MARGARETHA CELSING.

In de dagen voor Kerstmis kwam de Majoorske naar de gemeente van

Löfsjö reizen, maar eerst op Kerstavond bereikte zij Ekeby. Op de

reis was zij aldoor ziek. Zij had longontsteking en hevige koorts;

maar nooit had men haar gelukkiger gezien of zooveel vriendelijke

woorden van haar gehoord.

De dochter van den predikant te Broby, die sinds October bij haar

geweest was op de hoeve in de Elvedalsbosschen, zat naast haar in de

sleê en wilde gaarne de reis verhaasten; maar zij kon de oude niet

verhinderen de paarden te laten stilstaan en iederen voorbijganger

aan de sleê te roepen, om naar nieuws te vragen.

"Hoe gaat het hier in Löfsjö?" vroeg de Majoorske.

"Het gaat ons goed," kreeg zij dan ten antwoord. "Nu komen betere

tijden. De gekke predikant te Ekeby en zijn vrouw helpen ons allen."

"Nu komt een goede tijd," antwoordde een ander. "Sintram is weg. De

kavaliers op Ekeby zijn begonnen te werken. Het geld van den predikant

te Broby is gevonden in den kerktoren te Bro. Er is zóo veel, dat

Ekeby in eer en heerlijkheid hersteld kan worden. Er is genoeg om

aan de hongerigen brood te geven."

"Onze oude Proost is tot nieuw leven en nieuwe kracht ontwaakt,"

zeide een derde. "Iederen Zondag spreekt hij ons van de Komst van

Gods Koninkrijk, Wie zou nu lust hebben te zondigen? De heerschappij

van het goede breekt aan."

En de Majoorske reed verder en vroeg ieder, dien ze ontmoette:

"Hoe gaat het u? Ontbreekt het u aan iets hier in de gemeente?"

En de koortshitte en de stekende pijn in de borst verminderden,

als zij haar antwoordden:

"Hier zijn twee goede en rijke vrouwen, Marianne Sinclaire en Anna

Stjärnhök. Zij helpen Gösta Berling en gaan van huis tot huis, om

toe te zien dat niemand honger lijdt. En de brandewijnketel verslindt

geen koren meer."

Het was alsof de Majoorske in haar sleê éen lange, lange

godsdienstoefening bijwoonde. Zij was in een heilig land gekomen. Zij

zag oude, gerimpelde gezichten opklaren, als er gesproken werd over

den tijd, die nu aangebroken was. De zieken vergaten hun pijnen,

om den dag der vreugde te prijzen.

"Wij willen allen goed zijn; wij willen allen het goede gelooven;

wij willen niemand schaden. Wij willen de komst van het rijk van

God verhaasten."

Zij vond allen door denzelfden geest bezield. Op de landgoederen

werd aan de armsten gratis spijzen uitgereikt. Allen, die werk te

verrichten hadden, lieten het nu doen, en in al de zeven ijzermijnen

van de Majoorske was het werk in vollen gang. Nooit had zij zich beter

gevoeld dan terwijl zij daar zat en de koude lucht haar pijnlijke

borst binnendrong. Zij kon geen hoeve voorbijkomen zonder stil te

houden en te vragen.

"Nu is alles goed," was het antwoord. "Hier is groote nood geweest;

maar de heeren op Ekeby helpen ons. De Majoorske zal verwonderd zijn

over alles wat daar gedaan is. De molen is gauw klaar en de smidse

al in vollen gang."

Het waren de nood en de hartverscheurende gebeurtenissen, die hen allen

veranderd hadden. Ach, dat zou wel niet lang duren; maar het was toch

goed terug te komen in een land, waar de een den ander hielp en waar

allen het goede wilden. De Majoorske voelde, dat zij de kavaliers

vergiffenis kon schenken, en daar dankte zij God voor. "Anna Lise,"

zei ze, "ik, oud mensch, zit hier, en 't komt me voor, dat ik al op

weg naar den hemel ben."

Toen zij eindelijk Ekeby bereikte, en de kavaliers zich naar buiten

haastten, om haar uit de sleê te helpen, herkenden ze haar nauwelijks;

want zij was even zacht en vriendelijk als hun jonge gravin. De

ouderen, die haar als jong meisje gekend hadden, fluisterden tegen

elkaar: "Dat is de Majoorske van Ekeby niet: dat is Margaretha Celsing,

die teruggekomen is."

De vreugde der kavaliers, omdat ze zoo goed, zoo vrij van alle

wraakzucht teruggekomen was, ging, hoe groot die ook was, al spoedig

over in smart, toen zij zagen hoe ziek hun weldoenster was. Zij moest

dadelijk naar de slaapkamer gedragen worden en naar bed gebracht. Maar

op den drempel keerde zij zich om en sprak tot hen.

"Gods storm is over het land gegaan," zei ze. "Gods storm! Ik weet nu,

dat alles om bestwil geweest is."

Toen werd de deur der ziekenkamer gesloten, en zij zagen haar nooit

weer.

Er is toch zooveel te zeggen aan iemand, die sterven zal. De woorden

verdringen zich als men weet, dat in die kamer daar naast iemand ligt,

wiens oor weldra voor goed gesloten zal zijn. "Ach, mijn vriend,

mijn beste vriend," zou men willen zeggen, "kun je me vergeven? Kun

je gelooven, trots alles, dat ik je heb liefgehad? Hoe kon ik je toch

zooveel verdriet doen, terwijl we hier samen rondwandelden? Ach, mijn

vriend, hoe dank ik je voor alle vreugd, die je me geschonken hebt."

Zulke woorden en nog veel meer zou men willen zeggen.

Maar de Majoorske lag in een gloeiende koorts, en de stemmen der

kavaliers konden haar niet bereiken. Zou zij dan nooit te weten komen,

hoe zij gewerkt hadden, hoe zij haar arbeid overgenomen en Ekeby's

eer gered hadden? Zou zij dat nooit te weten komen?

"Kort daarna gingen de kavaliers naar de smidse. Al het werk daar stond

nu stil, maar zij wierpen nieuwe kolen en nieuw ruw ijzer in den oven

en bereidden het om gesmolten te worden. Zij riepen de smeden niet:

die waren naar huis gegaan, om Kerstmis te vieren, maar zij werkten

zelf. Als de Majoorske maar leven bleef tot de groote hamer in beweging

kwam, dan zou die wel voor hen tot haar spreken.

Het werd avond en het werd nacht onder het werk. Velen onder hen

dachten er aan, hoe wonderlijk het was, dat zij nu weer Kerstavond

in de smidse zouden houden.

De bekwame Kevenhüller, die de smidse en den molen gebouwd had, in

dezen drukken tijd en Kristiaan Berg, de sterke kapitein stonden

aan 't vuur en letten op de smeltkroes. Gösta en Julius brachten

kolen aan. Van de overigen zaten enkelen op het aanbeeld onder

den grooten hamer; anderen zaten op de kolenwagens of op een hoop

gietijzer. Löwenborg, de oude mystiker, sprak met Oom Eberhard,

den filosoof, die naast hem op 't aanbeeld zat.

"Van nacht sterft Sintram," zei hij.

"Waarom juist van nacht?" vroeg Oom Eberhard.

"Je weet nog wel, dat we verleden jaar een weddingschap aangingen. Nu

hebben we niets gedaan wat niet voor kavaliers paste en dus heeft hij

't verloren."

"Maar als je daaraan gelooft, weet je toch wel, dat we heel wat

gedaan hebben, dat niet voor kavaliers paste. Ten eerste hielpen we

de Majoorske niet, ten tweede begonnen we te werken, ten derde was 't

niet heelemaal in orde, dat Gösta Berling zich niet van kant maakte,

toen hij het beloofd had."

"Daar heb ik ook wel aan gedacht," antwoordde Löwenborg; "maar ik

geloof, dat je de zaken niet goed inziet. Te denken aan ons eigen

kleingeestig voordeel was ons verboden; maar niet te doen zooals onze

eer, onze liefde of onze eeuwige zaligheid 't eischte. Ik geloof,

dat Sintram 't verloren heeft."

"Je kunt wel gelijk hebben."

"Ik zal je wat zeggen; ik weet het. Ik heb den heelen avond zijn

bellen gehoord; maar 't zijn geen wezenlijke bellen. Hij zal zelf

wel gauw komen."

En 't oude mannetje staarde door de openstaande deur van de smidse

naar buiten en naar den met sterren bezaaiden blauwen hemel, die er

door scheen.

Een oogenblik later vloog hij op.

"Zie je hem wel?" fluisterde hij. "Daar komt hij aansluipen. Zie je

hem wel, daar in de open deur?"

"Ik zie niets," zei Oom Eberhard. Je hebt slaap; dat is alles!"

"Ik zag hem zoo duidelijk tegen den lichten avondhemel. Hij had zijn

grooten wolfspels aan en zijn bonten muts op.

Nu is hij daar in het donker en ik kan hem niet meer zien. Kijk, nu

staat hij daar bij den oven. Hij staat dicht naast Kristiaan Bergh,

maar Kristiaan ziet hem zeker niet. Nu sluipt hij voort en gooit iets

in 't vuur. Pas op vrienden, pas op!"

Toen hij dat gezegd had schoot een vlam uit de oven en bedekte de

smidse en de mannen met asch en vonken. Maar niemand werd gekwetst.

"Hij wil zich wreken," fluisterde Löwenborg.

"Je ben dwaas!" barstte Eberhard uit. "Je moest nu toch wijzer zijn."

"Ja dat kan men wel willen; maar dat helpt niet. Zie je nu niet, dat

hij daar bij den balk staat en tegen ons grijnst? Zoowaar! ik geloof,

dat hij den hamer losmaakt!"

Hij vloog op Eberhard af en rukte hem van 't aanbeeld weg. Een

seconde later viel de groote hamer dreunend neer op 't aanbeeld. Er

was een kram losgegaan en Eberhard en Löwenborg waren ternauwernood

den dood ontsnapt.

"Zie je nu wel, dat hij geen macht meer over ons heeft," riep Löwenborg

triomfeerend. "Maar 't schijnt dat hij zich wreken wil."

En hij riep Gösta Berling.

"Ga naar de vrouwen, Gösta. Misschien verschijnt hij haar ook. Ze zijn

daar niet zoo aan gewoon als ik. Ze konden wel eens bang worden. Maar

pas op, Gösta, want hij haat je en misschien heeft hij nog wat macht

over je om die onvervulde belofte."

Later hoorde men dat Löwenborg gelijk had gehad, dat Sintram in

dien feestnacht gestorven was. Sommigen zeiden, dat hij zich in de

gevangenis had opgehangen. Anderen meenden, dat de gerechtsdienaars

hem in 't geheim gedood hadden, want 't proces was ten gunste van hem

gekeerd en 't ging immers niet aan hem op 't volk van Löfsjö los te

laten. Nog anderen waren er die geloofden, dat een heer in 't zwart

gekleed, in een zwarte wagen, door zwarte paarden getrokken, was komen

aanrijden en hem uit de gevangenis had meêgenomen. En Löwenborg was

de eenige niet, die hem in dien Kerstnacht zag. Ook op Fors was hij

gezien en aan Ulrika Dillner was hij in den droom verschenen. Velen

verhaalden hoe hij hun verschenen was, tot Ulrika Dillner zijn lijk

naar het kerkhof van Bro had laten brengen. Zij liet ook zijn booze

dienaars van Fors wegzenden en voerde daar een behoorlijk bestuur

in. Sinds dien tijd spookt het daar niet meer.

Men verhaalt, dat dien avond een vreemde op de hoeve kwam en een brief

voor de Majoorske had afgegeven. Niemand kende den bode; maar de brief

werd binnengebracht en op tafel naast de zieke gelegd. Dadelijk daarna

werd zij geheel onverwacht beter, de koorts nam af, de pijnen werden

minder, en zij kon den brief lezen.

De ouden geloofden, dat die beterschap door de machten der duisternis

bewerkt was. Sintram en zijn vrienden hadden er belang bij, dat de

Majoorske dien brief lezen kon.

Het was een document, met bloed op zwart papier geschreven. De

kavaliers zouden het wel herkend hebben. Het was den vorigen Kerstnacht

in de smidse van Ekeby geschreven.

En de Majoorske lag daar nu en las, dat zij, omdat zij een heks was en

de zielen der kavaliers naar de hel zond, veroordeeld werd om Ekeby te

verliezen. Dat en dergelijke dwaasheden las ze. Zij zag naar den datum

en de onderteekening, en vond het volgende bijschrift bij Gösta's naam:

"Omdat de Majoorske zich van mijn zwakheid bediende om mij van eerlijk

werk weg te lokken en mij als kavalier op Ekeby te behouden; omdat zij

mij tot Ebba Dohna's moordenaar heeft gemaakt, door haar te verraden,

dat ik een afgezette predikant was, daarom onderteeken ik."

Langzaam vouwde de Majoorske het papier dicht en legde het in het

couvert; daarna lag zij stil na te denken over wat zij te weten

gekomen was. Zij begreep met bittere smart, dat de menschen dit van

haar dachten. Een heks en een toovenaarster was zij voor allen, die

ze had welgedaan, die ze arbeid en brood gegeven had. Dat was haar

loon. Zoo zou haar nagedachtenis zijn. Zij konden niet anders van de

echtbreekster denken. Maar wat gaf zij om die onnoozelen! Zij waren

haar toch immers vreemd gebleven; maar deze arme kavaliers, die door

haar mildheid geleefd hadden, die haar goed kenden--zij geloofden het

ook! Of ze deden alsof zij 't geloofden, om een voorwendsel te hebben,

zich Ekeby toe te eigenen. Haar gedachten vlogen onrustig rond; toorn

en wraakzucht vlamden in haar door de koorts verhit brein. Zij liet

de dochter van den predikant van Broby, die met gravin Elisabeth haar

verpleegde, een bode naar Högfors zenden, naar den rentmeester en den

inspecteur. Zij wilde haar testament maken. Weer lag ze te denken. Haar

wenkbrauwen trokken zich samen, haar gezicht werd akelig vertrokken.

"De Majoorske is heel ziek," zei de gravin zacht.

"Dat ben ik, erger dan ooit te voren."

Weer werd het stil. Toen sprak de Majoorske op eens, met een harde,

scherpe stem: "'t Is wonderlijk om aan te denken, dat ook gravin

Elisabeth, die iedereen liefheeft, een echtbreekster is."

De jonge gravin kromp ineen.

"Ja, al is 't niet in daden, dan toch in gedachten en wenschen,

en dat is hetzelfde. Ik, die hier lig, voel, dat het 't zelfde is."

"Dat weet ik, Majoorske."

"En toch ben je nu gelukkig geworden. Je kunt hem, dien je lief hebt,

zonder zonde bezitten; het zwarte spook staat niet tusschen jelui,

als je elkaar ontmoet. Voor de wereld kun je elkaar toebehooren. Je

kunt naast elkaar door 't leven gaan."

"Ach, lieve Majoorske...."

"Hoe durf je bij hem te blijven?" ging de oude voort, met toenemende

heftigheid. "Doe boete, doe bijtijds boete! Reis naar huis, naar je

vader en je moeder, eer zij komen om je te vloeken. Durf je Gösta

Berling je man te noemen? Ga van hem weg. Ik wil hem Ekeby geven;

ik wil hem macht en eer geven. Durf je die met hem te deelen? Durf

je geluk en eer aan te nemen? Ik waagde het. Weet je nog hoe het mij

ging? Herinner je je den Kerstdag op Ekeby nog? Herinner je je mijn

gevangenschap op het landgoed van den leenman?"

"Ach, Majoorske," zei de gravin, "wij, zondaren, gaan hier naast

elkaar zonder geluk. Ik pas hier op, dat de vreugde zich niet neerzet

aan onzen haard. Gelooft u niet, dat ik naar huis verlang? Ach,

ik verlang zoo bitter naar de warmte en steun van een tehuis; maar

die zal ik nooit vinden. Ik moet hier wonen met vrees en beven,

met het bewustzijn, dat al wat ik doe tot zonde en smart lijdt, dat,

wanneer ik den een help, ik den ander schaad. Ik ben te klein en te

zwak voor het leven hier, en toch ben ik gedwongen hier te blijven,

omdat ik gebonden ben aan een eeuwige boete."

"Met zulke gedachte bedriegen wij ons zelf," barstte de Majoorske uit,

"maar dat is zwakheid. Je wilt niet van hem weg; dat is het eigenlijk."

Eer de gravin antwoorden kon, kwam Gösta Berling de kamer in.

"Kom hier, Gösta," zei de Majoorske dadelijk, en haar stem werd nog

scherper en harder. "Kom hier, jij, die geprezen wordt door de heele

gemeente van Löfsjö. Kom eens hier, jij, die den naam wilt nalaten,

dat je de redder van het volk waart. Nu moet je hooren hoe het je oude

Majoorske gegaan is, die je verlaten en veracht rond hebt laten loopen.

"Eerst zal ik je vertellen, hoe het mij ging, toen ik in dit voorjaar

bij mijn moeder thuis kwam; want je moet het slot van die geschiedenis

weten.

"Het was Maart. Ik was naar het landgoed in de Elvedalsbosschen

geloopen, Gösta. Ik zag er uit als een bedelaarster. Toen ik aankwam,

zei men mij, dat mijn moeder in den melkkelder was. Daar ging ik heen

en stond er lang zwijgend bij de deur. In het rond langs den muur, op

lange planken, stonden glimmende koperen bakken, gevuld met melk. En

mijn moeder, die over de negentig was, nam van den eenen bak na den

anderen de room af. Zij was kras, de oude vrouw; maar ik kon toch wel

merken hoe zwaar het haar viel de bakken te tillen. Ik wist niet of ze

mij gezien had;. maar na een poos sprak ze mij aan met een wonderlijk

scherpe stem.

"Dus is het je gegaan, zooals ik wou," zei ze. Ik wilde met haar

spreken en haar vergeving vragen; maar dat hielp niet. Ze hoorde er

geen woord van: ze was stokdoof; maar een oogenblik later sprak ze

weer: "je kunt me komen helpen," zeide ze.

"Toen ging ik heen en roomde de melk af. Ik nam de bakken, zette ze

neer in de juiste volgorde, en zette alles op zijn plaats, en stak

den roomlepel er juist diep genoeg in, en zij was tevreden. Ze had

geen van de dienstboden het afroomen kunnen toevertrouwen; maar ik

wist immers van vroeger hoe ze het hebben wilde.

"Nu kun jij dat werk wel op je nemen," zei ze. En toen wist ik,

dat ze mij vergeven had.

"En toen was het op eens, alsof ze niet meer werken kon. Zij zat stil

in haar leuningstoel en sliep bijna den heelen dag. Een paar weken

voor Kerstmis stierf zij. Ik zou graag eerder gekomen zijn, Gösta;

maar ik kon niet van de oude vrouw weg."

De Majoorske hield op. Ze haalde met moeite adem; maar ze vermande

zich en sprak verder:

"Het is waar, Gösta, dat ik je graag bij mij hier op Ekeby hebben

wou. Het is nu eenmaal zoo, dat allen graag bij je willen zijn. Als

je een behoorlijk mensch had kunnen worden, dan zou ik je veel macht

gegeven hebben.

"Ik hoopte altijd, dat je een goede vrouw zoudt vinden. Eerst geloofde

ik, dat het Marianne Sinclaire zou zijn, want ik zag, dat ze je

liefhad, al toen je als houthakker in 't bosch leefde. Toen dacht ik,

dat het Ebba Dohna zou zijn, en ik reed naar Borg, om haar te zeggen,

dat ik je Ekeby zou laten erven, als ze met je trouwen wilde. Heb ik

daar verkeerd aan gedaan, dan moet je 't mij vergeven."

Gösta lag op zijn knieën voor het bed, met het voorhoofd op den

rand. Hij steunde luid.

"Zeg me nu, Gösta, hoe je denkt te zullen leven. Hoe wil je je vrouw

onderhouden? Zeg mij dat. Je weet, dat ik altijd voor jou 't beste

bedoeld heb!"

En Gösta antwoordde haar glimlachend, ofschoon zijn hart bijna brak van

smart: "In den ouden tijd, toen ik beproefde arbeider hier op Borg te

worden, heeft de Majoorske mij een huis gegeven om in te wonen, en dat

heb ik nog. In dit najaar heb ik er alles in orde gebracht. Löwenborg

heeft mij geholpen. Wij hebben den zolder geschilderd en de muren

behangen. Het binnenste kamertje noemt Löwenborg: het kabinet van de

gravin, en hij heeft bij de boeren in den omtrek naar meubels gezocht,

die ze op de verkoopingen van landgoederen gekocht hebben. Die heeft

hij opgekocht, en nu zijn er leuningstoelen met hooge ruggen en

commodes met blinkend beslag, maar in de buitenste groote kamer staat

het weefgetouw van de jonge Mevrouw en mijn draaibank. Daar hebben we

ook ons huisraad en andere dingen, en daar hebben Löwenborg en ik al

vaak gezeten 's avonds en er over gesproken hoe de jonge gravin en

ik het in het arbeidershuisje zullen hebben. Maar mijn vrouw hoort

dit nu voor het eerst, Majoorske. Wij wilden het eerst zeggen, als

we van Ekeby vertrokken."

"Ga voort, Gösta!"

"Löwenborg sprak er altijd over, dat we een dienstmeisje moesten

hebben. "'s Zomers is 't hier heerlijk," zei hij, "maar 's winters

is het te eenzaam voor de jonge Mevrouw. Je moet werkelijk een

dienstmeisje nemen, Gösta."

"En dat was ik wel met hem eens; maar ik wist niet hoe ik aan het

geld daarvoor zou komen. Toen kwam hij op een goeden dag met zijn

tafel met de geschilderde toetsen aanzetten. "Ik denk, dat jij ons

dienstmeisje wel worden zult, Löwenborg," zei ik. Hij antwoordde,

dat wij hem wel noodig zouden hebben, en vroeg of ik dan meende, dat

de jonge gravin eten koken en water en brandhout aandragen zou? Neen,

ik had niet gedacht, dat zij het allerminste van dien aard zou doen,

zoolang ik een paar handen had om mee te werken.

"Maar hij meende toch, dat 't beter was, als wij met ons beiden waren,

zoodat zij den heelen dag op de sofa kon zitten te borduren. Ik kon

me heelemaal niet voorstellen, hoeveel bediening zoo'n klein vrouwtje

noodig had, zei hij."

"Ga voort," zei de Majoorske, "dat verzacht mijn pijn. Geloofde je dan,

dat de jonge gravin in een arbeidershuis zou willen wonen?"

Hij was verbaasd over haar honenden toon, maar ging voort: "Och,

Majoorske, ik durfde het niet te gelooven; maar het zou zoo heerlijk

geweest zijn, als zij 't wilde. De dichtstbij zijnde dokter woont hier

vijf mijl vandaan. Zij, die een zachte hand en liefderijk hart heeft,

zou werk genoeg vinden met het verbinden van wonden en koortslijders

te verplegen. En ik dacht, dat alle bedroefden den weg zouden vinden

naar de lieve Mevrouw in het arbeidershuisje. Er is zooveel smart

onder de armen, die door goede woorden en een vriendelijk hart te

verlichten is."

"Maar jij dan, Gösta?"

"Ik heb mijn werk aan de draai- en schaafbank, Majoorske. Ik moet van

nu aan mijn eigen leven leven. Als mijn vrouw mij niet volgen wil--het

zij zoo! Al bood men mij nu alle rijkdommen ter wereld, ze zouden mij

niet verlokken. Ik wil mijn eigen leven leven. Nu wil ik een arm man

zijn en blijven onder de boeren en hen helpen met wat ik kan. Zij

kunnen iemand noodig hebben, die voor hen kan spelen op bruiloften

en Kerstfeesten, iemand, die brieven aan de zonen in een vreemd land

kan schrijven,--en dat kan ik doen. Maar arm moet ik zijn, Majoorske."

"Dat wordt een treurig leven voor je, Gösta."

"Ach neen, Majoorske, dat zou het niet zijn als wij beiden ons maar

bij elkaar aansloten. De rijken en vroolijken zouden wel bij ons

komen, evengoed als de armen. Wij zouden vreugde genoeg in onze kamer

krijgen. De gasten zouden er niet om geven of het eten klaargemaakt

werd waar ze bij waren, of er boos om zijn, als ze twee aan twee van

één bord moesten eten."

"En wat nut zou je daarmee stichten, Gösta? Wat eer zou je daarmeê

inleggen?"

"'t Zou eer genoeg zijn, Majoorske, als de armen nog eens aan mij

dachten een paar jaar na mijn dood. Ik zou nut genoeg gedaan hebben,

als ik een paar appelboomen bij elk huis geplant had, als ik den

speelman een paar melodieën van oude meesters geleerd had, en als de

kinderen van den koewachter een paar mooie liedjes kenden om in 't

bosch te zingen. De Majoorske mag me gerust gelooven; ik ben dezelfde

gekke Gösta Berling van vroeger. Een boerenspeelman is alles, wat

ik worden kan, maar dat is genoeg. Ik heb veel goed te maken; maar

berouw te hebben en te schreien ligt niet in mijn aard. Ik wil aan

de armen vreugde brengen; dat zal mijn boete zijn."

"Gösta," zei de Majoorske, "dat leven is te gering voor een man met

jou gaven. Ik wil je Ekeby geven."

"O Majoorske," barstte hij verschrikt uit, "maak mij niet rijk! Leg

mij zulke plichten niet op! Scheid mij niet van de armen!"

"Ik wil jou en de kavaliers Ekeby geven," hernam de Majoorske;

"je bent immers een uitstekend mensch en door het volk bemind. Ik

zeg als mijn moeder: "dit werk kun je nu voortaan wel op je nemen."

"Neen, Majoorske, dit kunnen wij niet op ons nemen! Wij, die u miskend

hebben en u zooveel verdriet deden!"

"Ik wil jelui Ekeby geven, hoor je?"

Zij sprak hard en scherp, zonder eenige vriendelijkheid. Hij werd

steeds angstiger.

"Breng de ouden niet in zulk een verzoeking, Majoorske; dat zou hen

immers tot lichtzinnige zwierbollen maken. Rijke kavaliers! Goede

hemel wat zou er van ons worden!"

"Ik wil je Ekeby geven, Gösta! maar dan moet je beloven je vrouw haar

vrijheid te geven. Zoo'n fijn, klein dametje past niet bij je. Zij

heeft te veel geleden hier, in 't berenland. Zij verlangt naar haar

licht tehuis! Je moet haar laten gaan. Daarom zal ik je Ekeby geven."

Maar nu kwam gravin Elisabeth dichter bij en knielde voor 't bed van

de Majoorske. "Ik verlang nu niet meer, Majoorske. Hij, mijn man heeft

het raadsel opgelost en het leven gevonden, dat ik leven kan. Ik hoef

niet meer koud en streng aan zijn zijde te gaan en hem aan berouw en

boete te herinneren. Armoede, nood en hard werk zullen dat wel doen. De

wegen, die naar de armen en zieken leiden, kan ik zonder zonde gaan. Ik

ben niet bang meer voor het leven hier in het noorden. Maar maak hem

niet rijk, Majoorske! Want dan durf ik niet te blijven."

De Majoorske richtte zich in haar bed op.

"Alle geluk verlangen jullie voor je zelf!" riep ze en dreigde hen met

de vuist. "Alle geluk en zegen! Neen, laat de kavaliers Ekeby hebben,

zoodat ze te gronde gaan. Laat man en vrouw gescheiden worden, zoodat

ze te gronde gaan. Een heks en een toovenaarster ben ik, en ik wil

jullie tot kwaad aansporen. Zooals mijn naam is wil ik ook zijn!"

Zij greep den brief en slingerde hem Gösta in het gezicht. Het zware

papier fladderde op den grond. Gösta kende het wel.

"Je hebt je misdadig tegenover me gedragen, Gösta! Je hebt me miskend,

mij, die een tweede moeder voor je geweest ben. Durf je weigeren je

straf uit mijn hand aan te nemen? Je moet Ekeby aannemen, en dat zal je

bederven, want je bent zwak. Je moet je vrouw naar huis zenden, zoodat

je niemand hebt om op te steunen. Je zult sterven met een naam, even

gehaat als de mijne. Margaretha Celsing laat den naam na van een heks

en een toovenaarster; de jouwe zal zijn: verkwister en boerenplager."

Zij zonk in de kussens terug, en alles werd stil.

Daar klonk door de stilte een doffe slag, toen weer een, en nog

een. De groote stoomhamer begon zijn dreunend lied.

"Hoor," zei Gösta Berling, "zóó klinkt de naam van Margaretha

Celsing. Dat zijn niet de dwaasheden van dronken kavaliers. Dat is

het zegelied van den arbeid, dat aangeheven wordt ter eere van een

trouwe arbeidster. "Wij danken u," zegt het, "voor goeden arbeid,

voor het brood, dat ge den armen gaaft, voor de wegen, die ge gebaand,

de huizen, die ge gebouwd hebt. Wij danken u voor de vreugde, waarvoor

ge uw huis geopend hebt. Wij danken u! Rust in vrede, uw werk leeft

voort en houdt stand. Uw hoeve zal altijd een vrijplaats zijn voor

den arbeid, die geluk aanbrengt. Wij danken u! Veroordeel ons, die

gedwaald hebben, niet. Gij, die nu de reis aanvaardt naar het rijk

des vredes, denkt met zachtheid aan ons, die nog leven."

Gösta zweeg; maar de stoomhamer ging door. Alle stemmen, die zacht

en liefderijk tot de Majoorske gesproken hadden, mengden zich in die

hamerslagen. Langzamerhand verdween de spanning uit haar trekken;

zij werden slap, en het was alsof de schaduw des doods over haar kwam.

De dochter van den predikant van Broby kwam binnen om te zeggen dat de

heeren van Högfors gekomen waren. De Majoorske liet ze weer gaan. Zij

wilde geen testament meer maken.

"Zie, Gösta Berling, man van daden," zei ze. "Je hebt dus ook nu

overwonnen. Buig je neer en laat mij je zegenen."

De koorts kwam weer op met dubbele kracht, en de doodsstrijd begon. Het

lichaam moest nog bitter lijden doorstaan; maar de ziel wist er

spoedig niets meer van. Die begon reeds te staren in de hemelen,

die voor de stervende geopend werden.

Zoo ging een uur voorbij en de doodsstrijd was gestreden. Daar lag ze,

zoo vredig, zoo mooi, dat alle omstanders diep bewogen waren.

"Mijn lieve, oude Majoorske," zei Gösta toen; "zoo heb ik u vroeger

nog eens gezien. Nu is Margaretha Celsing teruggekomen. Nu zal zij

nooit meer wijken voor de Majoorske op Ekeby."

Toen de kavaliers uit de smidse terugkwamen, werden zij ontvangen

met het bericht, dat de Majoorske overleden was.

"Heeft zij den hamer gehoord?" vroegen ze.

Ja, dat had zij, en daarmee moesten zij tevreden zijn.

Later hoorden zij, dat ze van plan geweest was hun Ekeby te geven,

maar dat het testament nooit geschreven was. Dat vonden zij een groote

eer en beroemden er zich op zoolang zij leefden. Maar niemand hoorde

hen ooit klagen over de rijkdommen, die zij verloren hadden.

Men zegt ook, dat in dezen Kerstnacht Gösta Berling naast zijn jonge

vrouw stond en voor 't laatst de kavaliers toesprak.

Hij was bedroefd over hun lot, nu ze allen van Ekeby weg moesten. De

zwakheden van den ouderdom wachten hen. Hij, die oud en knorrig is,

wordt maar koel ontvangen, waar hij ook komt. De arme kavalier, die

gedwongen is, zich bij een boer in den kost te koopen, heeft geen

vroolijke dagen: ver van vrienden en avonturen kwijnt hij eenzaam weg.

En toen sprak hij tegen hen, de zorgeloozen, door de wisseling van

het lot gehard. Nog ééns noemde hij hen: "Oude goden en ridders,

die gekomen waren om de vreugde te brengen in het ijzerland en den

ijzertijd."

Maar hij klaagde er over, dat de tuin, waar de vreugde op vlinderwieken

ronddartelde, door rupsen werd verwoest, zoodat de vruchten niet

rijpten.

Wel wist hij, dat de vreugde een zegen voor de kinderen der aarde was

en dat die gevonden moest kunnen worden. Maar als een duister raadsel

klonk de vraag over de wereld, hoe een mensch tegelijk verheugd en

goed kan zijn. Dat was het gemakkelijkste en tegelijk het moeilijkste

in de wereld, zei hij. Tot nu toe hadden zij dat raadsel niet kunnen

oplossen. Nu wilde hij aannemen, dat zij het geleerd hadden, dat zij

allen het geleerd hadden in dit jaar vol vreugde en nood, vol geluk

en smart.

Gösta Berling · 第 83 / 86 题