Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby,
die acht dagen duurt. 't Is 't groote feest van den herfst. Die wordt
voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe
winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor 't eerst gedragen
te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken
staan den heelen dag op tafel; 't brandewijnrantsoen wordt verdubbeld;
er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve.
Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen
wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in
kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in
de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge
stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor
zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel
wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven
worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen
van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen
van marktgeschenken en marktgeld.
En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de
heuvels bij Bro, bij en over 't groote jaarmarktsveld! Kramen
zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft
uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun
goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven
het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde
vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers
en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen
vaten op rijen.
Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de
tuiniers van de groote hoeven.
Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door
roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel.
Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op
Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan 't Löfvenmeer. De
handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is
nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard
verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten,
spannenden paardenhandel.
Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft
voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En 't is
niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit
hun eenzame huizen in 't bosch komen naar de markt met haar golvende
menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden
als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven.
Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is
toch de hoofdzaak niet. 't Is er vooral veel om te doen veel vrienden
en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst,
spritsen en brandewijn te tracteeren, of "het" meisje over te halen een
gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes
te zoeken voor de kleintjes thuis.
Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te
passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers
van Ekeby en de boeren uit 't bosch van Nygaard, de paardenkoopers
uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers
van den grooten weg.
Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in
steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet,
wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de
menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een
omgevallen kar op te rapen. En 't volgend oogenblik is er een nieuwe
oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt
meisje heeft.
En dan--tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben
uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en
eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat
men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in
die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was
er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of
wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat
er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De
kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en
op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om
de Westgothlanders te helpen.
Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij
en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid
en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn
landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun
kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van
de metalen plaat, die 't dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware
stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed
en hij zwaait dit geweldige wapen.
Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur
doorgetrapt in 't cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het
meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij
met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de
heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar
sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en
rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar
iemand slaan, nu hij eenmaal zoo'n best wapen heeft.
De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen
schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de
hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en
koeien, die wild worden door 't geraas verhinderen hen voort te komen.
In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt,
en op haar stormt de reus af.
Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft
de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten
de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag.
Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken
door de hoog opgeheven armen van een man.
Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de
omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al
die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een
man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook
bewusteloos op het veld.
Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft
den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel
viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder
tegenstand binden en wegvoeren.
Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke
Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend
van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden.
En 't wordt stil op dat groote veld, waar nog pas 't leven bruiste in
al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren
bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser 't volk bij
zijn lijn.
De vriend van het volk is dood. Er is rouw over 't volk
gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij
ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,--volkomen bewusteloos. Een wond
ziet men niet, maar 't is alsof zijn schedel iets platter geworden is.
Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat,
die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog
leeft.
"Waar zullen wij hem heendragen?" vragen zij elkaar.
"Naar huis," antwoordde een barsche stem uit de schare.
O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders
en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een
veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis.
't Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust,
op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een
zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden;
hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is
hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar
't land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur
voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem,
die stierf om vrouwen en kinderen te redden.
Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers
begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde,
wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis.
En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt,
leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar
zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De
mannen ontblooten 't hoofd, de vrouwen buigen 't hunne zooals ze in
de kerk doen als Gods naam wordt genoemd.
Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk,
hoe handig in 't helpen en raden, hoe vroom. En 't is merkwaardig
om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander
zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet.
Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers
staan.
"Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt," zegt
Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê
naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd.
't Marktveld is als uitgestorven. 't Volk gaat met kapitein Lennart
naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al
die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de
marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, 't psalmboek
wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank
van den koopman.
Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt.
Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En
weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle
bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en
bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open.