En hoewel hij weigerde, hield de koning vol en wilde den wagen hebben.
Toen zag Kevenhüller, dat in 't gevolg van den koning een hofdame
stond met licht haar en in 't groen gekleed. Hij herkende haar wel en
begreep, dat zij het was, die den koning geraden had om zijn wagen
te vragen. Maar hij werd wanhopend. Hij kon niet verdragen dat een
ander zijn wagen zou bezitten, en hij durfde toch den koning zijn
dringend verzoek niet weigeren. Daarom reed hij met zulk een vaart
tegen den slotmuur, dat de wagen in duizend stukken sprong.
Toen hij weer in Karlstad teruggekomen was, probeerde hij een nieuwen
wagen te maken, maar hij kon het niet.
Toen werd hij verschrikt door de gave, die de boschvrouw hem had
geschonken.
Hij had het luie leven op 't kasteel van zijn vader verlaten om een
weldoener voor velen te worden, niet om tooverdingen te maken, die
maar één mensch gebruiken kon. Wat baatte het hem een groot meester
te worden, ja de grootste van allen, als hij zijn wonderwerk niet
vermenigvuldigen kon, zoodat het duizenden ten goede kwam. En de
geleerde, algemeen ontwikkelde man verlangde zóó naar kalm, verstandig
werk, dat hij steenhouwer en metselaar werd.
Toen bouwde hij den grooten toren bij de Westerbrug, naar het model
van den hoofdtoren van zijn vaders ridderslot, en zijn bedoeling was
ook woonhuizen, portalen, binnenplaatsen, wallen en een hangenden
toren te bouwen, zoodat een heele ridderburcht zou verrijzen aan den
oever van den Klarelv.
En daar zou hij den droom zijner kinderjaren tot werkelijkheid maken.
Alles wat industrie en handenarbeid was, zou zijn plaats vinden in
de zalen van zijn slot. Witte molenaarsjongens en zwarte smeden,
horlogemakers met groene schermen voor de vermoeide oogen, verwers
met donkre handen, wevers, draaiers, vijlers, allen zouden ze hun
werkplaats hebben in zijn kasteel.
En alles ging goed. Van de steenen, die hij zelf gehouwen had,
bouwde hij met eigen handen zijn toren. Hij maakte er molenwieken
aan vast--want de toren zou een molen worden en nu zou hij aan de
smidse beginnen.
Zoo stond hij er op een dag naar te kijken, hoe de lichte sterke
wieken door den wind werden bewogen. En toen kwam zijn oude kwaal
weer over hem.
Het was hem alsof de groen gekleede hem weer aanzag met haar vonkelende
oogen, tot zijn hersens opnieuw ontvlamden. Hij sloot zich op in zijn
werkplaats, at niet en sliep niet, maar werkte zonder ophouden. En
zoo maakte hij in acht dagen een nieuw wonderding.
Op een dag steeg hij op zijn toren en begon vleugels aan zijn schouders
vast te maken.
Twee straatjongens en een gymnasiast, die op de brug zaten en
kattekwaad bedachten, zagen hem en zij gaven een gil, die door
de heele stad klonk. Ze vlogen weg en draafden de straten op en
neer, bonsden op alle deuren en riepen: "Kevenhüller gaat vliegen,
Kevenhüller gaat vliegen!"
Intusschen stond de groote uitvinder heel kalm op zijn toren en trok
zijn vleugels aan, terwijl daar beneden de menschenmassa te voorschijn
golfde uit de nauwe straten van het oude Karlstad.
De dienstmeisjes lieten de kokende spijs in de pan staan en liepen
weg van 't rijzende deeg. De oude vrouwtjes lieten de breikous
vallen, zetten den bril op en liepen de straat op. De raadsheeren
en de burgemeester stonden van de rechtbank op. De rector gooide de
grammatica in een hoek, de schooljongens liepen uit de school zonder
verlof te vragen. De geheele stad liep uit naar de Westerbrug.
Spoedig was de heele brug zwart van menschen. De markt stond volgepakt
en de oevers van de beek tot het huis van den bisschop toe, wemelden
van menschen. Er was nog grooter gedrang dan op de jaarmarkt, er waren
nog meer toeschouwers dan toen koning Gustaaf III door de stad kwam
rijden, door acht paarden getrokken, en in zulk een woeste vaart,
dat de wagen op twee wielen stond bij 't zwenken.
Eindelijk had Kevenhüller zijn vleugels aan en zette af. Hij deed een
paar slagen en was toen in de vrije lucht. Hij dreef in de wolkenzee
hoog boven de aarde.
Hij ademde met volle teugen de frissche lucht in. Die was zoo krachtig
en zuiver daar boven. Zijn borst zette zich uit, en 't oude ridderbloed
begon in hem te koken. Hij daalde neer als een duif, zweefde hoog
in de lucht als een havik, zijn vleugels waren vlug als die van een
zwaluw, hij stuurde zijn vlucht met de zekerheid van een valk. En
hij zag neer op die menschenmassa's daar beneden, die aan de aarde
gekluisterd waren, terwijl hij daar ronddreef in de wolkenzee. Ach,
kon hij toch voor ieder van hen maar een paar vleugels maken! Kon hij
toch iedereen maar de macht geven zich zoo hoog in de frissche lucht
te verheffen. Hoe anders zouden ze dan worden! De herinnering aan de
ellende van zijn leven verliet hem zelfs niet in dit oogenblik van
triomf. Hij kon niet alleen genieten. Ach, die boschvrouw! Kon hij
ze maar vinden!
Zijn oogen waren bijna verblind door den sterken zonneschijn. Toen
zag hij hoe daar iets op hem aan kwam vliegen. Groote vleugels, juist
als de zijne zag hij bewegen en daar tusschen in een menschelijk
lichaam. Geel haar fladderde in den wind, groene zijde golfde achter
haar en wilde oogen schitterden. Daar was zij!
Daar was ze!
Kevenhüller bedacht zich niet. Met wilde vaart stoof hij op de
wonderbare toe om haar te kussen.... of te slaan.... Hij wist het
zelf niet.--Maar in ieder geval om haar te dwingen den vloek van
zijn bestaan op te heffen. In die wilde vaart verloor hij zijn
bezinning. Hij merkte niet waar hij heenvloog, hij zag niets dan
de wilde oogen en het vliegend haar. Hij kwam dicht bij haar en
strekte de armen uit om haar te grijpen.... Toen verwarden zijn
vleugels zich in de hare en de hare waren sterker. Zijn vleugels
werden tegengehouden en gebroken. Hij zelf werd een paar maal in
't rond geslingerd, hij wist niet waarheen.
Toen hij weer tot bewustheid kwam, lag hij op 't dak van zijn eigen
toren met de verbrijzelde vliegmachine naast zich. Hij was recht op
zijn eigen molen afgevlogen. De wieken hadden hem gegrepen, hem een
paar keer rondgedraaid en hem toen op 't torendak geworpen.
Zoo was dus dit spel voorbij!
Kevenhüller was op nieuw wanhopend. Eerlijk werk verveelde hem en
tooverkunsten durfde hij niet meer te probeeren. Maakte hij op nieuw
een wonderwerk en brak dat weer--dan zou zijn hart ook van droefheid
breken. En al brak het niet, dan zou de gedachte dat hij er niemand
meê van nut kon zijn, hem nog krankzinnig maken.
Hij zocht zijn ransel en knuppel weer op, liet zijn molen staan en
besloot de boschvrouw op te gaan zoeken.
Hij nam een paard en wagen, want hij was niet meer zoo jong en vlug
ter been. En men zegt dat hij, als hij aan een bosch kwam uit zijn
wagen ging en de groengekleede uit 't kreupelhout riep:
"Boschvrouw! Boschvrouw! Ik ben het, Kevenhüller, kom dan toch."
Maar ze kwam niet.
Op deze reizen kwam hij ook naar Ekeby een paar jaar vóór dat de
Majoorske verdreven werd. Hij werd er vriendelijk ontvangen en
hij bleef er. En de schare in de kavaliersvleugel werd verrijkt
met een lange, krachtige ridderfiguur, een flink man, die zich bij
drinkgelagen en op de jacht niet onbetuigd liet. De herinneringen
uit zijn kinderjaren kwamen weer boven: hij stond toe dat men hem
"Graaf" noemde, en hij kreeg meer en meer het uiterlijk van een ouden
roofridder, met zijn grooten arendsneus, zijn zware wenkbrauwen,
zijn vollen baard, die spits onder de kin uitliep en de op zijde
uitstaande snor.
Hij werd een der kavaliers en was niet beter dan een van de anderen
in de schaar, die volgens 't volksgeloof, door de Majoorske voor den
Booze in gereedheid gebracht werd. Zijn haar werd grijs en zijn hersens
sliepen. Zoo oud was hij, dat hij niet meer aan de heldendaden van zijn
jeugd kon gelooven. Hij was niet de man met de wonderkrachten. Hij
had nooit de van zelf rijdende wagen en de vliegmachine gemaakt. Ach
neen! praatjes! allemaal praatjes.
Maar toen gebeurde het, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd en
de kavaliers heeren en meesters werden van het groote landgoed. Toen
begon daar een leven zooals nooit te voren! Er ging een storm over
het land; al het kwade kwam in beweging; al het goede beefde, de
menschen streden op aarde en de geesten in den hemel. Wolven kwamen
van 't Dovrefjeld met heksen op den rug, de natuurmachten braken los
en de boschvrouw kwam naar Ekeby.
De kavaliers kenden haar niet. Zij meenden, dat het een arme vrouw in
nood was die een wreede schoonmoeder tot vertwijfeling had gebracht. En
zij gaven haar bescherming, ze eerden haar als een koningin en hadden
haar lief als een kind.
Alleen Kevenhüller zag wie ze was. In het begin was hij ook verblind,
zooals alle anderen. Maar op een dag had ze een kleed van groene zijde
aan, met weerschijn en toen ze dat aanhad, herkende Kevenhüller haar.
Daar zat ze op zijden kussens, op de beste sofa van Ekeby, en al die
oude heeren stelden zich aan als dwazen door haar te bedienen. De
een was haar kok, de ander haar kamerheer, een derde haar voorlezer,
een vierde haar hofmuzikant, een vijfde haar schoenmaker. Ieder deed
het zijne in haar dienst.
't Moest verbeelden dat zij ziek was, die booze heks! Maar Kevenhüller
wist wel wat er van die ziekte aan was. Ze hield hen allen voor den
gek, dat deed ze!
Hij waarschuwde de kavaliers voor haar: "Zie toch naar haar kleine,
scherpe tanden," zei hij, "naar haar wilde, schitterende oogen. Zij
is de boschvrouw--al het booze komt los in dezen verschrikkelijken
tijd. Ik zeg jelui, ze is de boschvrouw en komt hier om ons in 't
verderf te storten. Ik heb haar meer gezien!"
Maar nu Kevenhüller de boschvrouw gezien en herkend had, kwam de
werklust weer over hem. 't Begon weer te branden en te koken in
zijn hersens, zijn vingers tintelden van verlangen hamer en vijl
te grijpen, hij kon zich niet beheerschen. Met een verbitterd hart
trok hij het werkpak weer aan en sloot zich in de oude smidse op,
die zijn werkplaats zou zijn.
En van Ekeby ging er een roep uit over Wermeland: "Kevenhüller is
weer aan 't werk gegaan."
En ademloos luisterde men naar de hamerslagen in de afgesloten
werkplaats, naar het gekras van de vijlen en 't steunen van de
blaasbalg.
Een nieuw wonderwerk zal ontstaan. Wat zal dat wel zijn? Zal hij
ons nu leeren over 't water te loopen? of een ladder maken naar 't
zevengesternte. Niets is onmogelijk voor dien man. Met eigen oogen
hebben we hem op vleugels door de lucht zien zweven. Wij hebben
zijn wagen door de straten zien gaan. Hij heeft de gave van de
boschvrouw. Niets is onmogelijk voor hem.
Op een nacht, heel in 't begin van October had hij zijn wonderwerk
klaar. Hij kwam uit zijn werkplaats en had het in zijn hand. Het was
een wiel, dat onophoudelijk in 't rond ging. En de spaken straalden
als vuur, en warmte en licht gingen van hen uit. Kevenhüller had
een zon gemaakt. Toen hij die naar buiten bracht in den winternacht,
werd het zóó licht dat de musschen begonnen te tjilpen en de wolken
straalden van morgenrood.
Dat was een heerlijke uitvinding. Er zou geen kou en geen duisternis
meer op aarde zijn. Hij duizelde als hij daaraan dacht. De zon zou
blijven op- en ondergaan, maar als ze verdween, zouden duizenden
van zijn vuurwielen over 't land vlammen en de lucht zou trillen
van warmte als op een heeten zomerdag. Men zou den oogst binnenhalen
onder den winterlijken sterrenhemel, aardbeien en boschbessen zouden
't geheele jaar door den grond in 't bosch bekleeden, nooit zou
't water tot ijs verstijven.
Nu die uitvinding gedaan was zou de geheele aarde vernieuwd
worden. Zijn vuurwiel zou de pels der armen, de zon der mijnwerkers
zijn. Het zou aan de fabrikanten drijfkracht, aan de natuur leven en
aan de menschen een rijk en gelukkig bestaan geven.
Maar op 't zelfde oogenblik wist hij dat dit maar droomen waren,
en dat de boschvrouw hem nooit zou toestaan zijn vuurwiel te
vermenigvuldigen. En in zijn woede en wraakzucht wenschte hij haar
te dooden en hij wist nauwelijks wat hij deed. Hij ging naar het
hoofdgebouw en in de vestibule; dicht onder de trap zette hij zijn
vuurwiel neer, hij hoopte dat het huis in brand zou raken en de
heks verbranden.
Toen ging hij weer in zijn werkplaats en bleef daar stil zitten
luisteren.
Op de plaats riep en schreeuwde men. Nu was het te hooren, dat er
een heldendaad was verricht.
Ja! spring en schreeuw en jammer maar! Nu verbrandt ze toch, die
boschvrouw, die jelui op zijden kussens hebt gezet.
Zou zij nu de handen wringen van angst? zou ze nu voor de vlammen
vluchten van de eene kamer in de andere?
Wat zal die groene zij mooi branden en hoe zullen de vlammen spelen
met heur golvend haar; houd moed knetterende vlammen! steek haar aan,
verbrand, verniel haar! Laat de heks verbranden. Vrees niet voor
haar tooverspreuken. Er zijn er wel, die levenslang branden voor
haar schuld!
Klokken luiden, wagens ratelen, spuiten komen te voorschijn, water
wordt uit het meer aangedragen, van uit alle dorpen stroomen de
menschen toe. Men hoorde geschreeuw, gejammer en luide bevelen;
nu stortte het dak in met verschrikkelijk gekraak en in een zee
van vonken. Maar Kevenhüller stoorde er zich niet aan. Hij zat op
zijn aanbeeld en wreef de handen. Daar hoorde hij een geraas alsof
de hemel instortte en jubelend vloog hij op. "Nu is het gebeurd,"
juichte hij. "Nu kan ze niet ontkomen, nu is ze verbrijzeld onder de
balken of door de vlammen verkoold. Nu is 't gedaan!"
Toen dacht hij aan de eer en macht van Ekeby, die moest opgeofferd
worden om haar te vernietigen. Die heerlijke zalen, waar zooveel
vreugde gewoond had, de kamers, waar de schoonste herinneringen
fluisterden, de tafel, die eens zooveel smakelijke gerechten droeg,
de kostbare oude meubels, het zilver en porselein, dat niet meer
terug te krijgen was!
En met een kreet sprong hij op. Zijn vuurwiel! zijn zon! 't model
waar alles van afhing!----Had hij 't niet onder de trap gezet om
't huis aan te steken?
Kevenhüller zag voor zich uit, versteend van schrik.
"Ben ik dan krankzinnig?" zei hij. "Hoe kon ik dat toch doen!"
Op 't zelfde oogenblik ging de goed gegrendelde deur van zijn
werkplaats open en de boschvrouw trad binnen.
Ze stond op den drempel, glimlachend en stralend van schoonheid. Haar
groen kleed had vlek noch rimpel. Geen brandlucht was aan haar golvend
haar. Ze zag er uit, als toen hij haar op de markt te Karlstad in
zijn jeugd gezien had. De staart sleepte om haar voeten en zij had
al de wildheid en geuren van 't woud over zich.
"Nu staat Ekeby in brand," riep ze lachend.
Kevenhüller had den hamer opgeheven en wilde die naar haar hoofd
werpen, maar toen zag hij dat zij zijn vuurwiel in de hand had.
"Zie eens, wat ik voor je gered heb," zei ze. Kevenhüller wierp zich
voor haar op de knieën. "U hebt mijn wagen gebroken, mijn vleugels
verbrijzeld, mijn leven verwoest! Genade! Erbarming!"
Zij sprong op de schaafbank en ging daar zitten, even jong en even
schalks, als toen hij haar op de markt te Karlstad zag.
"Ik geloof, dat je weet wie ik ben," zei ze.
"Ik ken u, ik heb u altijd gekend," antwoordde de arme man. "U is het
genie! Maar laat mij nu vrij. Neem uw gave van mij weg. Neem mij mijn
wonderkracht af! Laat mij een gewoon mensch zijn! Waarom vervolgt u
mij. Waarom vernietigt u mij!"
"Dwaas," zei de boschvrouw. "Ik heb niet anders dan goed bedoeld. Ik
gaf je een groot geschenk, maar ik kan het wel terugnemen als je dat
wilt. Maar bedenk je wel! Je zult er berouw van hebben!"
"Neen, neen, neem mij mijn wonderkracht af!" barstte hij uit.
"Eerst moet je dit vernielen," zei ze en wierp het vuurwiel voor hem
op den grond.
Hij aarzelde niet. Hij zwaaide den hamer over de vuurzon, dat toch
maar een leelijk tooverding was, nu het toch niet tot nut van duizenden
dienen kon. De vonken vlogen door de kamer, scherven en vlammen dansten
om hem heen en zoo lag daar zijn laatste meesterwerk in splinters.
"Ja, nu neem ik mijn geschenk terug," zei de boschvrouw.
Toen ze heenging bleef ze in de deur staan en de weerschijn van den
brand daarbuiten was om haar heen. Hij zag haar na.
Schooner dan ooit te voren scheen zij hem toe. Niet meer boosaardig,
maar fier en streng.
"Dwaas!" zei ze. "Heb ik je ooit verboden andren je werk te
laten namaken? Wat wilde ik anders dan het genie vrij maken van
handenarbeid!"
Toen verdween zij.
Kevenhüller was een paar dagen krankzinnig. Daarna werd hij weer een
gewoon mensch.
Maar in zijn waanzin had hij Ekeby doen afbranden. Geen mensch was er
toch bij gekwetst. Maar 't was een groot verdriet voor de kavaliers,
dat het gastvrije thuis, waar ze zooveel goeds genoten hadden,
zooveel schade moest lijden in hun tijd.
Ach, kinderen van later tijd! Hadden gij of ik de boschvrouw maar
ontmoet op de markt van Karlstad! Meent ge dat ik niet door 't
bosch geloopen heb en geroepen: "Boschvrouw, boschvrouw! Hier ben ik
Kevenhüller, Kevenhüller!"
Maar wie ziet haar tegenwoordig nog? Wie klaagt er tegenwoordig over,
dat hij te veel van haar gaven ontving?