Een zomernamiddag in den tuin van een villa op de oostelijke helling
van een heuvel een weinig ten zuiden van Haslemere in Surrey. Opkijkend
naar den heuvel, ziet men de villa in den linkerhoek van den tuin, met
een rieten dak, 'n overdekten ingang en een groot venster met kleine
ruitjes links van den ingang. Verder naar achteren is eene kleine
vleugel uitgebouwd, die een hoek maakt met den rechterzijmuur. Van
het eind van dien vleugel loopt een heining rechts en links, die den
heelen tuin insluit. Rechts 'n opendraaiend hek. Het veld rijst naar
boven, van het hek af tot aan den horizon. Links tegen de zijbank
van den ingang staan een paar linnen vouwstoelen toegeklapt. Een
damesrijwiel steunt tegen den muur onder 't raam. 'n Beetje naar
rechts een hangmat tusschen twee palen. Een groote linnen parasol
met den stok in den grond weert de zon van de hangmat, waarin een
jong meisje ligt te lezen en aanteekeningen te maken; haar hoofd naar
het huis en haar voeten naar den ingang van 't hek. Voor de hangmat
staat, binnen het bereik van haar hand, 'n gewone keukenstoel met
'n hoop studieboeken en 'n voorraad schrijfpapier er op.
Van achter het huis komt 'n heer over 't veld aanwandelen. Hij is
nauwelijks voorbij den middelbaren leeftijd met het uiterlijk van
een kunstenaar; onconventioneel, maar keurig gekleed. Glad gezicht
met uitzondering van een snor, 'n levendig en gevoelig gelaat,
zeer vriendelijke en hoffelijke manieren. Zijn haar is zij-achtig
zwart met wat grauwe lokken er tusschen; zijne wenkbrauwen zijn wit,
zijn snor is zwart. Hij is niet zeker van z'n weg, kijkt over 't hek,
monstert de plek en krijgt dan het jonge meisje in het oog.
DE HEER (z'n hoed afnemend). Neemt u me niet kwalijk.--Kunt u me ook
terecht wijzen naar de villa van mevrouw Alison?
DE JONGE DAME (opkijkend van haar boek). Dat is hier. (Zij hervat
haar lectuur).
DE HEER. Och kom! Mag ik dan ook vragen ... bent u misschien juffrouw
Vivie Warren?
DE JONGE DAME (kortaf, terwijl zij zich omkeert op haar elboog om
hem eens goed te bekijken). Ja.
DE HEER (wat uit 't veld geslagen, op verzoenenden toon). Ik ben
bang, dat ik wat indringerig lijk.-- M'n naam is Praed. (Vivie gooit
dadelijk haar boek op den stoel en komt uit de hangmat). O, laat ik
u alsjeblieft niet storen.
VIVIE (gaat met groote stappen naar 't hek en opent 't voor hem). Kom
binnen, mijnheer Praed. (Hij komt binnen). Blij u te zien.
Zij strekt haar hand uit en neemt de zijne beet met 'n beslisten,
vasten greep. Zij is een aantrekkelijk exemplaar van de
verstandige, knappe, goed ontwikkelde jonge Engelsche vrouw van
de middenklasse. Leeftijd: 22 jaar. Vlug, sterk, zelfbewust, vol
zelfvertrouwen. Eenvoudig praktisch gekleed, maar niet burgerlijk
of nonchalant. Draagt 'n chatelaine aan haar ceintuur, waaraan onder
meer afhangen 'n vul-penhouder en vouwbeen.
PRAED. Heel vriendelijk van u, juffrouw Warren. (Zij sluit 't hek met
een krachtigen duw; hij komt nader tot in 't midden van den tuin,
terwijl hij z'n vingers, die wat verdoofd zijn geworden door haar
begroeting, heen en weer beweegt). Is uw moeder al gekomen?
VIVIE (haastig, blijkbaar de lucht krijgend van 'n overval). Kòmt die?
PRAED (verwonderd). Verwachtte u ons dan niet?
VIVIE. Nee.
PRAED. Lieve hemel, dan hoop ik maar niet, dat ik me in den dag heb
vergist. Dat zou net iets voor mij zijn, weet u. Uw moeder maakte
't plan, dat zij van Londen zou komen en ik van Horsham om hier aan
u voorgesteld te worden.
VIVIE (in 't geheel niet in haar schik). Heeft ze dat gedaan? Zoo. M'n
moeder heeft 'n hebbelijkheid om me te verrassen--ik vermoed om te zien
hoe ik me gedraag, als zij er niet is.--Ik denk, dat ik m'n moeder een
dezer dagen eens geweldig zal verrassen, als zij plannen maakt, die
mij raken, zonder me van te voren te raadplegen.--Zij is nièt gekomen.
PRAED (verlegen). Dat spijt me waarlijk heel erg.
VIVIE (haar misnoegen van zich afgooiend). 't Is in ieder geval ùw
schuld niet, mijnheer Praed. En ik ben heel blij dat u gekomen bent,
geloof me. U bent de eenige van al m'n moeders vrienden, met wien ik
haar verzocht heb me in kennis te brengen.
PRAED (opgelucht en verheugd). Wel, dat is werkelijk heel lief van u,
juffrouw Warren.
VIVIE. Wilt u binnen komen? Of zit u liever buiten te praten?
PRAED. Me dunkt, dat 't hier plezieriger is, dunkt u ook niet?
VIVIE. Dan zal ik een stoel voor u krijgen. (Zij gaat naar den ingang
van 't huis om 'n tuinstoel te halen).
PRAED. O pardon. (Hij vat den stoel beet).
VIVIE (laat hem den stoel nemen). Pas op uw vingers. Ze zijn
verraderlijk die stoelen. (Zij gaat naar den stoel waarop haar boeken
liggen, smijt die in de hangmat en brengt den stoel met een zwaai
naar voren).
PRAED (die zijn stoel juist uit elkaar heeft genomen). Toe, laat u
mij dezen stoel nemen. Ik hoû van harde stoelen.
VIVIE. Ik ook (zij gaat zitten). Ga zitten, mijnheer Praed. (Zij
zegt dit met vriendelijke beslistheid, daar zijn bezorgdheid om haar
aangenaam te zijn, haar blijkbaar treft als 'n teeken van zwakheid
van karakter).
PRAED. Maar--zouden we eigenlijk niet liever naar 't station gaan om
uw moeder af te halen?
VIVIE (koel). Waarom? Zij weet den weg. (Praed aarzelt en gaat dan
zitten, wat uit 't veld geslagen). Ziet u, u bent juist zooals ik me
had voorgesteld. Ik hoop, dat u geneigd bent vrienden met me te worden.
PRAED (weer stralend). Dank u, m'n lieve juffrouw Warren. Dank u
wel.--M'n hemel, ik ben zoo blij dat uw moeder u niet bedorven heeft.
VIVIE. Hoe zoo?
PRAED. Wel, door u conventioneel te maken. U moet weten, juffrouw
Warren, ik ben 'n geboren anarchist. Ik haat gezag. Dat bederft
de verhouding zoo tusschen ouders en kinderen,--zelfs die tusschen
moeder en dochter. En nu ben ik altijd bang geweest, dat uw moeder
al haar gezag zou aanwenden om ù conventioneel te maken. 't Is zoo
'n verlichting om te merken, dat zij 't niet gedaan heeft.
VIVIE. Zoo! Heb ik me dan ònconventioneel gedragen?
PRAED. O nee, in 't geheel niet. Tenminste niet conventioneel
onconventioneel, begrijpt u? (Zij knikt. Hij gaat verder, joviaal
losbarstend). Maar 't was zoo allerliefst van u om te zeggen, dat
u vrienden met me hoopte te worden. Jullie moderne vrouwen bent
werkelijk verrukkelijk!
VIVIE (twijfelend). Zoo?--(Zij observeert hem met 'n begin van
teleurstelling over zijn verstand en karakter).
PRAED. Toen ik zoo oud was als u, waren jonge mannen en
jonge meisjes eenvoudig bang voor elkaar. Er bestond geen
kameraadschappelijkheid,--niets echts.--Alleen hoffelijkheid,
nagevolgd uit romans en zoo vulgair en gekunsteld mogelijk. Maagdelijke
teruggetrokkenheid, mannelijke ridderlijkheid!--altijd neen zeggen
als er ja bedoeld werd!--eenvoudig een hel voor eerlijke en schuchtere
zielen.
VIVIE. Ja, ik kan me voorstellen, dat er heel wat tijd verknoeid moet
zijn geworden, vooral die van de vrouwen.
PRAED. O, verspilling van 't heele leven, letterlijk van alles!--Maar
we gaan vooruit!--U moet weten, ik ben bepaald opgewonden geweest
door 't vooruitzicht van u te ontmoeten na uw schitterend succes in
Cambridge, iets ongehoords in mijn tijd. 't Was prachtig dat u den
derden prijs in wiskunde gehaald hebt. Dat is juist de goede prijs,
weet u. Want de eerste prijswinner is altijd 'n droomerige, ziekelijke
kerel, in wien de ambitie haast tot manie is geworden.
VIVIE. 't Betaalt niet. Ik zou 't niet wèèr doen voor hetzelfde geld.
PRAED (verstijfd van verbazing). Voor 't geld!?
VIVIE. Ik heb 't gedaan voor 50 pond. U weet misschien niet hoe dat
zat. Mevrouw Latham, m'n onderwijzeres, had m'n moeder verteld, dat
ik me in wiskunde zou kunnen onderscheiden, als ik er ernstig voor
ging werken. De kranten waren toen juist vol van Philippine Summers,
die bij 't vergelijkend examen den eersten prijswinner verslagen
had,--u herinnert u dat wel,--en m'n moeder wou toen niets liever,
dan dat ik 't zelfde zou doen. Ik zei haar vierkant, dat 't voor mij
't blokken niet waard was, omdat ik niet in 't onderwijs zou gaan. Maar
ik stelde haar voor om, voor 50 pond, een vierden prijs of zoo iets te
halen. Daar ging ze, na wat gemopper, op in, en ik was tenslotte beter
dan m'n woord.--Maar ik zou 't niet wèèr er voor doen.--Tweehonderd
pond had 't minstens moeten zijn.
PRAED (erg ontgoocheld). Heere bewaar me! Dat is een erg practische
opvatting!
VIVIE. Had u verwacht me ònpractisch te vinden?
PRAED. Nee, nee.--Maar me dunkt dat 't practisch zou zijn om niet
alleen in aanmerking te nemen het werk dat zoo'n prijs je kost,
maar ook de ontwikkeling, die 't aanbrengt.
VIVIE. Ontwikkeling! M'n goeie mijnheer Praed, weet u wat zoo'n
examen in wiskunde beteekent? Dat beteekent blokken, blokken,
blokken, van zes tot acht uur daags in mathematiek en niets als
mathematiek.--'t Heet, dat ik ingewijd ben in de wetenschap, maar
in werkelijkheid weet ik niets behalve de wiskunde, die er aan
vast zit. Ik kan berekeningen maken voor ingenieurs, electriciens,
assurantie-maatschappijen enz.,--maar ik weet zoo goed als niets van
de dingen zelf,--van techniek of natuurkunde. Ik kan zelfs niet eens
goed rekenen.--Behalve wiskunde, lawntennis, eten, slapen, fietsen en
wandelen, ben ik een oneindig meer onwetende barbaar, dan eenige vrouw,
die nièt voor die examens gewerkt heeft, mogelijkerwijs maar zijn kan.
PRAED (verontwaardigd). Wat 'n afschuwelijk slecht, verachtelijk
systeem! Ik wist 't wel! Ik heb dadelijk gevoeld dat 't alles wat
vrouwelijkheid zoo bekoorlijk maakt, moet vernietigen.
VIVIE. O, wat dàt betreft, kom ik er niet tegen op.--Ik zal er in
ieder geval goed partij van trekken, dat beloof ik u.
PRAED. Poeh!--Op wat voor manier?
VIVIE. Ik ga een paar kamers nemen in de city en me vestigen als
wiskunstig adviseur voor maatschappijen. Onder dien titel doe ik dan
meteen wat zaakwaarnemerij met een oogje op de beurs. Ik ben hier ook
alleen gekomen om een beetje wet te studeeren,--niet voor een vacantie,
zooals m'n moeder gelooft. Ik haat vacanties.
PRAED. Hè, u maakt me koud! Verlangt u dan naar geen romantiek,
geen schoonheid in uw leven?
VIVIE. Noch 't een noch 't ander, dat verzeker ik u.
PRAED. Dat kunt u niet meenen.
VIVIE. Zeker meen ik het. Ik hoû van werken en van er voor betaald te
worden. Als ik moe ben van m'n werk, dan hoû ik van een makkelijken
stoel, een sigaar en wat whisky en van 'n roman met een boeiend
detective-verhaal er in.
PRAED (in 'n woede van afkeuring). Dat geloof ik niet. Ik
ben 'n artiest, en ik kàn 't niet gelooven. Ik weiger 't te
gelooven. (Enthousiast) O, m'n beste juffrouw Warren, u hebt er nog
geen begrip van, wat een wonderbare wereld de kunst voor u kan openen.
VIVIE. Ja, dat heb ik wel. Verleden jaar Mei heb ik zes weken in
Londen doorgebracht bij Honoria Fraser. Mama dacht, dat we er alles
gingen zien, maar feitelijk was ik iederen dag op Honoria's kantoor
in Chancery Lane, waar ik werkte aan wiskunstige berekeningen en haar
hielp zoo goed als 'n groen als ik dat doen kon.--'s Avonds rookten
en praatten we, en we droomden er nooit van om uit te gaan, behalve
om wat beweging te nemen. En nooit heb ik m'n leven meer genoten dan
toen.--Ik betaalde al m'n uitgaven en werd, zonder eenig leergeld,
in de zaken ingewijd--op den koop toe.
PRAED. Maar bij m'n ziel en m'n zaligheid, juffrouw Warren, noemt u
dat: u op de hoogte stellen van kunst?
VIVIE. Wacht even. Dat was 't begin niet. Ik ging naar Londen toe,
naar aanleiding van 'n invitatie van 'n paar artistieke menschen
uit de Fitzjohn's Avenue; één van de meisjes is 'n kameraad van
me uit Newnham. Die namen me toen naar de National Gallery, naar de
opera en naar 'n concert, waar 't orkest den heelen avond Beethoven,
Wagner en zoo al meer speelde. Ik zou datzelfde niet nog eens willen
doormaken, al bood u me ook ik weèt niet wàt er voor aan. Ik verdroeg
't uit beleefdheid tot den derden dag toe, maar toen zei ik botweg,
dat ik 't niet meer uit kon houden en ging naar Chancery Lane.--Nu
kent u dus het soort van door en door verrukkelijk moderne jonge dame,
die ik ben.--Hoe denkt u nu dat ik met m'n moeder op zal schieten?
PRAED (ontdaan). Wel.... è.... ik hoop.... è....
VIVIE. 't Is niet zoozeer wat u hoopt, maar wel wat u gelooft, dat
ik wil weten.
PRAED. Wel, ronduit gezegd, ik ben bang, dat uw moeder wat
teleurgesteld zal wezen. Niet wegens eenige tekortkomingen van uw kant,
dàt meen ik niet, maar.... u bent zoo verschillend van haar ideaal.
VIVIE. Wàt is dan haar ideaal?
PRAED. Wel, u zult al eens opgemerkt hebben, juffrouw Warren, dat de
menschen, die ontevreden zijn over hun eigen opvoeding, gewoonlijk
gelooven, dat de wereld pas goed zou worden, als iedereen heel anders
werd opgevoed! Nu is uw moeders leven.... è.... Ik vermoed, dat u
wel weet....
VIVIE. Ik weet niets. (Praed is geweldig ontdaan; zijn ontsteltenis
neemt toe als zij voortgaat). Daarin zit juist de moeielijkheid. U
vergeet, mijnheer Praed, dat ik m'n moeder haast niet ken. Van kind
af heb ik in Engeland gewoond, op school of op kostschool, of bij
menschen, die betaald werden om voor me te zorgen. Ik ben m'n heele
leven uitbesteed geweest; en m'n moeder heeft in Brussel en Weenen
gewoond en me nooit bij haar laten komen. Ik zie haar alleen als zij
voor 'n paar dagen overkomt. Ik beklaag me niet; ik heb 'n goeien tijd
gehad, want de menschen zijn heel lief voor me geweest en er was altijd
overvloed van geld om alles makkelijk te maken. Maar beeld u niet in,
dat ik ièts van m'n moeder afweet. Ik weet veel minder dan u.
PRAED (heel weinig op z'n gemak). In dat geval.... (hij houdt op,
geheel in de war. Dan, met 'n gedwongen poging tot vroolijkheid). Maar
kom, wat 'n onzin praten we! Natuurlijk zult u en uw moeder uitstekend
samen opschieten. (Hij staat op en kijkt naar 't uitzicht). Wat
'n allerliefst plekje is het hier!
VIVIE (koel). Als u denkt, dat u iets anders doet dan m'n ergste
vermoedens bevestigen door op eens van onderwerp te veranderen,
dan houdt u me wel voor 'n veel grooter domkop dan ik hoop te zijn.
PRAED. Uw ergste vermoedens! O zegt u dat niet, toe nee.
VIVIE. Waarom verdraagt m'n moeders leven geen bespreking?
PRAED. Wel, denk eens 'n oogenblik na, juffrouw Warren. 't Is immers
natuurlijk, dat ik 'n zekeren schroom moet voelen, om met de dochter
van 'n oude vriendin stilletjes over haar moeder te praten.... U zult
ruimschoots gelegenheid hebben er met haarzelf over te spreken, als
zij hier is (bezorgd). Ik begrijp niet, waardoor zij opgehouden wordt.
VIVIE. Nee; zij zal er evenmin over praten (opstaande). Intusschen,
ik zal er niet bij u op aandringen. Onthoud alleen dit mijnheer Praed:
ik heb 'n sterk vermoeden, dat zij en ik het duchtig aan den stok
zullen krijgen, wanneer zij hoort van m'n Chancery Lane plan.
PRAED (droevig). Daar ben ik ook bang voor.
VIVIE. Ik zal het winnen, omdat ik niets anders noodig heb dan m'n
reiskosten naar Londen, om daar morgen al m'n brood te gaan verdienen
door te duivelstoejagen voor Honoria. Daarenboven heb ik niets geheim
te houden en zij blijkbaar wèl. En ik zal van dàt voordeel over haar
zoo noodig ook gebruik maken.
PRAED (erg gechoqueerd). O nee, als 't u blieft niet. Zòò iets kunt
u niet doen.
VIVIE. Zeg me dan waarom niet.
PRAED. Dat kàn ik werkelijk niet. Ik doe 'n beroep op uw
fijngevoeligheid. (Zij glimlacht om z'n sentimentaliteit) U zoudt
daarenboven ook te veel kunnen wagen. Uw moeder is niet iemand,
die met zich spelen laat, wanneer zij boos is.
VIVIE. U kunt mij niet bang maken, mijnheer Praed. Tijdens die ééne
maand in Chancery Lane heb ík gelegenheid gehad om te zien, wat 'n paar
vrouwen van 't slag van m'n moeder waard waren, die Honoria kwamen
consulteeren. U kunt er van op aan, dat ik winnen zal. Maar als ik
er in m'n onwetendheid harder op los sla, dan noodig is, vergeet dan
niet, dat ú vergeten hebt me nader in te lichten. En laten we nu van
't onderwerp afstappen. (Zij neemt den stoel en plaatst dien weer
bij de hangmat met denzelfden krachtigen zwaai als te voren).
PRAED ('n wanhopig besluit nemend). Een paar woorden nog, juffrouw
Warren. Ik deed beter met u te zeggen.... 't is heel moeielijk,
maar....
(Mevrouw Warren en Jonkheer George Crofts komen aan bij het
hek. Mevrouw Warren is 'n vrouw van tusschen de 40 en 50; knap
van uiterlijk, opzichtig gekleed met een veelkleurigen hoed en 'n
dito blouse, nauw aansluitend over haar buste en geflankeerd door
modieuse mouwen. Nogal bedorven en bevelend, maar over 't geheel een
opgewekte en tamelijk presentabele koppelaarster van 'n vrouw. Crofts
is 'n lange, forsch gebouwde man van ongeveer 50, modieus en jeugdig
gekleed. Heeft 'n dun, scherp neusgeluid, zooals niet van z'n krachtig
lichaam verwacht zou worden. Gladgeschoren bulldogkaken, groote,
platte ooren en 'n dikke nek; een heerachtige combinatie van de
brutaalste typen van 'n stadsmensch, sportman en doordraaier).
VIVIE. Daar zijn ze. (Gaat naar hen toe, als ze binnenkomen), Hoe gaat
't ouwe vrouw? Mijnheer Praed heeft hier al 'n half uur op u gewacht.
MEVR. WARREN. Ja, als je gewacht hebt, Praeddie, dan is 't je
eigen schuld. Ik dacht, dat je zoo snugger zou geweest zijn, om te
bedenken, dat ik met den trein van 3.10 zou komen. Vivie, zet je
hoed op lieverd, je verbrandt anders zoo.--O, ik vergat nog je voor
te stellen. Jhr. George Crofts,--m'n kleine Vivie. (Crofts gaat naar
Vivie toe met zijn meest hoffelijk air. Zij knikt, maar maakt geen
beweging om hem 'n hand te geven).
CROFTS. Mag ik de hand drukken van 'n jonge dame, die ik al lang bij
reputatie gekend heb als de dochter van een van m'n oudste vrienden?
VIVIE (die hem scherp heeft opgenomen). Als u wilt. (Zij neemt zijn
weder aangeboden hand en geeft die 'n kneep, die hem z'n oogen doet
opensperren. Draait zich dan om en zegt tot haar moeder) Wilt u
binnen komen of zal ik nog een paar stoelen krijgen? (Zij gaat naar
den ingang voor de stoelen).
MEVR. WARREN. Wel George, hoe vindt je haar nu?
CROFTS (bedrukt). Zij heeft kracht in d'r handen.--Heb jij haar een
hand gegeven, Praed?
PRAED. 't Zal straks wel overgaan.
CROFTS. Dat hoop ik. (Vivie verschijnt weer met twee stoelen. Hij
snelt toe om haar te helpen). Permitteert u me.
MEVR. WARREN (beschermend). Laat Jhr. Crofts je helpen, kindlief.
VIVIE (de stoelen bijna in z'n armen smijtend). Daar dan. (Zij slaat
haar handen af en wendt zich tot mevrouw Warren). U wilt zeker wel
thee hebben, niet?
MEVR. WARREN (gaat op Praeds stoel zitten en bewaait zichzelf). Ja,
ik smacht naar een druppel drinken.
VIVIE. Ik zal er voor zorgen. (Zij gaat de villa binnen. Jhr. Crofts
is er intusschen in geslaagd om 'n stoel uit elkaar te vouwen en
zet die naast Mevr. Warren aan haar linkerkant. Hij gooit den andere
op het gras en gaat zitten,--terwijl hij er wat terneergeslagen en
onnoozel uitziet,--met den knop van z'n stok in z'n mond. Praed,
nog steeds niet op z'n gemak, scharrelt onrustig, rechts van hen,
heen en weer door den tuin).
MEVR. WARREN (tot Praed, terwijl zij naar Crofts kijkt). Kijk eens naar
hem, Praeddie; ziet-ie er niet vroolijk uit? Daar heeft-ie me nou drie
jaar lang het hoofd gek gemaakt om dat kind van me te mogen zien. En
nou ik 't gedaan heb, is-ie heelemaal van streek (levendig). Kom,
zit rechtop, George en neem die stok uit je mond. (Hij gehoorzaamt
knorrig).
PRAED. Ik geloof, zie je--je moet me niet kwalijk nemen als ik 't
zeg--dat wij ons àf moeten wennen, om aan Vivie te denken als aan
'n klein meisje. Ze heeft zich werkelijk onderscheiden en, ik ben
niet zeker na hetgeen ik van haar gezien heb, dat ze niet ouder is
dan een van ons allen.
MEVR. WARREN (grootelijks geamuseerd). Hoor je hem, George! Ouder dan
een van ons allen! Wel, wel, ze heeft je aardig weten te overduvelen
met het besef van haar eigen gewichtigheid.
PRAED. Jonge menschen zijn er bizonder gevoelig voor om op die manier
behandeld te worden.
MEVR. WARREN. Ja, en daarom moet al die nonsens er maar eens bij jonge
menschen uitgetrommeld worden en nog 'n boel meer daarenboven. Bemoei
jij er je niet mee, Praeddie. Ik weet hoe ik met m'n eigen kind moet
omgaan, zoo goed als jij.
(Ernstig hoofdschuddend, wandelt Praed den tuin in, met z'n handen
achter op z'n rug. Mevr. Warren doet of ze lacht, maar kijkt hem na
met zichtbare bezorgdheid, dan fluistert ze tegen Crofts) Wat is er
aan de hand met hem? Waarom vat hij dat nou zoo op?
CROFTS (knorrig). Je bent bang voor Praed.
MEVR. WARREN. Wat? Ik?--Bang voor goeie, ouwe Praeddie?--'n Vlieg
zou niet eens bang voor hem zijn.
CROFTS. Jij bent bang voor hem.
MEVR. WARREN (boos). Ik verzoek je je met je eigen zaken te bemoeien
en niet je kwaaie humeur op mìj te luchten. Ik ben in ieder geval
niet bang voor jóu. Als jij jezelf niet aangenamer weet te maken,
ga dan liever naar huis toe. (Zij staat op en terwijl ze hem haar
rug toedraait, staat ze ineens van aangezicht tot aangezicht met
Praed). Kom, Praeddie, ik weet, dat 't alleen je goedhartigheid is. Je
bent bang, dat ik haar te hard aan zal pakken.
PRAED. M'n beste Kitty, je denkt dat ik beleedigd ben, maar heusch,
dat is zoo niet. Je weet, dat ik dikwijls dingen oplet, die jou
ontsnappen. En hoewel je nooit m'n raad opvolgt, moet je soms later
wel eens toegeven, dat je 't wèl hadt moeten doen.
MEVR. WARREN. Wel, en wat let je dan nou op?
PRAED. Alleen maar, dat Vivie 'n volwassen vrouw is. Ik smeek je Kitty,
behandel haar met alle respect.
MEVR. WARREN (met echte verbazing). Respect! M'n eigen dochter met
respect behandelen! Wat nog meer, asjeblieft!
VIVIE (verschijnt aan de deur van de woning en roept tot
Mevr. Warren). Moeder, wil u ook naar m'n kamer komen en uw hoed
afzetten voor de thee?
MEVR. WARREN. Ja lieverd. (Zij lacht toegevend tegen Praed en tikt
hem op z'n wang als ze langs hem heen gaat op weg naar den ingang. Zij
volgt Vivie naar binnen).
CROFTS (haastig). Zeg, Praed.
PRAED. Ja.
CROFTS. Ik moetje nogal 'n eigenaardige vraag doen.
PRAED. Ga je gang. (Hij neemt mevr. Warren's stoel en gaat vlak naast
Crofts zitten).
CROFTS. Juist; ze mochten ons eens hooren, door 't raam heen.--Zeg
eens, heeft Kitty je ooit verteld wie de vader is van dat meisje?
PRAED. Nooit.
CROFTS. Heb je eenig vermoeden, wie 't zijn kan?
PRAED. In 't minst niet.
CROFTS (gelooft hem niet). Ik begrijp natuurlijk, dat jij je misschien
verplicht kunt voelen om niets te zeggen, als zij je wat verteld
had. Maar 't is heel onaangenaam om in onzekerheid te blijven, juist
nu we 't meisje iederen dag zullen ontmoeten. Je weet niet precies
hoe je tegenover haar staat.
PRAED. Wat maakt dat voor onderscheid? We nemen haar voor wat ze zelf
waard is. Wat komt 't er op aan wie haar vader was?
CROFTS (wantrouwend). Dus je weet wie 't was?
PRAED (even uit z'n humeur). Ik zei je toch van niet. Heb je dat
niet gehoord?
CROFTS. Kijk eens hier, Praed. Ik vraag 't je als 'n bizondere gunst:
als je 't wèèt (beweging van protest van Praed).--Ik zeg alleen, als je
't weet, stel me dan tenminste gerust. De zaak is, dat ik me tot haar
aangetrokken voel. O, maak je niet benauwd. 't Is 'n heel onschuldig
gevoel, dat is 't juist wat me in de war brengt.--Heere bewaar me,
voor zoover ik weet, kan ik wel haar vader zijn.
PRAED. Jij! Onmogelijk! Welnee, onzin!
CROFTS (hem slim trachtend te vangen). Weet je dan, dat ik 't nièt ben?
PRAED. Ik weet er niets van, zeg ik je, zoo min als jij. Maar werkelijk
Crofts--dàt is buiten de kwestie. Er is niet de minste gelijkenis.
CROFTS. Wat dat betreft, is er geen gelijkenis tusschen haar en haar
moeder, voor zoover ik zien kan. Ik veronderstel, dat ze niet jouw
dochter is, hè?
PRAED (verneemt die vraag met 'n verontwaardigden blik; dan herstelt
hij zich met geweld en zegt zacht en ernstig). Hoor eens, m'n beste
Crofts. Met dien kant van mevrouw Warrens leven heb ik niets te maken
en nooit te maken gehad. Zij heeft er mij nooit over gesproken en
natuurlijk heb ik 't haàr niet gedaan. Je kieschheid zal je vertellen,
dat 'n knappe vrouw behoefte heeft aan 'n paar vrienden, die, wel
... waarmee ze niet op dièn voet staat. Haar eigen schoonheid zou
'n echte last voor haar worden, als zij er niet nu en dan eens aan
ontkomen kon. Waarschijnlijk ben jij veel vertrouwelijker met Kitty
dan ik. Je kunt haar dus stellig zelf die vraag doen.
CROFTS (staat ongeduldig op). Ik hèb 't haar gevraagd,--dikwijls
genoeg. Maar zij staat er zòò op om 't kind heelemaal voor zich te
houden, dat ze, als ze kon, zelfs zou loochenen, dat 't ooit 'n vader
gehad heeft.--Nee, uit haàr is niets te halen, niks geloofwaardigs
tenminste.--Ik voel er me niks op m'n gemak over, Praed.
PRAED. Wel, daar je in ieder geval oud genoeg bent om haar vader te
zijn, kunnen we samen hièrin overeenkomen, om juffrouw Vivie vaderlijk
te behandelen, als 'n meisje, dat we moeten helpen en beschermen. En
dàt te meer, omdat haar werkelijke vader, wie die dan geweest mag zijn,
waarschijnlijk 'n schurk was. Wat denk jij hiervan?
CROFTS (nijdig). Ik ben niet ouder dan jij, als je daàrop doelt.
PRAED. Dat ben je wel, ouwe jongen. Jij bent oud geboren. Ik ben
jong geboren. Ik heb 't nooit zoover kunnen brengen in m'n leven,
om het zelfvertrouwen te krijgen van 'n volwassen man.
MEVR. WARREN (roept van 't huis uit). Praed...die! George!...
Thee...e...ee!
CROFTS (haastig). Ze roept ons.--(Hij snelt naar binnen. Praed
schudt ongerust 't hoofd en wil langzaam volgen, als hij begroet
wordt door 'n jongen man, die juist op 't veld verscheen, en
naar 't hek toekomt. Hij is 'n aardige, knappe, smaakvol gekleede
absolute-deugniet-van-'n-jongen, van even 20 jaar, met 'n allerliefste
stem en grappige, familjare manieren. Hij draagt 'n klein jachtgeweer).
DE JONGE MAN. Allo! Praed!
PRAED. Wat! Frank Gardner! (Frank komt binnen en schudt hem hartelijk
de hand). Wat ter wereld voer jij hier uit?
FRANK. Ik ben bij m'n vader.
PRAED. De romeinsche vader?
FRANK (knikkend). Die is dominé hier.--Ik woon dezen zomer bij m'n
familie,--uit zuinigheid. De zaken zijn in Juli tot 'n crisis gekomen,
toen moest de romeinsche vader opdokken.--Hij is daardoor absoluut
blut, net als ik.--Wat haal jij uit in deze buurt? Ken je hier de
menschen?
PRAED. Ja. Ik breng den dag door bij 'n zekere juffrouw Warren.
FRANK (enthousiast). Wat! Ken je Vivie? Is ze geen leuke meid? Ik leer
haar schieten, weet je (hij toont hem z'n geweer). Ik ben blij, dat zij
jou kent. Jij bent juist 't soort van man, dien ze kennen moet. (Hij
glimlacht en laat z'n welluidende stem zingend de hoogte ingaan,
als hij uitroept). 't Is allemachtig leuk, je hier te ontmoeten,
Praed,--vind je ook niet?
PRAED. Ik ben 'n oude vriend van haar moeder. Mevrouw Warren liet me
hierheen komen om kennis te maken met haar dochter.
FRANK. Haar moeder! Is diè hier?
PRAED. Ja, daarbinnen voor de thee....
MEVR. WARREN (roepend van huis uit). Praeddie..ie..ie..ie..! De
tulband wordt koud.
PRAED (roepend). Ja mevrouw Warren. Dadelijk. Ik heb hier juist
'n vriend ontmoet.
MEVR. WARREN. 'n Wat?
PRAED (harder). Een vriend.
MEVR. WARREN. Breng hem binnen.
PRAED. Goed (tot Frank). Neem je de invitatie aan?
FRANK (ongeloovig, maar geweldig geamuseerd). Is dàt Vivie's moeder?
PRAED. Ja.
FRANK. Allemachtig! wat 'n grap! Denk je, dat ik in haar smaak
zal vallen?
PRAED. Ik twijfel niet of je zult jezelf, zooals gewoonlijk, aangenaam
weten te maken. Kom mee en doe je best (gaat naar 't huis toe).
FRANK. Wacht even (ernstig). Ik moet je iets in vertrouwen vertellen.
PRAED. Nee, asjeblieft niet. 't Zal zeker weer 'n nieuwe dwaasheid
zijn, zooals toen met die buffetjuffrouw van Redhill.
FRANK. 't Is veel ernstiger dan toen.--Zei je, dat je Vivie nu voor
't eerst ontmoet hebt?
PRAED. Ja.
FRANK (verward). Dan kun je je ook geen idee maken wat voor meisje 't
is. Wat 'n karakter! Wat 'n verstand! En haar knapheid! Goeie genade,
Praed, ik kan je verzèkeren, dat zij knap is! En daarbij het liefste
hartje dat je...
CROFTS (steekt z'n hoofd uit 't raam). Zeg Praed, wat voer je uit? Kom
dan toch (hij verdwijnt).
FRANK. Allo! Net 't soort van kerel, die 'n prijs kon winnen op
'n hondententoonstelling, niet? Wie is dat?
PRAED. Jhr. George Crofts, 'n oud vriend van mevrouw Warren. Ik geloof
dat we beter doen met naar binnen te gaan. (Op hun weg naar den ingang
worden ze opgehouden door 'n roep van 't hek af. Zich omkeerend zien ze
'n ouden dominé er overheen kijken).
DE DOMINÉ (roepend). Frank!
FRANK. Allo! (tot Praed). De romeinsche vader! (Tot den dominé)
Jawel oude heer, dadelijk. (tot Praed) Zeg, Praed, ga jij maar thee
drinken. Ik kom direct bij je.
PRAED. Best. (Hij neemt z'n hoed af voor den dominé, die den groet
koeltjes van uit de verte beantwoordt. Praed gaat 't huis binnen. De
dominé blijft stijf staan buiten 't hek, met z'n handen er boven op.)
De wel eerwaarde Samuel Gardner, een dominé van de staatskerk, is over
de 50. Hij is 'n pretentieus, winderig, lawaaiig mensch, die zich op
hopelooze wijze tracht te doen gelden als vader en als geestelijke,
zonder in staat te zijn om in één van die twee kwaliteiten respect
in te boezemen.
DOMINÉ. Wel, jongmensch. Mag ik vragen wie je vrienden hier zijn?
FRANK. O, dat is in orde, oude heer. Kom binnen.
DOMINÉ. Nee seigneur. Niet vòòr ik weet wiens tuin ik binnenkom.
FRANK. Da's in orde. 't Is de tuin van juffrouw Warren.
DOMINÉ. Die heb ik niet in de kerk gezien, sinds ze hier is.
FRANK. Natuurlijk niet. Ze heeft 'n derden prijs gehaald in
wiskunde;--is allemachtig geleerd. Ze heeft 't verder gebracht dan
jij. Waarom zou ze dan naar jouw gepreek komen luisteren?
DOMINÉ. Wees niet oneerbiedig, jongmensch.
FRANK. O! komt er niet op aan: niemand hoort ons. Kom binnen! (hij
opent 't hek, op ongegeneerde wijze z'n vader met zich meetrekkend,
den tuin in). Ik zal je aan haar voorstellen. We schieten kranig
samen op; ze is allerliefst. Herinner je je nog den raad, dien je me
verleden Juli gegeven hebt, oude heer?
DOMINÉ (streng). Ja. Ik raadde je aan om je luiheid en onbezonnenheid
te overwinnen en je in te werken in het een of ander eervol beroep
en te trachten om daàrvan te leven, in plaats van mijn geld.
FRANK. Nee, dàt heb je naderhand bedacht. Wat je eigenlijk zei, was,
dat ik, omdat ik geen hersenen en geen geld heb, beter zou doen met
partij te trekken van m'n knappe uiterlijk, door iemand te trouwen
met allebei. Wel, kijk nou eens, juffrouw Warren heeft verstand,--dàt
kun je niet loochenen.
DOMINÉ. Verstand is niet alles.
FRANK. Nee natuurlijk niet, er is geld ook noodig.
DOMINÉ (hem op strengen toon onderbrekend). Ik dacht niet aan geld. Ik
meende hoogere dingen,--'n maatschappelijke positie bijvoorbeeld.
FRANK. Daar geef ik geen lor om.
DOMINÉ. Maar ik wèl, jongenheer.
FRANK. Wel, niemand vraagt ù om haar te trouwen. In ieder geval,--zij
heeft zooveel als 'n universitairen graad en schijnt zooveel geld te
kunnen krijgen als ze verlangt.
DOMINÉ (met 'n zwakke poging tot grappigheid). Ik twijfel hard of ze
zooveel geld zal hebben als jij verlangt.
FRANK. Kom! Zoò verkwistend ben ik niet geweest. Ik leef zoo rustig
mogelijk. Ik drink niet, ik wed haast niet en ik ga nooit zoo geregeld
aan de rol, als jij deedt toen je zoo oud was als ik.
DOMINÉ (hol bulderend). Zwijg, heerschap!
FRANK. Wel, je hebt mezelf verteld, toen ik me zoo ezelachtig
aanstelde met die buffetjuffrouw in Redhill, dat je eens 'n vrouw 50
pond hadt aangeboden in ruil voor brieven, die je haar indertijd hadt
geschreven, toen....
DOMINÉ (doodelijk ontsteld). Sst, in 's hemelsnaam, Frank! (Hij kijkt
angstig rond. Als hij niemand binnen z'n bereik ziet, vat hij weer moed
en buldert opnieuw, maar wat gedempter nu). Je maakt 'n onedelmoedig
misbruik van wat ik je eens heb toevertrouwd voor je eigen bestwil;
om je te redden van 'n dwaling, die je je leven lang berouwd zoudt
hebben! Spiegel je aan je vaders afdwalingen en maak ze geen excuus
voor die van je zelf.
FRANK. Heb je ooit 't verhaal gehoord van den Hertog van Wellington
en z'n brieven?
DOMINÉ. Nee seigneur, en ik verlang het niet te hooren ook.
FRANK. De oude ijzeren hertog, smeet gèen 50 pond weg; diè niet,
hoor! Hij schreef alleen: "Lieve Jenny, publiceer en stik, je
toegenegen Wellington." Dat behoorde jij ook gedaan te hebben.
DOMINÉ (beklaaglijk). Frank, m'n jongen! Toen ik die brieven schreef,
plaatste ik mezelf in de macht van die vrouw. En toen ik jou van haar
vertelde, plaatste ik mezelf--'t spijt me, dat ik 't zeggen moet--tot
op zekere hoogte in jouw macht. Zij weigerde m'n geld met de woorden,
die ik nooit vergeten zal: "Weten is macht, en nooit verkoop ik
macht." Dat is nu meer dan twintig jaar geleden en ze heeft nooit
misbruik gemaakt van haar macht of me zelfs 'n oogenblik van onrust
bezorgd. Jij gedraagt je slechter tegenover me dan zij, Frank.
FRANK. Ja, dat is wel mogelijk... Preekte je ooit tegen haar, zooals
je iederen dag tegen mij preekt?
DOMINÉ (gekwetst tot schreiens toe). Ik ga weg, jongen. Je bent
onverbeterlijk. (Hij keert zich om naar 't hek).
FRANK (volmaakt onbewogen). Wees 'n goeie kerel en zeg thuis, dat ik
niet terug kom voor thee, wil je, ouwe heer? (Hij gaat naar de deur
van de woning en komt Vivie tegen, die er juist uitkomt, gevolgd door
Praed, Crofts en Mevrouw Warren).
VIVIE (tot Frank). Is dat je vader, Frank? Ik verlang om kennis met
hem te maken.
FRANK. Zeker. (Z'n vader achterna roepend). Ouwe heer! (De dominé keert
om bij 't hek, zenuwachtig aan z'n hoed frommelend; Praed komt den
tuin in van den tegenovergestelden kant, stralend in 't vooruitzicht
van de komende plichtplegingen. Crofts sluipt rond bij de hangmat
en port die met z'n stok, om ze te laten schommelen. Mevrouw Warren
blijft op den drempel staan, strak turend naar den dominé). Laat me
je eens voorstellen: mijn vader, juffrouw Warren.
VIVIE (gaat naar den dominé en geeft hem de hand). Doet me
plezier u te zien, mijnheer Gardner. Laat me iedereen aan elkaar
voorstellen. Mijnheer Gardner--mijnheer Frank Gardner, mijnheer Praed,
jonkheer George Crofts en.... (terwijl de heeren de hoeden voor elkaar
afnemen, wordt Vivie onderbroken door een kreet van haar moeder,
die losschiet op den dominé).
MEVR. WARREN. Wel! 't Is Sam Gardner, die dominé geworden is! Ken je
ons niet meer, Sam? Dit is George Crofts, in levenden lijve en zoo
jolig als ooit. Herinner je je mij niet meer?
DOMINÉ (heel rood). Werkelijk...è...
MEVR. WARREN. Natuurlijk doe je. Kom, ik heb nog 'n album vol met
brieven van je. Ik kreeg ze 'n paar dagen geleden nog toevallig
in handen.
DE DOMINÉ (droevig verlegen). Juffrouw Vasavour, geloof ik.
MEVR. WARREN (verbetert hem snel, luid fluisterend). Sst, ben je
mal! Mevrouw Warren--Zie je m'n dochter daar niet?