Ach, gij goede heeren kavaliers! ook voor mij ligt over deze ure de
bitterheid der scheiding. Dit is nu de laatste nacht, dien we samen
doorwaakten. Uw vroolijk lachen zal ik niet meer hooren, noch uw
lustige liedjes. Van u en al die blijde menschen aan den oever van
't Löfvenmeer moet ik nu scheiden.
Gij, vriendelijke ouden! Gij hebt mij goede gaven gegeven. Aan mij,
die in weelde leefde, bracht gij voor 't eerst geruchten van 's levens
bonte wisselingen. Een geweldigen reuzenstrijd zag ik strijden om de
meren uit de droomen van mijn kindsheid. Maar wat gaf ik u?
Misschien heeft het u toch verheugd, dat uw namen nog eens genoemd
zijn, tezamen met die van uw geliefde hoeven. Ach, dat alle glans van
uw leven stralen moge over de streek waar ge geleefd hebt. Nog staat
Borg, nog staat Björne! nog ligt Ekeby aan 't Löfvenmeer, omringd door
watervallen en meertjes, door parken en bosschen en als men daar staat
op de breede balkons, zwermen de sagen om u heen als de bijen in den
zomer.... Van bijen gesproken! laat ik u nog even iets vertellen.
De kleine Ruster, die als trommelslager voor 't Zweedsche leger
uitging, toen het in 1813 Duitschland introk, werd later het vertellen
van dat wonderbare land in 't zuiden nooit moe. De menschen waren
er zoo groot als kerktorens, de zwaluwen als arenden en de bijen
als ganzen.
"Maar de bijenkorven dan?"
"O! die waren als gewone bijenkorven."
"En hoe kwamen de bijen er dan in?"
"Ja, dat moeten zij weten," antwoordde kleine Ruster.
Lieve lezers, moet ik niet 't zelfde zeggen? Hier hebben de reuzenbijen
der fantaisie om ons heen gegonsd, dag en nacht. Maar hoe ze in
de bijenkorf van de werkelijkheid zullen komen. Ja, dat moeten ze
wezenlijk zelf weten!