En de vijfde: "Tot een eeuwige schande gooi ik dit hier voor hem
neer. Ik wou dat hij verdroogde en verschrompelde als deze tak!"
"Droog voer voor den droogte-dominé," zeide de zesde.
De menschen die achter hen aankwamen, zagen wat ze deden en hoorden
wat zij zeiden. Nu kregen ze antwoord op hun vragen.
"Geef hem wat hem toekomt. Hij heeft de droogte over ons gebracht,"
riepen allen. En ieder staat stil, spreekt een woord en werpt een
takje op den hoop, eer hij verder gaat.
In den hoek waar de wegen uiteen loopen lag spoedig een hoop stokjes
en stroo--de schandeheuvel voor den predikant van Broby.
Dat was de geheele wraak van het volk. Niemand hief zijn hand op tegen
den predikant of zeide hem een boos woord. Hun harten vol wanhoop en
vertwijfeling, werden verlicht door het werpen van een dorren tak op
den heuvel. Zelf namen zij geen wraak. Zij wezen alleen den schuldige
aan voor den God der wrake.
"Als wij U niet goed gediend hebben, dan is het de schuld van dien
man. Wees barmhartig, Heer! en laat hem alleen lijden. Wij teekenen
hem met onteering en schande. Wij zijn niet één met hem."
't Werd spoedig gebruik, dat ieder, die voorbij de pastorie ging een
takje op den schandeheuvel wierp. "God en menschen mogen 't zien,"
dachten zij. "Ook ik veracht den man, die Gods toorn over ons bracht."
De oude gierigaard merkte spoedig dien heuvel daar aan den weg. Hij
liet hem wegnemen--sommigen beweerden, dat hij er zijn keukenvuur
mee stookte. Maar den volgenden dag lag er een nieuwe schandeheuvel
en zoo gauw hij dien weg ruimde kwam er een nieuwe.
Die dorre takken lagen daar en riepen: "Schande! Schande over den
predikant van Broby!"
't Waren brandend heete, droge hondsdagen. Zwaar van rook, verzadigd
van brandlucht was de lucht over de geheele streek. 't Was moeilijk
daarin adem te halen. De gedachten der menschen werden verward in
de verhitte hersens. De predikant van Broby was in hun verbeelding
tot den demon der droogte geworden. Het kwam de boeren voor, alsof
de gierigaard op wacht zat bij de hemelsche sluizen.
Spoedig werd de bedoeling van de gemeente den predikant duidelijk. Hij
begreep, dat ze hem aanwees als oorzaak van al deze ellende. In toorn
over hem liet God de aarde versmachten. 't Scheepsvolk dat in noode
verkeerde op de woeste baren had het lot geworpen. Hij was de man, die
overboord moest. Hij beproefde te lachen om hen en hun dorre takjes;
maar toen dit een week geduurd had lachte hij niet meer.--Och, wat
een kinderspel! Wat konden hem die takjes schelen! Hij begreep wel
dat jaren lang de haat een reden gezocht had om zich te uiten. Hij
was niet aan liefde gewend.
Hij werd er niet zachter door. Hij had misschien gewenscht zich te
beteren, sinds de oude Freule bij hem geweest was, maar nu kon hij
't niet. Hij wilde niet tot beterschap gedwongen worden.
Maar langzamerhand werd die schandeheuvel hem toch te machtig. Hij
moest er aanhoudend aan denken, en de overtuiging, die allen koesterden
schoot ook wortel bij hem. Dat was toch een verschrikkelijke
getuigenis, dat werpen met dorre takken! Hij lette steeds op den
heuvel, telde de takjes, die er elken dag bij kwamen, en de gedachte
daaraan breidde zich uit en verdrong alle andere gedachten. Die
schandeheuvel brak zijn kracht.
Iederen dag moest hij den menschen meer gelijk geven. Hij verviel
en werd een oud man in een paar weken. Hij had berouw en werd
ziekelijk. Het was of dat alles door dien heuvel kwam, alsof zijn
geweten gezwegen zou hebben en de lasten van den ouderdom niet gekomen
zouden zijn, als die heuvel maar niet aldoor was aangegroeid.
Eindelijk zat hij er den ganschen dag naast en hield de wacht. Maar
de menschen waren onbarmhartig: 's nachts werden er altijd nieuwe
takken bijgegooid.
Op een dag komt Gösta Berling langs den weg. De predikant van Broby zit
aan den kant, oud en vervallen. Hij zit aan de dorre takjes te plukken
en legt ze aan rijen en op hoopjes, er meê spelende als een kind.
Gösta wordt bedroefd om zijn ellendigen toestand.
"Wat doet u daar?" vraagt hij en springt snel uit zijn wagen.
"Ach, ik zit maar te plukken, ik doe eigenlijk niets."
"U moest naar huis gaan en niet hier zoo aan den stoffigen weg zitten."
"Neen. 't Is maar het beste, dat ik hier blijf zitten."
Nu gaat Gösta Berling naast hem zitten.
"'t Is niet makkelijk om predikant te zijn," zegt hij na een poosje
zwijgen.
"Hier gaat het nog al, hier zijn ten minste menschen. Daar boven is
't erger!"
Gösta weet wel, wat hij bedoelt. Hij kent die gemeenten in Wermeland
wel, waar soms niet eens een pastorie is, die groote gemeenten in
de bosschen, waar de Finnen in de rookkamers wonen, waar een mijl
in den omtrek maar enkele huizen staan; waar de predikant de eenige
ontwikkelde man is in de gemeente. De predikant van Broby had meer
dan twintig jaar in zulk een gemeente gestaan.
"Daar worden we heengezonden als we nog jong zijn," zegt Gösta. "'t
Is onmogelijk het leven daar uit te houden. En dan wordt men voor zijn
geheele toekomst bedorven. Er zijn velen in die streken ondergegaan."
"Dat zijn er," antwoordt de predikant. "De eenzaamheid verderft
de menschen."
"Je komt er," gaat Gösta voort, "vol vuur en ijver; je spreekt
en vermaant en meent, dat alles goed zal gaan en de menschen zich
verbeteren zullen."
"Ja, juist!"
"Maar al gauw merk je, dat woorden niet baten. De armoede staat een
beter leven in den weg."
"Armoede," mompelt de predikant; "armoede heeft mijn leven verwoest."
"Een jong dominé komt in zulk een plaats," gaat Gösta voort, "en
is even arm als de anderen, hij zegt tegen den dronkaard: houd op
met drinken!"
"Maar de dronkaard antwoordt," valt de predikant in, "geef me dan
wat beters dan brandewijn. Brandewijn is als een pels in den winter,
als koelte in den zomer. Brandewijn is een warme kamer en een zacht
bed. Geef mij dat en ik zal niet meer drinken."
"En dan," herneemt Gösta, "zegt de predikant tegen den dief, ge moogt
niet stelen," en tegen den booze "ge moogt uw vrouw niet slaan," en
tot den bijgeloovige: "ge moet aan God gelooven en niet aan den duivel
en de booze geesten." Maar dan antwoordt de dief: "Geef mij brood," en
de booze zegt: "maak ons rijk, dan zullen we niet meer twisten," en de
bijgeloovige: "leer mij wat beters." Maar wie kan helpen zonder geld?"
"Het is waar! al wat ge daar zegt!" barst de oude uit. "Aan God
geloofden zij; maar nog meer aan den duivel, 't meest aan den boozen
berggeest en den kabouter in de schuur. Al het graan werd in den
brandewijnketel gestopt. Niemand zag een eind aan de ellende. In
de meeste grauwe kamers heerschte nood. Verborgen smart maakte de
tongen der vrouwen bitter. De ongezelligheid dreef de mannen tot
dronkenschap. Akkers en vee verzorgden zij niet. Zij vreesden den
landheer en bespotten den predikant. Wat kon men met hen beginnen? Wat
ik hen op den preekstoel zei, begrepen zij niet. En niemand om raad
te vragen, niemand die mij hielp om moed te houden."
"Er zijn er, die het onthouden," zegt Gösta. "Gods genade is voor
sommigen zóó groot geweest, dat zij na zulk een leven niet als
gebrokenen weêrkomen. Hun krachten waren toereikend; zij hebben de
eenzaamheid, de armoede, de hopeloosheid verdragen. Zij hebben 't
beetje goed gedaan, wat ze konden en niet gewanhoopt. Zulke mannen zijn
er altijd geweest en zijn er nog. Ik zal ze begroeten als helden. Ik
wil ze eeren, zoolang ik leef. Ik zou het niet kunnen uithouden."
"Ik kon het niet," zucht de predikant.
"Zulk een predikant denkt," gaat Gösta peinzend voort, "dat hij rijk
wil worden, buitengewoon rijk! Geen arme kan het kwaad bestrijden. En
dan moet hij sparen."
"Als hij niet spaarde, zou hij gaan drinken," gaat de predikant
voort. "Hij ziet zooveel ellende."
"Of suf en lui worden en alle kracht verliezen. 't Is gevaarlijk
daarheen te komen voor hen, die er niet geboren zijn."
"Hij moet hard wezen om te sparen. Eerst stelt hij zich zoo aan--later
wordt het gewoonte."
"Hij moet hard voor zichzelf en anderen zijn," gaat Gösta
voort. "Sparen is moeilijk. Hij moet haat en verachting verdragen;
hij moet kou lijden en honger en zijn medelijden dooden; 't is bijna
alsof hij vergeet waarom hij is begonnen te sparen."
De predikant van Broby ziet hem schuin aan. Hij vraagt zich af of
Gösta hem voor den gek zit te houden. Maar Gösta is een en al ernst
en ijver. Het is alsof hij zijn eigen zaak bepleit.
"Zoo is het mij gegaan," zegt de oude zacht.
"Maar God behoedt hem," gaat Gösta verder. "Hij wekt de gedachten van
zijn jeugd bij den mensch op, die genoeg gespaard heeft. Hij geeft
den predikant een teeken als Gods volk hem noodig heeft."
"Maar als de predikant dan niet gehoorzaamt, Gösta Berling!"
"Hij kan het niet laten," zegt Gösta met een vriendelijken
glimlach. "Hem bekoort de gedachte aan de warme hutten, die hij de
armen zal helpen bouwen."
De predikant ziet neer op de kleine gebouwtjes die hij met de stokjes
van den schandeheuvel heeft zitten bouwen. Hoe langer hij met Gösta
praat, hoe meer hij overtuigd wordt, dat deze gelijk heeft. Hij
heeft altijd plan gehad om goed te doen, als hij maar eerst genoeg
had. Hij houdt de gedachte krampachtig vast. Natuurlijk is dat zijn
bedoeling geweest.
"Waarom bouwt hij dan die hutten niet," vraagt hij schuw.
"Hij is er verlegen meê. Menigeen zal denken dat hij uit menschenvrees
doet, wat hij altijd van plan is geweest."
"Hij kan geen dwang verdragen, dat is het."
"Hij kan toch in stilte helpen. Er is van 't jaar zooveel hulp
noodig. Hij kan iemand zoeken, die zijn gaven uitdeelt. O, ik begrijp
alles!" barste Gösta uit en zijn oogen straalden, "van 't jaar zullen
duizenden brood krijgen van hem, dien ze met hun vloek vervolgen."
"Zoo zal het zijn, Gösta!"
Er kwam een roes over deze twee, die zoo weinig aan de door hen
gevoelde roeping hadden beantwoord. De lust hunner jeugd: God en
menschen te dienen keerde weer in hun ziel. Zij zwelgden in de
weldaden, die zij zouden bewijzen. Gösta zou de helper van den
predikant worden.
"Allereerst moeten wij voor brood zorgen," zegt de predikant.
"Wij moeten voor onderwijzers zorgen en voor landmeters, die 't land
verdeelen. Dan zal 't volk leeren hun akker te verzorgen en hun vee
te hoeden."
"Wij zullen wegen maken en land ontginnen."
"Wij zullen sluizen bouwen bij den waterval van Berg, zoodat de weg
tusschen 't Löfven- en Weenermeer vrijkomt."
"Al de rijkdom, die 't bosch bevat, zal dubbelen zegen verspreiden,
als de weg naar de zee open is."
"Uw hoofd zal zich buigen onder aller zegenbeden!" roept Gösta uit.
De predikant ziet op. Zijn oogen ontmoeten die van Gösta en ze lezen
in elkaars blikken dezelfde gloeiende geestdrift.
Maar op 't zelfde oogenblik zien ze beiden naar den schandeheuvel.
"Gösta," zegt de oude, "voor dat alles zijn de krachten noodig van
een jong mensch en ik zal spoedig sterven. Dat daar vermoordt me."
"Ruim het weg!"
"Ach! hoe kan ik dat!"
Gösta treedt dicht op hem toe en ziet hem scherp in de oogen. "Bid
God om regen," zegt hij. "U moet aanstaanden Zondag spreken. Bid dan
God om regen!"
De oude predikant krimpt ineen van ontzetting.
"Als het u ernst is, als u niet degeen zijt, die de droogte over
't land bracht, als u den Allerhoogste hebt willen dienen door uw
hardheid, bid dan God om regen. Dat zal het teeken zijn. Daaraan
zullen wij weten of God wil wat wij willen."
Toen Gösta wegreed van den Brobyheuvel was hij verbaasd over zich
zelf en de geestdrift, die hem had meêgesleept. Maar dat kon toch
een heerlijk leven worden. Ja,--maar niet voor hem. Van zijn diensten
wou God niet weten!
In de kerk van Broby was de preek geëindigd en de gewone gebeden
gelezen. De predikant zou juist de trappen van den preekstoel
afgaan. Maar hij aarzelde. Eindelijk viel hij daarboven op de knieën
en bad om regen.
Hij bad zooals een wanhopende bidt, met weinig woorden, onzamenhangend:
"Als het mijn zonde is, die u toorn heeft gewekt, o, straf dan mij
alleen. Als Gij barmhartig zijt, o God! laat het regenen op mijn
gebed. Laat regen neerdalen op den akker der armen! Geef uw volk
brood!"
't Was heet! Een verstikkende atmospheer was in de kerk. De gemeente
had half bedwelmd neergezeten; maar bij 't hooren van deze afgebroken
geluiden van die heesche, wanhopende stem, werden allen helder wakker.
"Als er voor mij nog herstel van eer mogelijk is, Heer! geef dan
regen...." Hij zweeg.
De deuren stonden open. Daar kwam een heftige windstoot
aanbruischen. Die voer over 't veld, vloog tegen de kerk op en zond
een wolk van stof, stokjes en stroo naar binnen. De predikant kon niet
meer spreken. Hij daalde wankelend de trappen van den preekstoel af.
De menschen rilden. Moest dat een antwoord beteekenen?
Maar die windstoot was maar de voorlooper van het naderend onweer,
dat met ongekende snelheid kwam opzetten.
Toen de psalm gezongen was en de predikant bij het altaar stond, vlamde
de bliksem en barstte de donder los, alle andere geluiden overstemmend.
Toen de koster den slotpsalm speelde, tikten de eerste regendroppels
reeds tegen de groene ruiten en stormden de menschen allen naar
buiten om den regen te zien. Sommigen schreiden, andren lachten,
terwijl ze de stortregen over zich heen lieten stroomen.
Ach! hoe groot was hun nood geweest! Hoe hadden ze geleden! Maar God
is goed. God zendt zijn regen neer. Wat een uitkomst! Wat een zegen!
De predikant was de eenige, die niet naar buiten kwam om den regen
te zien. Hij lag voor het altaar geknield en stond niet weer op.
De vreugde was te groot voor hem. Hij was gestorven van blijdschap.