En de overste antwoordt,--zooals hij al eens te voren geantwoord heeft:
"Wij zijn hier met uw man."
Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet
naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa
daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende
oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man,
die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart.
"Dat is zijn eigen gezicht!" mompelde zij. Zonder meer te vragen,
buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur
wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer.
De overste helpt haar 't groote ledikant naar voren trekken, bed en
kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons
en wit linnen gelegd.
"Leeft hij nog?" vraagt ze.
"Ja," antwoordt de overste.
"Is er nog hoop?"
"Neen, er is niets aan te doen."
't Blijft een poos stil in de kamer;--dan komt plotseling een gedachte
in haar op:
"Schreien die allen om hem?"
"Ja."
"Wat heeft hij dan gedaan?"
"'t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en
kinderen van den dood te redden."
Zij zit weer een poos stil en denkt na.
"Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden
geleden thuiskwam?"
De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst!
"Gösta had hem immers geschilderd!"
"Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn
huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?"
Beerencreutz haalde de breede schouders op.
"Ik heb veel te verantwoorden."
"Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt."
"Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En
dan ook--hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij."
"Wie dan?"
"Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik
weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken."
"Dat is waar," antwoordt zij.
Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen.
Hij vertelt alles, zoo goed als hij 't zich herinneren kan. Zij
luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op
het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan
die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle
kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen,
tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt.
Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw
haar stem:
"Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. 't
Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit."
Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo
doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart
gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare
verootmoedigde mannen.
Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: "Wil iemand van hen, die
mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is
en wat hij gedaan heeft?"
En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein
Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar
hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar
spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen
hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de
dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om
het volk te helpen.
't Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt
en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander
treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet
heeft willen hooren noemen.
Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op 't ziekbed gevonden heeft
en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft,
bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd
nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had,
heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en
geloof wekken.
Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer.
Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op 't eind. Zij
weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan 't ziekbed gesproken wordt,
fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes
vooruit. "Daar is een die getuigen kan," zeggen de anderen, en laten
hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun
getuigenis af en treden weer in 't duister terug.
"Wat zegt zij nu?" vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten
komt. "Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter.
"Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft
zijn leuningstoel voor 't bed gezet en de kleederen er op gelegd,
die ze zelf voor hem geweven heeft."
Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar
allen weten het: "hij sterft."
Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg.
Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe
kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij
haalt diep adem en geeft den geest.
Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen
stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied
omhoog. 't Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel.