de reden
vertellen kan. Maar m'n jongen zal me wel gelooven, als ik hem zeg,
dát er redenen zijn.
FRANK. Zeker oude, dat zal hij. Maar heeft jouw jongen zich ooit
laten leiden door jouw redenen?
CROFTS. Je kùnt haar niet trouwen, en daarmee uit. (Hij staat op
en gaat voor den haard staan, met z'n rug er naar toe, beslist
wenkbrauwfronsend).
MEVR. WARREN (zich vinnig naar hem omkeerend). Wat heb jij er mee te
maken, zeg?
FRANK (met z'n liefelijksten lyrischen stemval). Juist wat ik u wou
vragen op m'n eigen, beminnelijke manier.
CROFTS (tot mevr. Warren). Ik vermoed, dat je je dochter niet verlangt
te laten trouwen met 'n man jonger dan zij,--zonder 'n beroep, of
'n duit geld om haar te onderhouden. Vraag 't Sam, als je mij niet
wilt gelooven (tot den dominé). Hoeveel geld denk je hem mee te geven?
DOMINÉ. Geen cent. Hij heeft z'n erfdeel al gehad en het laatste
ervan opgemaakt in Juli. (Mevrouw Warren's gezicht betrekt).
CROFTS (haar observeerend). Heb ik 't je niet gezegd? (Hij herneemt
z'n plaats op de bank en zet z'n beenen weer op de zitting, alsof nu
voor goed met 't onderwerp is afgedaan).
FRANK (beklaaglijk). Dat is nou echt kruieniersachtig. Denk je,
dat juffrouw Warren om geld wil trouwen? Als wij van elkaar houden....
MEVR. WARREN. Wel bedankt. Je liefde is 'n aardig, goedkoop artikel,
jongenlief. Als jij niet de middelen hebt om 'n vrouw te onderhouden,
dan is de zaak beslist; dan krijg je Vivie niet.
FRANK (hoogelijk geamuseerd). Wat zeg jij er van oude heer, hè?
DOMINÉ. Ik ben 't met mevrouw Warren eens.
FRANK. En die goeie, oude Crofts heeft z'n meening al gezegd.
CROFTS (wendt zich boos om op z'n elboog). Hoor 'ns: ik ben niet
gediend van jouw onbeschaamdheid.
FRANK (gevat). 't Spijt me verbazend, dat ik je onaangenaam ben
Crofts,--maar jij permitteerde jezelf daarnet de vrijheid om als
'n vader tegen me te spreken. Eén vader is genoeg, wel bedankt hoor.
CROFTS (verachtelijk). Phoe! (Hij draait zich weer om).
FRANK (opstaand). Mevrouw Warren,--ik kan geen afstand doen van Vivie,
zelfs niet ter wille van u.
MEVR. WARREN (mompelend). Zoo'n kwajongen!
FRANK. En daar u ongetwijfeld van plan bent om andere vooruitzichten
voor haar te openen, zal ik geen tijd verliezen met m'n zaak bij
haar te bepleiten. (Zij staren allemaal naar hem, en hij begint op
bekoorlijke wijze te declameeren):
"Of wel hij vreest zijn lot te zeer,
Of acht zijn waarde kleen,
Wie niet den worp waagt: op òf neer,
Zijn àl op éénen steen!"
(De voordeur wordt geopend, terwijl hij reciteert en Vivie en Praed
komen binnen. Hij houdt op. Praed legt z'n hoed op 't buffetje. Er
is onmiddellijk 'n verbetering merkbaar in de manieren van het
gezelschap. Crofts neemt z'n beenen van de bank af en gaat overeind
zitten, als Praed zich bij hem voegt bij den haard. Mevrouw Warren
verliest haar losheid van manieren en verschuilt zich in knorrigheid).
MEVR. WARREN. Waar ter wereld ben je geweest, Vivie?
VIVIE (neemt haar hoed af en gooit hem achteloos op tafel). Den
heuvel op.
MEVR. WARREN. Nou, je behoorde niet zoo weg te loopen, zonder me
iets te laten zeggen. Hoe kon ik weten, wat er van je geworden was,
en dat nogal bijna in den nacht!
VIVIE (gaat naar de deur van de binnenkamer en opent die zonder op
haar moeder te letten). En nu 't soupé!--Ik ben bang, dat we hier
nogal opgepropt zullen zitten.
MEVR. WARREN. Hoorde je niet, wat ik zei, Vivie?
VIVIE (kalm). Ja moeder. (Weer terugkomend op de moeielijkheid van
't soupé) Met de hoevelen zijn we? (tellende). Een, twee, drie, vier,
vijf, zes.... Wel, twee zullen er moeten wachten tot de rest klaar
is. Juffrouw Alison heeft maar borden en messen voor vier.
PRAED. O, voor mij komt 't er niet opaan. Ik....
VIVIE. U hebt 'n lange wandeling gemaakt en u hebt honger, mijnheer
Praed; u zult dàdelijk soupeeren. 't Is noodig, dat er een met me
wacht. Frank, heb jij honger?
FRANK. In 't minst niet;--absoluut geen trek zelfs.
MEVR. WARREN. En jij ook niet George. Jij kan wachten.
CROFTS. Och, loop heen. Ik heb niets gegeten sinds theetijd. Kan Sam
't niet doen?
FRANK. Wou u m'n arme vader laten verhongeren?
DOMINÉ (knorrig). Sta me toe voor me zelf te spreken, jongmensch.
VIVIE (beslist). Dat hoeft niet. Er zijn er maar twee noodig. (Ze opent
de deur naar de binnenkamer). Wilt u m'n moeder mee naar binnen nemen,
mijnheer Gardner? (de dominé geleidt mevrouw Warren en gaat met haar
naar de andere kamer. Praed en Crofts volgen. Allen, behalve Praed,
zijn blijkbaar weinig ingenomen met deze schikking, maar weten niet
hoe er zich tegen te verzetten. Vivie blijft bij de deur staan en
kijkt naar hen). Kunt u u doorpersen tot aan dien hoek, mijnheer
Praed,--'t past maar net aan. Pas op voor uw jas tegen de gewitte
muur,--mooi zoo. Zit u nu allemaal goed?
PRAED (van binnen af). Heel goed, dank u.
MEVR. WARREN (van binnen af). Laat de deur open, liefje. (Frank
kijkt naar Vivie, sluipt dan naar de buitendeur en zet die zachtjes
wijd open). O Heere, wat 'n tocht! Doe hem toch maar liever dicht,
kind. (Vivie sluit de deur dadelijk, Frank sluit zachtjes de
buitendeur).
FRANK (juichend). Ha! Ze kwijtgeraakt! Vivie, wat vind je van m'n
ouden heer?
VIVIE (gepreoccupeerd en ernstig). Ik heb hem ternauwernood
gesproken. Hij geeft me niet den indruk van 'n bizonder intelligent
man.
FRANK. Och, weet je, de oude is, over 't geheel genomen, niet zòò dwaas
als hij er uitziet. Je moet denken, hij is nou eenmaal dominé hier,
en doordat hij 't ook wil schijnen, stelt hij zich veel stommer aan
dan hij eigenlijk is. Nee, de oude heer is zoo kwaad niet, en ik heb
volstrekt 't land zoo niet aan hem als je misschien zou denken. Hij
meent 't goed. Hoe denk je, dat je met hem op zult schieten?
VIVIE (bijtend sarcastisch). Ik geloof niet, dat hij 'n groote plaats
in m'n toekomstig leven zal innemen, noch een van m'n moeders ouden
kring, behalve Praed misschien. Wat denk jij van m'n moeder?
FRANK. Eerlijk en oprecht?
VIVIE. Ja, eerlijk en oprecht.
FRANK. Wel, ze is allemachtig leuk.--Maar 't is me er eentje, niet? En
Crofts. Groote goden, die Crofts!
VIVIE. Wat 'n troep, Frank!
FRANK. Wat 'n zootje!
VIVIE (met de diepste verachting voor hen). Als ik dacht, dat ik
zòò was, dat ik 'n doorbrengster zou worden, die doelloos haar tijd
verslabakt van den eenen maaltijd tot den anderen, zonder karakter
en zonder pit in me,--dan zou ik me 'n aâr openen en me dood laten
bloeden, zonder 'n oogenblik aarzelen.
FRANK. Welnee, dat zou je niet. Waarom zouden zij aan den zwoeg gaan,
als ze 't niet hoèven te doen? Ik wou, dat ìk zoo gelukkig was. Nee,
waar ik op tegen heb, dat zijn hun manieren. 't Is niet de leeglooperij
zelf. Hun manieren zijn schunnig, echt ordinair.
VIVIE. Geloof je, dat jouw manieren 'n haar beter zullen wezen,
als je zoo oud zult zijn als Crofts,--wanneer je niet werkt?
FRANK. Natuurlijk geloof ik dat,--oneindig veel beter. Vivums moet
niet preeken; haar kleine jongen is onverbeterlijk. (Hij tracht haar
gezicht liefkoozend tusschen z'n handen te nemen).
VIVIE. Weg er mee! Vivums is niet in de stemming om haar jongentje
te vertroetelen.
FRANK. Hoe onvriendelijk!
VIVIE (stampend). Wees ernstig. Ik ben ernstig.
FRANK. Goed. Laten we geleerd spreken. Juffrouw Warren, weet u wel,
dat al de meest liberale denkers hièrin overeenstemmen, dat de helft
van de ziekten der moderne beschaving moeten toegeschreven worden
aan verhongering der affecties in de jeugd? Ik nu...
VIVIE (hem kortaf onderbrekend). Je wordt vervelend. (Zij opent
de binnendeur.) Is er nog plaats voor Frank? Hij klaagt dat hij
verhongert.
MEVR. WARREN (van binnenaf). Zeker is er. (Gekletter van messen en
glazen, als zij die op tafel verschuift). Hier, er is nù plaats naast
mij. Kom, Frank!
FRANK (zachtjes tot Vivie als hij gaat). D'r kleine jongen zal dit
z'n Vivums goed betaald zetten. (Hij gaat de andere kamer binnen).
MEVR. WARREN (van binnenuit). Hier Vivie, kom jij ook binnen, kind. Je
zult wel uitgehongerd zijn. (Zij komt binnen, gevolgd door Crofts,
die de deur voor Vivie openhoudt met kennelijk ontzag. Zij gaat heen
zonder hem aan te zien en hij sluit de deur achter haar). Wel George,
jij kunt nog niet klaar zijn. Je hebt niks gegeten.
GEORGE. O, ik had alleen maar trek om wat te drinken. (Hij steekt
z'n handen in z'n zakken en begint door de kamer te draaien, onrustig
en stuursch).
MEVR. WARREN. Nou, ik hoû er van om genoeg te krijgen,--maar met wat
koud vleesch, met sla en kaas, kom je al 'n heel eind. (Met 'n zucht
van slechts halve verzadiging gaat ze lui neerzitten bij de tafel).
CROFTS. Waarom blijf je die snotneus aanmoedigen?
MEVR. WARREN (dadelijk op haar qui-vive). Hoor is George: wat wìl
je nou met m'n dochter? Ik heb gezien op wat voor manier je haar
aankijkt. Weet wel: ik ken je en ik weet wat je blikken beteekenen.
CROFTS. 't Kan toch geen kwaad om naar d'r te kijken, wel?
MEVR. WARREN. Ik zou je heel gauw de deur uitzetten en naar Londen
terugsturen als ik iets van jouw onzin in de gaten kreeg. Mijn dochters
pink is me meer waard dan jouw heele lichaam en ziel. (Crofts hoort
dit aan met 'n grijns. Mevrouw Warren, even blozend door haar onmacht
om indruk op hem te maken als 'n theatrale moeder vol toewijding,
voegt er zachtjes aan toe): Wees maar gerust, de jonge snotneus heeft
niet meer kans dan jij.
CROFTS. Mag 'n man zich dan niet voor 'n meisje interesseeren?
MEVR. WARREN. Niet 'n man als jij.
CROFTS. Hoe oud is ze?
MEVR. WARREN. Dat gaat je niet an.
CROFTS. Waarom maak je daar zoo'n geheim van?
MEVR. WARREN. Omdat ik 't verkies.
CROFTS. Nou, ik ben nog geen vijftig. En m'n bezittingen zijn in
zoo'n goeien staat als ooit....
MEVR. WARREN (hem in de rede vallend). Ja, omdat je even gierig als
gemeen bent.
CROFTS (vervolgend). En 'n jonkheer is niet iederen dag te
krijgen. Niet één andere man in mijn positie zou genoegen nemen met
'n schoonmoeder als jij. Waarom zou ze me niet trouwen?
MEVR. WARREN. Jou?
CROFTS. We zouden met z'n drieën lekkertjes kunnen leven. Ik zou vòòr
haar sterven en haar achterlaten als 'n zwierig weeuwtje met overvloed
van geld. Waarom niet? De gedachte daaraan is aldoor sterker in me
geworden, terwijl ik met dien gek van daarbinnen liep te wandelen.
MEVR. WARREN (in opstand komend). Ja, juist 't soort van gedachte om
in joù op te komen. (Hij houdt op met rondsluipen en de twee kijken
elkaar aan; zij vast, met 'n zekeren angst verscholen achter haar
verachting en afschuw, hij heimelijk met 'n zinnelijken grijns en
oogenglimp, waarmee hij haar tracht te verlokken).
CROFTS (wordt plotseling bezorgd en dringend, als hij geen teeken van
sympathie bij haar ziet). Hoor 'is Kitty, je bent 'n verstandige vrouw,
stel je nou niet braaf an.--Ik zal niet meer vragen en jij hoeft niet
meer te antwoorden. Ik zal m'n heele bezitting op haar vastzetten. En
als jij op den huwelijksdag voor jezelf 'n wissel verlangt, dan kun
je de som noemen, die jezelf wilt,--altijd in 't redelijke.
MEVR. WARREN. Bah! Daartoe is 't dus met je gekomen, George, net als
met alle andere afgesjouwde ouwe kerels.
CROFTS (woest). Verdomd! (Zij staat op en keert zich heftig naar
hem toe,--maar de deur van de binnenkamer wordt dan juist geopend en
men hoort de stemmen van de anderen, die terugkomen. Crofts, niet in
staat zich te beheerschen, snelt naar buiten. De dominé komt terug).
DE DOMINÉ (rondkijkend). Waar is Jhr. George?
MEVR. WARREN. Naar buiten gegaan om z'n pijp te rooken. (Zij gaat
naar den haard, met haar rug naar hem toe, om tot bedaren te komen. De
dominé gaat naar de tafel om z'n hoed te krijgen. Onderwijl komt Vivie
binnen, gevolgd door Frank, die met 'n vertoon van diepe uitputting
in den meest nabijzijnden stoel neervalt. Mevrouw Warren kijkt rond
naar Vivie en zegt met haar affectatie van moederlijke bezorgdheid
nog gemaakter dan gewoonlijk). Wel lieverd, heb je lekker gesoupeerd?
VIVIE. U weet wat juffrouw Alisons soupé's waard zijn! (Zij keert
zich tot Frank en troetelt hem). Arme Frank, was al 't vleesch dan
op? Heeft hij niets gehad dan brood en kaas en gemberbier? (weer
ernstig, alsof ze al genoeg gekheid heeft gemaakt voor één avond). Haar
boter is heusch afschuwelijk. Ik moet wat boter van Londen laten komen.
FRANK. Doe dat in 's hemelsnaam. (Vivie gaat naar de schrijftafel en
noteert de bestelling van de boter. Praed komt binnen van de andere
kamer,--z'n zakdoek opvouwend, die hij als servet gebruikt had).
DOMINÉ. Frank, m'n jongen, 't is tijd voor ons om naar huis te gaan. Je
moeder weet nog niet, dat we gasten krijgen.
PRAED. Ik ben bang, dat we moeite zullen geven.
FRANK. In 't minst niet, Praed; m'n moeder zal 't heerlijk vinden om
kennis met je te maken. Ze is 'n echt intellectueele, artistieke vrouw,
en ziet hier niemand van 't begin tot 't eind van het jaar behalve den
ouden heer. Je kunt je dus voorstellen hoe suf dat voor haar is (tot
den dominé). Jij bent niet intellectueel of artistiek, wel piepa? Neem
Praed dus dadelijk mee naar huis; dan zal ik hier blijven om mevrouw
Warren gezelschap te houden. Je zult Crofts in den tuin vinden. Hij
zal uitstekend gezelschap zijn voor onzen jongen bulhond.
PRAED (neemt z'n hoed van het buffetje en komt dicht naar Frank
toe). Kom met ons mee, Frank. Mevrouw Warren heeft juffrouw Vivie
in zoo lang niet gezien en tot nu toe hebben wij ze belet om maar
'n oogenblik samen te zijn.
Frank (geheel verteederd, kijkt op naar Praed met romantische
bewondering). Natuurlijk, dat vergat ik. Wel bedankt voor je
vermaning. Bent 'n echte gentleman, Praeddie. Altijd geweest--m'n
levensideaal! (Hij staat op om te gaan, maar blijft 'n oogenblik staan
tusschen de twee oude heeren en legt z'n hand op Praeds schouder). Och,
als jij maar m'n vader was geweest, inplaats van dezen onwaardigen,
ouden man! (Hij legt z'n andere hand op z'n vaders schouder).
DOMINÉ (lawaaiig). Zwijg jongmensch, zwijg; je bent profaan.
MEVR. WARREN (lacht hartelijk). Je moest hem beter in toom houden,
Sam. Goeie nacht. Hier, geef George z'n hoed en stok met m'n
complimenten.
DOMINÉ (ze aannemend). Goeien nacht. (Zij geven elkaar de hand. Als
hij langs Vivie gaat, geeft hij die ook de hand en zegt haar goeden
nacht. Daarna, bulderend commandeerend tot Frank): Komaan jongmensch,
vlug wat. (Hij gaat heen. Frank heeft onderwijl z'n pet van de aanrecht
genomen en z'n geweer uit het rek. Praed geeft mevrouw Warren en Vivie
de hand en gaat heen,--mevrouw Warren begeleidt hem op haar gemak en
kijkt hem achterna door den tuin. Frank bedelt stilletjes om 'n kus
van Vivie, maar zij zendt hem weg met 'n strengen blik, neemt dan 'n
paar boeken en wat papier van de schrijftafel en gaat er mee zitten
aan de tafel, in 't midden, om het schijnsel van de lamp te hebben).
FRANK (bij de deur, vat mevrouw Warrens hand). Goeie nacht, liève
mevrouw Warren. (Hij knijpt haar hand. Zij trekt die haastig weg,
klemt haar lippen samen en ziet er meer dan half geneigd uit om hem
om z'n ooren te slaan. Hij lacht ondeugend en rent weg, de deur achter
zich toeslaand).
MEVR. WARREN (keert terug naar haar plaats aan de tafel, tegenover
Vivie, blijkbaar berustend in 't vooruitzicht van 'n vervelenden avond,
na het vertrek van de heeren). Heb je ooit in je leven iemand zòò
hooren kakelen? (zij gaat zitten). Wat 'n plaag is 't-ie, hè? Nou
ik er aan denk liefje, moedig jij hem niet an, hoor. Ik ben zeker,
dat hij 'n echte deugniet is.
VIVIE. Ja, ik ben wel bang, dat hij 'n echte deugniet is. Ik zal
hem moeten zien kwijt te raken. Maar 't zal me erg voor hem spijten,
al is hij 't niet waard, de arme jongen.--Die Crofts schijnt me ook
niet veel zaaks te zijn, wel?
MEVR. WARREN (gekwetst door haar toon). Wat weet jij van de mannen af,
kind, om op die manier over ze te praten? Je kunt je er op voorbereiden
om Jhr. George hier dikwijls te zien,--omdat hij 'n vrind van me is.
VIVIE (volmaakt koel). Waarom? Verwacht u, dat we veel samen zullen
zijn,--u en ik, meen ik?
MEVR. WARREN (haar aanstarend). Natuurlijk, totdat je getrouwd bent. Je
gaat niet meer naar je colleges terug.
VIVIE. Gelooft u dan, dat mijn manier van leven u zou bevallen? Ik
betwijfel het.
MEVR. WARREN. Jouw manier van leven? Wat meen je?
VIVIE (terwijl zij 'n pagina van haar boek opensnijdt met het vouwbeen
van haar chatelaine). Is 't heusch nooit bij u opgekomen, moeder,
dat ik 'n manier van leven heb zoo goed als andere menschen?
MEVR. WARREN. Wat 'n onzin probeer je nou te praten! Wil je me soms
je onafhankelijkheid toonen, omdat je nou op school 'n persoontje
van belang bent geworden? Wees niet mal, kind.
VIVIE (op toegevenden toon). Is dat alles wat u over het onderwerp
te zeggen hebt, moeder?
MEVR. WARREN (verbijsterd, daarna boos). Ga nou niet door me zoo te
ondervragen (heftig). Hoû je mond. (Vivie gaat door met haar werk,
zonder tijd te verliezen of iets te zeggen). Jij met je manier van
leven! Wat nog meer? (Zij kijkt naar Vivie; geen antwoord). Jouw
manier van leven zal zijn wat mij bevalt;--dàt zal-die (weer 'n
pauze). Ik heb die pretenties van je al opgelet, van af dat je die
tripos gekregen hebt, of hoe dat examen heeten mag.--Als je denkt,
dat ik daarmee genoegen neem, dan vergis je je, en hoe eerder je
dat merkt, des te beter (pruttelend). Al wat ìk er over te zeggen
heb,--wel zeker! (weer haar stem verheffend, boos). Weet je wel,
tegen wie je spreekt, juffertje?
VIVIE (haar aankijkend, zonder haar hoofd van haar boek op te
heffen). Nee. Wie bent u? Wàt bent u?
MEVR. WARREN (staat ademloos op). Jouw brutaal nest!
VIVIE. Iedereen kent mìjn reputatie, mìjn maatschappelijke positie
en het beroep, dat ik wil volgen. Ik daarentegen weet niets van u
af. Wat is dat soort van leven, dat u verlangt, dat ik deelen zal
met u en Jhr. George?
MEVR. WARREN. Pas op! Ik zal iets doen, waar ik later spijt van zal
hebben, en jij ook.
VIVIE (haar boek op zij schuivend met koele beslistheid). Wel, laten
we dan 't onderwerp laten rusten, tot u 't beter aan zult durven
(bekijkt haar moeder kritisch). U moet eens flink wandelen en tennissen
om weer op streek te komen. U bent in 'n allertreurigste conditie;
u was vandaag niet eens in staat om twintig meter te klimmen zonder
te hijgen;--en uw polsen zijn net rolletjes vet. Kijk de mijne eens
(zij steekt haar polsen uit).
MEVR. WARREN (ziet haar eerst hulpeloos aan, begint dan te
huilen). Vivie....
VIVIE (springt haastig op). Begin nou asjeblieft niet te huilen. Alles
liever dan dat. Ik kan wezenlijk geen gegrien verdragen. Als u dat
doet, zal ik de kamer uitgaan.
MEVR. WARREN (beklaaglijk). O m'n lieveling, hoe kàn je zoo hard
tegen me zijn? Heb ik dan geen rechten op je als moeder?
VIVIE. Bènt u m'n moeder?
MEVR. WARREN (hevig ontdaan). Bèn ik je moeder! O Vivie!
VIVIE. Waar zijn dan m'n bloedverwanten, m'n vader--onze
familievrienden? U eischt de rechten van 'n moeder; het recht om me
'n dwaas en 'n kind te noemen, om tegen me te spreken, zooals niet
één vrouw, die boven me stond op school, ooit tegen me durfde te
spreken,--om me een levenswijs voor te schrijven en me de kennismaking
op te dringen van 'n vent, van wien iedereen kan zien, dat hij tot
het gemeenste soort van viveurs behoort. Vòòr ik mezelf nu de moeite
geef om me tegen die eischen te verzetten, doe ik, dunkt me, beter,
er eerst achter te komen of ze eenig recht van bestaan hebben.
MEVR. WARREN (op haar knieën neervallend). O nee, nee, hoû op, hou
op! Ik bèn je moeder, ik zweer het! O je zult je toch niet tègen me
willen keeren,--m'n eigen kind;--'t is niet natuurlijk! Je gelooft me,
niet waar? Zeg dat je me gelooft?
VIVIE. Wie was m'n vader?
MEVR. WARREN. Je weet niet wat je vraagt. Dat kan ik je niet vertellen.
VIVIE (beslist). O ja, dat kunt u wel, als u wilt. Ik heb 't recht
dat te weten.--En u weet heel goed, dat ik dat recht hèb. U kunt
weigeren om 't me te zeggen, als u verkiest,--maar àls u dat doet,
zult u me morgenochtend voor 't laatst gezien hebben.
MEVR. WARREN. O, 't is vreeselijk je zòò te hooren praten. Je zoudt
me niet.... je kùnt me niet verlaten.
VIVIE (meedoogenloos). Ja, zonder 'n oogenblik te aarzelen, als u me
op dàt punt aan 't lijntje blijft houden (rillend van afschuw). Hoe
kan ik zeker zijn, dat ik niet 't bedorven bloed van dien gemeenen
doorbrenger in m'n lichaam heb?
MEVR. WARREN. Nee, nee. Ik zweer je, dat hij 't niet is, zoomin
als een van de andere die je ontmoet hebt. Daàrvan tenminste ben
ik zeker. (Vivie's oogen vestigen zich streng op haar moeder als de
beteekenis hiervan voor haar opgaat).
VIVIE (langzaam). "Daarvan tenminste bent u zeker." Ah! U meent,
dat dàt 't eenige is, waar u zeker van bent (peinzend). Ik begrijp
't. (Mevrouw Warren verbergt haar gezicht in haar handen). Doe dat
niet moeder;--u weet, dat u 't volstrekt zoo niet voelt. (Mevrouw
Warren neemt haar handen weg en kijkt droevig op naar Vivie, die haar
horloge uithaalt en zegt) Nu, dat is genoeg voor van avond.--Hoe laat
wilt u ontbijten? Is half negen te vroeg voor u?
MEVR. WARREN (verbijsterd). M'n God, wat voor soort van vrouw ben je?
VIVIE (koel). Van 't soort, waar de wereld voor 't meerendeel uit
bestaat, hoop ik. Anders begrijp ik niet hoe ze d'r werk gedaan zou
krijgen. Kom, (vat haar moeder bij de polsen en trekt haar op;--met
beslistheid) 'n beetje flink nu. Zoo is 't goed.
MEVR. WARREN (knorrig). Je bent erg ruw tegen me, Vivie.
VIVIE. Gekheid. Wat denkt u van naar bed gaan? 't Is over tienen.
MEVR. WARREN (hartstochtelijk). Wat geeft 't of ik naar bed ga. Denk
je, dat ik zou kunnen slapen?
VIVIE. Waarom niet? Ik wel.
MEVR. WARREN. Jij! Je hebt geen hart! (plotseling barst zij heftig los
in haar eigen spraak: het dialect van 'n vrouw uit het volk,--al haar
affectaties van moederlijk gezag en conventioneele manieren verdwenen,
en met 'n overstelpende inspiratie van echte overtuiging en toorn). O,
ik verdraàg 't niet langer! Ik bedank voor die onrechtvaardigheid! Wat
voor recht heb jij om je zoo boven me te plaatsen? Je bluft tegen me
op wat je bent, tegen mij, die je in staat heb gesteld om te wòrden
wat je bent. Welke kans had ik? Je moest je schamen om zoo'n slechte
dochter en ingebeelde preutsche juf te zijn!
VIVIE (koel en beslist, maar niet langer met zelfvertrouwen, want haar
antwoorden, die haar tot dusver overtuigend verstandig en krachtig
hebben toegeschenen, beginnen nu tamelijk houterig en pedant te
klinken tegenover den nieuwen toon van haar moeder). Geloof u geen
oogenblik, dat ik me op eenigerlei wijs boven u plaats. U viel me
aan met het conventioneele gezag van 'n moeder, en ìk verdedigde me
met de conventioneele meerderheid van 'n fatsoenlijke vrouw. Ronduit
gezegd, ben ik niet van plan, om iets van uw onzin te verdragen,
en wanneer ù die laat schieten, verlang ik niet van u, dat u iets
van de mijne verdraagt.--Ik zal altijd eerbiedigen het recht dat u
hebt op uw eigen meeningen en uw eigen manier van leven.
MEVR. WARREN. M'n eigen meeningen en m'n eigen manier van leven! Hoor
d'r is an!--Denk je, dat ik groot ben gebracht als jij,--in staat om
m'n eigen manier van leven te zoeken en te kiezen? Denk je, dat ik
deê, wàt ik deê, omdat ik 't prettig of goed vond, of dat ik niet
liever na school zou zijn gegaan en 'n dametje geweest zijn, as ik
er kans toe gezien had?
VIVIE. Ieder mensch heeft eènige keus, moeder. De armste meid ter
wereld mag niet in staat zijn om te kiezen of ze koningin van Engeland
of hoofd van 'n school wil worden, maar ze kan wèl kiezen tusschen
lompen uitzoeken en bloemen verkoopen, alnaar dat haar smaak is. De
menschen geven altijd de schuld aan de omstandigheden voor wat ze
zijn. Ik geloof niet aan de omstandigheden. De menschen, die vooruit
komen in de wereld, zijn de menschen die opstaan en uitkijken naar
de omstandigheden die ze noodig hebben,--en vinden ze die niet,
dan maken zij ze.
MEVR. WARREN. O, praten is makkelijk, heel gemakkelijk, hè? Nou! Wil
je weten wat mijn omstandigheden waren?
VIVIE. Ja, 't is beter, dat u 't me vertelt. Wilt u niet gaan zitten?
MEVR. WARREN. Ja, ik zàl gaan zitten; wees maar gerust. (Zij plant haar
stoel meer naar voren neer met ijzeren energie en gaat zitten. Vivie
komt, ondanks haarzelf, onder den indruk). Weet je wie je groomoe was?
VIVIE. Nee.
MEVR. WARREN. Nee, dat weet je niet. Ik wel. Ze noemde d'r eigen een
weduwvrouw en ze had 'n winkel van gebakken visch ergens bij de Munt
en daar onderhield ze d'r eigen en d'r vier dochters van. Twee van
ons ware zusters, dat ware Lies en ik, en we zage d'r allebei goed
uit, met knappe figure. Ik vermoed, dat onze vader 'n goedgevoede man
was. Moeder beweerde, dat 't een heer was, maar dà weet ik niet. De
andere twee ware maar halfzusters: kleine, leelijke, magere, slovende,
eerlijke onderkruipsels. Lies en ik zouen ze half vermoord hebben,
als moeder òns niet half vermoord had, om onze handen van ze af te
houden. Zij waren de fatsoenlijken van ons. Nou, weet je wat ze kregen
voor d'r fatsoen? De eene werkte in 'n loodwitfabriek,--12 uur daags
voor 9 shilling in de week, totdat ze stierf an loodwitvergiftiging. Ze
dacht, dat ze alleen maar d'r handen wat verlamd zou krijgen, maar
ze ging er van dood. De ander werd ons altijd voorgehouden als 'n
voorbeeld, omdat ze met 'n werkman van de rijkswerf trouwde en d'r
kamer en d'r drie kinderen netjes en zuiver hield van 18 shilling in
de week, totdat hij aan de drank raakte. Dat was de moeite waard om
fatsoenlijk voor te zijn, niet?
VIVIE (nu pensief-aandachtig). Dachten u en uw zuster dat?
MEVR. WARREN. Lies niet, dat kan ik je vertellen, diè was wijzer. We
gingen allebei na 'n kerkelijke school,--dat hoorde zoo bij de
damesachtige manieren die we ons gaven om meer te zijn dan de
kinderen, die niks wisten en nergens heengingen,--en daar bleven we,
totdat Lies eens op 'n nacht wegliep en nooit terug kwam. Ik weet,
dat de schooljuffrouw dacht, dat ik wel gauw d'r voorbeeld zou
volgen,--want de dominé waarschuwde me aldoor, dat Lies zou eindigen
met van Waterloo-brug af te springen.--Arme hals,--dat was àl wat
hij er van wist! Maar ik had meer angst voor de loodwitfabriek dan
voor de rivier, en dat zou jij ook gehad hebben in mijn plaats.--De
dominé wist 'n betrekking voor me te krijgen, as bijhulp in de keuken
van 'n afschaffersrestauratie, waar ze uitzonden met alles wat je
hebben wou.--Toen ben ik kellnerin geworden en daarna ging ik an 't
buffet van 't Waterloostation,--veertien uur per dag drank bedienen
en glazen omwasschen voor 4 shillings in de week en de kost. Dat
werd toen beschouwd as 'n groote vooruitgang voor me.--Nou, op
'n kouwe, ellendige nacht, toen ik zòò moe was, dat ik nauwelijks
wakker kon blijven, wie denk je dat er binnen kwam voor 'n halve
schotsche? Lizzie;--in 'n lange, bonte mantel, elegant en lekker,
met 'n hoop goudstukke in d'r beurs!
VIVIE (grimmig). Tante Lizzie.
MEVR. WARREN. Ja, en 'n beste tante òok om te hebben. Ze woont
nou in Winchester, vlak bij de kathedraal, een van de meest
geziene dames dáar.--Ze begeleidt jonge meisjes naar 't bal van de
gouverneur,--asjeblieft hoor! Geen rivier voor Lies, dank je wel.--Jij
doet me wat an Lies denken: ze was 'n eerste zakevrouw,--spaarde geld
op van de beginne af,--liet nooit te veel zien wat ze was,--raakte
nooit 'r hoofd kwijt, of liet 'n gelegenheid voorbijgaan.--Toen ze
zag, dat ik knap op zou groeien, zei ze tegen me, zoo over de toonbank
heen: "Wat doe jij hier, malle meid,--je gezondheid en je uiterlijk
verwoesten voor 'n andermans profijt?" Lies was toen an 't opsparen,
om 'n huis voor d'r eigen te nemen, in Brussel, en ze dacht, dat we
samen gauwer zouen sparen, dan ieder voor zich. Daarom leende ze me wat
geld en hielp me aan de gang; en ik spaarde geregeld an en betaalde d'r
eerst af en begon toen 'n zaak met haàr als deelgenoot. Waarom zou ik
't nièt gedaan hebben? 't Huis in Brussel was er een van de eerste
rang,--'n heel wat beter plaats voor 'n vrouw, dan de fabriek, waar
Annemie vergiftigd werd. Geen één van onze meisjes werd ooit behandeld
zoo als ik behandeld werd in de bijkeuken van die afschaffersboel,
of as an 't buffet,--of as thuis: Had je gewild dat ik daar was
gebleven en 'n afgewerkte ouwe sloof was geworden vòòr m'n 40ste jaar?
VIVIE (nu geweldig geïnteresseerd). Nee, maar waarom koos u diè
zaak. Met spaarzaamheid en goed beheer kun je elke zaak er boven
op werken.
MEVR. WARREN. Ja, geld opsparen. Maar in welke zaak kàn 'n vrouw geld
opspare? Zou jij kenne sparen van 4 shillings in de week en je d'r
van kleeje ook? Jij niet. Natuurlijk, as je 'n dood gewoon mensch
ben en niks anders kan verdienen, of as je idee heb in muziek of
't tooneel, of krantegeschrijf,--dan is 't iets anders. Maar zoomin
Lies as ik hadden eenig benul van die dingen; alles wat wij hadden
was ons uiterlijk en onze slag om de mannen in te pakken. Denk je,
dat wij zulke gekken waren, om andere menschen zaken te laten doen
met ònze mooie oogen, door òns te gebruiken as winkelmeisjes, of
buffetjuffrouwen, of kellnerinnen, as wij zèlf er zaken mee konden doen
en al 't profijt in ònze zak steken, inplaats van hongerloonen? Wìj
niet, hoor.
VIVIE. U was zeker volkomen gerechtvaardigd uit 'n zakenoogpunt.
MEVR. WARREN. Ja, en uit ieder ànder oogpunt ook. Waartoe wordt
ieder fatsoenlijk meisje anders grootgebracht als om 'n rijke man
in te palmen en het voordeel van z'n geld te hebben door hem te
trouwen? Asof 'n huwelijksceremonie eenig verschil maakt in het goeie
of het slechte van de zaak! O, de huichelarij van de wereld maakt me
misselijk! Lies en ik hadden te werke en te spare en te berekene net
zoo goed als andere menschen; anders zouen we nou even arm zijn als
iedere nikswaardige dronken doorbrengster van 'n vrouw, die denkt dat
d'r goeie tijd altijd zal duren (met groote energie). Ik veracht dat
soort menschen;--ze hebben geen karakter. En as d'r iets is, dat ik
haat in 'n vrouw, dan is 't gebrek an karakter.
VIVIE. Kom nou, moeder, wees 'ns eerlijk! Is 't niet voor 'n deel
wat je noemt karakter in 'n vrouw, dat haar die afschuw moet geven
van dèze manier van geld verdienen.
MEVR. WARREN. O natuurlijk. Iedereen vindt 't onaangenaam om te moeten
werken en geld te verdienen, maar d'r is geen keus. Waarachtig,
ik weet wel, dat ik dikwijls genoeg meêlijen heb gehad met 'n arm
meisje, dat moe was en landerig, als ze probeeren moest 'n man te
amuseeren, om wie ze niks niemendal gaf--zoo'n halfdronken idioot,
die denkt, dat ie zich aangenaam maakt wanneer hij 'n vrouw plaagt
en lastig valt en half doet walgen, op 'n manier, die met geen gèld
is goed te maken. Maar ze heeft die onaangename dingen nou eenmaal
te verdrage, en 't zoete zoowel as 't zure te slikke, net even goed
als 'n ziekenhuis-zuster of ieder ander. De hemel mag wete, dat 't
geen werk is, dat eenige vrouw voor d'r plezier zou doen, al zou je,
as je de vromen hoort praten, denken dat 't 'n bed van rozen was.
VIVIE. U beschouwt het toch als de moeite waard. Het betaalt.
MEVR. WARREN. Natuurlijk is 't de moeite waard voor 'n arm meisje,
dat d'r eigen niet weggooit en er goed uitziet en zich verstandig en
netjes gedraagt. 't Is oneindig beter dan eenige andere betrekking, die
ze hebben kan. Ik heb altijd gevonden dat dat zoo niet moest zijn. 't
Kàn niet rechtvaardig zijn, Vivie, dat 'n vrouw geen betere kansen zou
hebben. Ik blijf er bij: dat is verkeerd. Maar goed of verkeerd, 't is
eenmaal zoo, en 'n meisje moet 't neme zooas 't is. Maar natuurlijk is
't niet de moeite waard voor 'n dame. Als jij die kant uitging, zou je
dwaas zijn; maar ìk zou dwaas geweest zijn, as ik 't nièt had gedaan.
VIVIE (meer en meer werkelijk ontroerd). Moeder, veronderstel eens,
dat we allebei zoo arm waren als ù was in die ellendige dagen van
vroeger, bent u zeker, dat u me dan niet raden zou om 't stationsbuffet
te probeeren, of om 'n werkman te trouwen, of om zelfs in 'n fabriek
te gaan?
MEVR. WARREN (verontwaardigd). Natuurlijk niet. Voor wat voor soort
moeder zie je me an! Hoe zou jij je zelfrespect kenne beware bij zòò
'n hongerlijë en gesloof. En wat is 'n vrouw waard, wat is 't lèven
waard, zonder zelfrespect? Waarom ben ik onafhankelijk en in staat om
m'n dochter 'n piekfijne opvoeding te geven, terwijl andere vrouwen,
die net dezelfde kansen hadden, nou in de goot legge? Omdat ik m'n
eigen altijd heb wete te respecteere en te beheersche. Waarom kijke
ze op tegen Lies in 'n vrome stad? Om dezelfde reden. En waar zouden
we nou an toe zijn, als we ons gestoord hadden an de malligheid van
die dominé? An vloeren schrobben voor anderhalve shilling per dag en
niks in 't vooruitzicht as 't armhuis. Laat jij je niet van de wijs
brengen door menschen die de wereld niet kennen. De eenige manier voor
'n vrouw om fatsoenlijk voor d'r eigen te zorgen is om goed te zijn
voor 'n man, die 't betalen kan om goed voor haar te wezen. Als ze van
zìjn stand is, laat ze dan zorgen, dat-ie haar trouwt, maar is ze dat
niet, dan kan ze dat niet verwachten.--Hoe zou ze? 't Zou niet voor d'r
eigen geluk weze. Vraag-t-er iedere dame in de Londensche wereld na,
die dochters heeft,--en ze zal je hetzelfde zegge,--behalve dat ik 't
je ronduit zeg, en zij verdraaid.--Daarin zit 'em 't eenige verschil.
VIVIE (geboeid,--staart haar aan). Beste moeder,--u bent 'n
merkwaardige vrouw, u bent sterker dan heel Engeland. En voelt u
nu werkelijk en waarachtig niet 'n sikkepitje twijfel ... of ... of
schaamte?
MEVR. WARREN. Wel natuurlijk, lieverd,--'t hoort er zoo bij om je
te schame,--dat wordt eenmaal verwacht van 'n vrouw. Vrouwen moeten
zich altijd houe of ze 'n heeleboel voele wat ze niet doen. Lies was
dikwijls kwaad op me, as ik zoo botweg de waarheid er over zei. Zij
zei altijd, dat, omdat iedere vrouw genoeg kon leere van wat ze voor
d'r ooge in de wereld ziet gebeure, 't nergens toe dient om er over
te prate. Maar Lies was ook op en top 'n dame. Ze had er 't echte
instinct van; terwijl je an mijn altijd m'n lage kom-af kon merken:
Ik plach zoo in m'n schik te zijn, wanneer je me je portretten zond
en ik zag, dat je opgroeide als Lies. Je hebt nèt haar damesachtige,
positieve manier van doen.--Maar ik kan 't niet uitstaan, om 't
ééne te zeggen, als iedereen weet, dat ik 't andere meen. Waar dient
dat gehuichel toe? Als de menschen de wereld op diè manier voor de
vrouwen inrichten, geeft 't niks om net te doen, of ze anders is
ingericht. Ronduit gezegd heb ik me nooit in 't minst geschaamd. Ik
beweer, dat ik 't recht heb om trotsch te zijn, dat we alles zoo goed
bedistelden, en er nooit iets op ons te zeggen was, en dat de meisjes
zoo goed behandeld werden. 'n Paar ervan kwamen best terecht: één
trouwde er met 'n gezant. Maar natuurlijk, daar mag ik nou niet meer
van spreken, wat zouen ze wel van me denken! (Zij geeuwt). O Heere,
ik geloof, dat ik tenslotte toch slaperig ben geworden. (Zij rekt
zichzelf luid uit, echt opgelucht door haar uitbarsting, en kalmpjes
bereid voor haar nachtrust).
VIVIE. Ik geloof, dat ik 't zal zijn, die nu niet zal kunnen
slapen. (Zij gaat naar 't buffetje en steekt de kaars aan. Dan doet
ze de lamp uit, waardoor de kamer veel donkerder wordt). We zullen
wat frissche lucht in laten vòòr we sluiten. (Zij opent de buitendeur
en ziet dat 't heldere maan is). Kijk eens! (Zij trekt de gordijnen
van 't raam open. Men ziet het landschap badend in de stralen van
'n nazomermaan, die boven Blackdown rijst).
MEVR. WARREN (met 'n vluchtigen blik naar buiten). Ja liefje, maar
pas op, dat je geen kou vat van de nachtlucht.
VIVIE (minachtend). Gekheid!
MEVR. WARREN (knorrig). Welzeker, alles wat ik zeg is gekheid
volgens jou.
VIVIE (keert zich haastig naar haar toe). Nee, dat is volstrekt
niet waar, moeder. U hebt 't vannacht totaal van me gewonnen, hoewel
ìk gewild had, dat 't andersom zou zijn geweest. Laten we nu goeie
vrienden zijn.
MEVR. WARREN (wat droevig haar hoofd schuddend). Dus 't is andersom
geweest. Maar tòch zal ik wel de kleinste motten wezen. Ik trok met
Lies altijd an 't kortste eindje, en ik denk, dat 't nou wel 'tzelfde
met jou zal worden.
VIVIE. Dat hindert niet... Kom, goeie nacht goeie, oude moeder. (Zij
omarmt haar moeder).
MEVR. WARREN (teeder). Ik heb je goed grootgebracht, heb ik niet,
lieverd?
VIVIE. Ja, dat hebt u.
MEVR. WARREN. En je zult goed zijn voor je arme, ouwe moeder,
niet waar?
VIVIE. Zeker moederlief (kust haar). Goeie nacht.
MEVR. WARREN (zalvend). M'n zegen over m'n eigen lieveling!--'n
moeders zegen! (Zij omhelst haar dochter beschermend, terwijl zij
opziet naar boven, alsof zij 'n zegening over Vivie af wil smeeken).