DE DROOGTE.

Als levenlooze dingen kunnen liefhebben, als aarde en water vrienden

van vijanden onderscheiden, dan zou ik gaarne hun liefde bezitten. Ik

zou willen dat de zwarte aarde mijne voetstappen niet als een zware

last voelde drukken, dat zij me gaarne vergaf dat ze om mijnentwil

door ploeg en eg gekwetst wordt, en dat zij zich gewillig opende om

mijn lijk te ontvangen. En ik zou willen dat het water, als ik zijn

blanken spiegel stuk sla met mijn roeiriemen, het zelfde geduld met

mij had als een moeder met een wild kind, dat op haar knie klautert

zonder de gladde zijde van haar feestkleed te ontzien.

Ik zou goede vrienden willen zijn met de heldere lucht, die boven de

bergen trilt, met de stralende zon en met de vonkelende sterren. Want

vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende

voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot

als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd

door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend

stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede,

weldoende handen. Heeft niet wellicht het water in 't wagenspoor op

den weg als bloed door kloppende harten gestroomd?

De geest van 't leven woont nog in de doode dingen. Wat voelt hij,

terwijl hij slaapt den droomloozen slaap? Gods stem hoort hij. Zou

hij der menschen stem ook vernemen?

O, gij menschen van later tijd, hebt ge dat niet gezien? Als twist en

haat de aarde vervullen, moeten ook de doode dingen veel lijden. Dan

wordt de weg wild en roofzuchtig als een roover, dan wordt de akker

karig als een gierigaard. Maar wee hem, door wiens schuld de wouden

zuchten en de bergen treuren.

't Was een merkwaardig jaar, toen de kavaliers regeerden. Mij dunkt,

toen moet de onrust der menschen de rust der doode dingen verstoord

hebben. Hoe zal ik de besmetting roemen, die zich toen over 't land

verspreidde. Zou men niet meenen dat de kavaliers de goden dier streek

waren en dat allen door hun geest bezield werden? Door den geest van

't avontuurlijke, van zorgeloosheid en verwildering.

Kon men alles vertellen, wat er in dat jaar onder de menschen op de

kust van 't Löfvenmeer gebeurde, dan zou de wereld verbaasd staan. Want

oude liefde ontwaakte, nieuwe werd geboren. Oude haat vlamde op en

lang gesuste wraak greep naar buit! Allen vlogen op in begeerte naar 's

levens lieflijkheden: dans en spel, muziek en feestgelagen jaagden zij

na. Alles wat zich anders diep in de zielen verbergt, werd openbaar.

Van Ekeby ging die besmettelijke onrust uit. Zij verspreidde zich

eerst tot de mijnen en heerehoeven en joeg de menschen in dwaasheid

en zonde. Tot zoover hebben wij het kunnen volgen, doordat de ouden

van dagen de herinnering bewaard hebben aan een en ander, wat op

de groote hoeven gebeurd is, maar hoe zij zich verder verspreidde

onder het volk, daarvan weten wij weinig. Maar niemand behoeft

er aan te twijfelen, dat de onrust der tijden van stad tot stad,

van hut tot hut ging. Waar een zonde verborgen was, barstte zij uit;

waar een breuk was tusschen man en vrouw werd die tot een klove, waar

een groote deugd of een sterke wil was werden ook die openbaar. Want

niet alles wat geschiedde, was uit den booze; maar de tijd was zoo,

dat het goede vaak evenveel verderf bracht als het booze. Het ging als

met hevige stormen diep in 't bosch, als de eene op den andere valt,

den eene spar den anderen meesleept en ook het kreupelhout meegerukt

wordt door de neerstortende reuzen.

Ach, twijfel er niet aan of die gisting ook gevoeld werd door de

boeren en de bedienden. Overal verwilderden de harten en werden de

hoofden verward. Nooit ging de dans zóó lustig bij de kruiswegen;

nooit was de afstand tusschen booze woorden en messteken zóó kort.

Maar bij de menschen bleef de onrust niet. Zij verspreidde zich over

al wat leeft. Nooit hadden wolf en beer erger huisgehouden, nooit

hadden vos en uil onheilspellender gehuild, en onbeschaamder geroofd,

nooit verdwaalden de schapen vaker in 't bosch, nooit heerschte er

zooveel ziekte onder den kostbaren veestapel.

Hij, die den samenhang der dingen wil zien, moet uit de stad weggaan

en in een eenzame hut aan den zoom van 't bosch gaan wonen. Hij moet

vele nachten waken bij de kolenbranderij, of bij de groote meren dagen

en nachten doorbrengen in de lichte zomermaanden, als de houtvlotten

langzaam voortdrijven naar het Weenermeer; dan zal hij leeren op alle

teekenen in de natuur acht te geven en begrijpen hoe de doode dingen

in verband staan met de levende. Hij zal zien dat als er onrust op

de aarde is, de vrede van de doode dingen verstoord wordt.

Het volk weet dat wel. In zulke tijden dooft de booze boschnimf het

vuur in de kolenbranderij, slaat de meermin de booten stuk, zendt de

stroomgeest ziekten uit en laat de kabouter de koeien verhongeren. En

zoo ging het dit jaar. Nooit had de overstrooming in de lente zóóveel

schade aangericht. De molen en smidse van Ekeby waren haar eenige

offers niet.

Kleine beekjes, die vroeger als de lente haar krachten gaf, hoogstens

een leege schuur konden meenemen, vielen nu geheele hoeven aan

en spoelden ze weg. Nooit had men gehoord, dat de donder al vóór

St. Jansdag zóóveel schade had aangericht. Na dien tijd hoorde men

hem niet meer.

Toen kwam de droogte!

Zoolang de lichte nachten duurden, kwam er geen regen. Alleen

zonnestralen daalden op de aarde neer. Ach, die heerlijke

zonneschijn! de leven brengende, hoe zal ik van haar kwaadstichten

vertellen! De zonneschijn is als de liefde. Wie weet niet hoeveel

ellende zij brengt--en wie kan laten haar te vergeven? De zonneschijn

is als Gösta Berling--zij brengt ieder vreugde; daarom zwijgt ieder

over 't kwaad dat zij doet.

Zulk een droogte na St. Jansdag zal wel niet overal zooveel onheil

brengen als in Wermeland. Maar hier was de lente laat gekomen. 't

Gras was nog niet ver en werd niet lang. De rogge werd niet voedzaam

toen zij aren zette; 't lentekoren waarvan toen ter tijde 't meeste

brood gebakken werd, had dunne aartjes op stengels, die nog geen

kwart el hoog waren; de laat gezaaide rapen groeiden niet en zelfs

de aardappelen tierden niet in den steenharden grond.

In zulke jaren worden zij angstig, die daar in de boschhutten wonen

en van de bergen daalt de schrik neer tot de rustige vlaktebewoners.

Er is iemand wien Gods hand zoekt--zeggen de menschen.

En ieder slaat zich voor de borst en vraagt: "Ben ik het? O moeder

natuur, ben ik het? Houdt om mijn schuld de regen zich ver? Is

het uit toorn tegen mij, dat de strenge aarde uitdroogt en hard

wordt? En stroomt die eindelooze zonneschijn daarom iederen dag van

den wolkeloozen hemel om gloeiende kolen op mijn hoofd te stapelen? En

als ik het niet ben, wien zoekt Gods hand dan?

Terwijl nu de rogge kwijnt in de kleine aren, terwijl de aardappel

geen voedsel in den grond vindt, terwijl het vee met roode oogen

en snuivend van de hitte zich om de opgedroogde bronnen verdringt,

terwijl de angst voor de toekomst de harten dichtsnoert, gaan er

wonderlijke geruchten door de streek.

"Zulk een bezoeking komt niet zonder reden," zeggen de menschen. "Wie

is het, dien Gods hand zoekt?"

't Was een Zondag in Augustus. De Godsdienstoefening was geëindigd. De

menschen gingen in groepjes over den heeten zonnigen weg. In het

rond zagen zij verschroeide wouden en een mislukten oogst. De rogge

stond in kleine schoofjes, dun over 't veld verspreid. Zij die de

stoppels zouden afbranden, hadden dit jaar een gemakkelijk werk; maar

daarentegen was het droge bosch ook vaak in brand geraakt. En wat de

boschbrand gespaard had, hadden de insekten genomen. 't Dennenbosch had

zijn naalden laten vallen en stond kaal als loofboomen in den winter,

de berkenbladen hingen gespleten neer, met kale nerven en misvormd.

De sombere schare had geen gebrek aan stof tot gesprek. Daar was nog

menigeen, die vertellen kon hoe vreeslijk de noodjaren van 1808 en

1809 geweest was en in den strengen winter van 1812, toen de menschen

doodvroren. Hongersnood was hun niet vreemd. Zij hadden zijn woest

gezicht wel eerder gezien. Zij wisten hoe men brood van boombast bakt

en dat men de koeien kan wennen mos te eten.

Er was een vrouw die proeven genomen had met het bakken van een nieuw

soort brood van boschbessen en gerstenmeel. Zij had er stukjes van

meegebracht en liet het de andere proeven. Zij was trotsch op haar

uitvinding. Maar hen allen drukte dezelfde vraag; die staarde uit aller

oogen en zweefde op aller lippen: "Wie is het, dien Gods hand zoekt?"

"Gestrenge God! wie heeft u het offer van gebeden en goede werken

onthouden, dat gij ons, armen, het brood ontneemt?"

Een man uit den somberen stoet, die westwaarts over de brug over de

Sond en over den Brobyheuvel gegaan was, hield een oogenblik stil

voor den weg, die naar het huis van den gierigen predikant van Broby

leidde. Hij nam een droog stokje van 't veld en wierp dat op den weg

naar de pastorie.

"Zoo droog als dit stokje zijn de gebeden geweest, die hij tot den

Heer opzond," zei de man.

Hij, die naast hem liep, bleef ook staan. Hij nam een dorren tak op

en gooide die bij het stokje.

"Dat is een best offer voor dien dominé," zei hij.

De derde in 't groepje volgde dit voorbeeld.

"Als de droogte is hij voor ons geweest. Stokjes en strootjes was

alles wat hij ons overliet."

Gösta Berling · 第 66 / 86 题