KEVENHÜLLER.

In 1770 werd in Duitschland de later zoo geleerde en beroemde

Kevenhüller geboren. Hij was de zoon van een burchtgraaf en zou

hebben kunnen wonen in een groot kasteel en rijden aan de zijde van

den keizer, als hij gewild had; maar hij had er geen lust in.

Hij zou molenwieken hebben willen vastmaken aan den hoogsten

toren van den burcht, de ridderzaal tot een smederij inrichten

en de vrouwenvertrekken tot horlogemakerswerkplaats. Hij zou het

kasteel met snorrende wielen hebben willen vullen en met bewegende

hefboomen. Maar daar dit niet aanging, zei hij al die weelde vaarwel

en werd horlogemakersleerling. Hij leerde al wat er te leeren was

van kamraderen, van veeren en slingers. Hij leerde zonnewijzers en

sterrenwijzers maken, pendules met fluitende kanarievogeltjes en

herders, die op den hoorn bliezen, klokkenspel, dat een heelen toren

vulde met zijn wonderlijke machinerie en uurwerken zóo klein, dat ze

in een medaillon gezet konden worden. Toen hij zijn getuigschrift als

meester gekregen had, nam hij den ransel op den rug, den knuppel ter

hand en ging van de eene plaats naar de andere om alles te bestudeeren,

wat door rollen en raderen bewogen werd. Kevenhüller was geen gewoon

horlogemaker, hij wilde een groot uitvinder en wereldhervormer worden.

Toen hij zooveel landen doorgezworven had, kwam hij ook naar Wermeland,

om er molenwielen en mijnmachines te bestudeeren. Op een heerlijken

zomermorgen gebeurde het, dat hij dwars over de markt te Karlstad

ging. Maar op dienzelfden tijd had de boschvrouw goedgevonden haar

wandeling tot in de stad uit te strekken. En Hare Hoogheid kwam in

eigen persoon, dwars over de markt, maar van den anderen kant, en

zoo kwam zij Kevenhüller tegen.

Dat was een ontmoeting voor een eenvoudig horlogemaker. Zij had

schitterende groene oogen en licht, golvend haar, dat bijna op den

grond hing, en zij was gekleed in groene zijde met weerschijn. Een

heidin en een heks was ze, maar ze was schooner, dan al de

christenvrouwen, die Kevenhüller ooit gezien had. Hij stond als

betooverd en zag haar aan, terwijl zij naar hem toe kwam.

Zij kwam regelrecht uit het dichtste kreupelhout in het hart van 't

bosch, waar de varens zoo hoog worden als boomen, waar de reusachtige

dennen het zonlicht buiten sluiten, zoodat slechts hier en daar een

zonnestraal als een lichtende droppel op het gele mos kan vallen,

en waar de kamperfoelie over de bemoste steenen kruipt.

Ik had wel in Kevenhüllers plaats willen zijn. Ik had haar graag

gezien, toen zij daar aankwam met varens en dennenaalden in 't ruige

haar en een kleine zwarte adder om den hals, met de veerkrachtige

stap van een wild dier, omringd van den frisschen geur van harst en

aardbeien, van kamperfoelie en mos.

Wat zullen de menschen haar toch aangekeken hebben, toen ze daar over

de markt te Karlstad liep. De paarden zullen wel verschrikt geworden

zijn door den glans van haar lang haar, dat door den morgenwind

opwoei. De straatjongens liepen haar zeker achterna. De knechts

lieten hun werktuigen vallen om haar aan te gapen. De vrouwen gilden

en stormden naar den bisschop en het domkapittel om het monster de

stad uit te doen zetten.

Zelf ging ze rustig en majestueus voort en glimlachte over al dit

alarm, zoodat Kevenhüller haar kleine roofdier-tandjes achter de

roode lippen zag glinsteren.

Zij had een mantel om den rug hangen, opdat niemand aan haar hollen

rug zou merken wie zij was; maar 't ongeluk wilde, dat ze vergeten

had haar staart te verbergen. Die sleepte haar na over de straat.

Kevenhüller zag de staart; maar het speet hem, dat hare hoogheid zoo

ten spot voor de stadbewoners zou zijn, en hij boog voor de schoone

en zeide eerbiedig: "Zou Uwe Hoogheid haar sleep niet willen opnemen."

De boschvrouw werd getroffen; niet minder door zijn vriendelijkheid,

dan door zijn hoffelijkheid. Zij bleef vlak voor hem staan en zag

hem aan, zoodat het hem was, alsof er vonken uit haar oogen in zijn

hersens sprongen.

"Let goed op, Kevenhüller," zeide zij, "van nu af aan zult ge met uw

twee handen elk kunstwerk kunnen maken wat ge wilt; maar niet meer

dan één van elke soort."

Dat zei ze, en ze kon haar woord houden. Want wie weet niet, dat de

in 't groen gekleede uit 't kreupelhout in 't bosch, macht heeft

bekwaamheid en wonderbare krachten te schenken aan hen, die haar

gunst weten te winnen!

Kevenhüller bleef in Karlstad en huurde daar een werkplaats. Hij

hamerde en werkte dag en nacht. In acht dagen had hij een wonderwerk

klaar. 't Was een wagen, die van zelf reed. Die ging den heuvel op

en af, kon gestuurd en gekeerd worden, ging snel of langzaam, stond

stil of ging voort al naar men wilde. Een prachtige wagen was het.

Nu werd Kevenhüller een beroemd man en kreeg vrienden door de heele

stad. Hij was zoo trotsch op zijn wagen, dat hij naar Stockholm reed om

hem aan den koning te laten zien. Hij hoefde nergens op nieuwe paarden

te wachten of met de knechts aan stations te kibbelen. Hij hoefde

geen sneeuwhoen op te jagen of te slapen op de bank in de herberg. Hij

reed fier in zijn eigen wagen en deed de reis in een paar uur.

Hij reed regelrecht naar het paleis. En de koning kwam met de hofdames

naar buiten en zag hem rijden. Zij konden hem niet genoeg prijzen.

Gösta Berling · 第 75 / 86 题