Beerencreutz antwoordde: "Wij zijn hier met uw man."

Ze duwden kapitein Lennart naar voren en ze zag hem aankomen,

zwaaiend, dronken, met een misdadigersgezicht. En achter hem een

schare beschonken, zwaaiende mannen.

Ze deed een stap achteruit. Hij kwam dichterbij met open armen. "Je

ging heen als een dief," barstte ze uit, "en je komt terug als een

vagebond." En toen wilde ze naar binnen gaan.

Hij begreep haar niet, hij wilde haar volgen maar ze stootte hem terug.

"Meen je dat ik iemand als jij als heer over mijn huis en mijn kinders

wil aannemen?"

De deur vloog toe en de grendel werd er van binnen

voorgeschoven. Kapitein Lennart vloog op de deur toe en rukte aan

de knop.

Toen konden de kavaliers het lachen niet laten. Hij was zoo zeker

van zijn vrouw geweest en nu wilde ze niets van hem weten. Dat was

komiek--vonden ze.

Toen kapitein Lennart hoorde, dat ze lachten, stoof hij op hen af

en wilde hen slaan. Zij liepen weg en sprongen in de wagens. Hij

vloog ze na, maar in zijn boosheid struikelde hij over een steen

en viel. Hij stond op; maar vervolgde ze niet verder. Een gedachte

had hem getroffen. In deze wereld geschiedde er niets buiten Gods

wil. Neen, niets!

"Waarheen wilt Gij mij leiden?" vroeg hij. "Ik ben als een veer

door Uw adem meegevoerd. Ik ben Uw speelbal. Waarheen wilt Gij mij

leiden? Waarom sluit Gij de deur van mijn huis voor me?"

En hij ging heen van zijn huis. Hij geloofde dat het Gods wil was.

Toen de zon opging, stond hij op den Brobyheuvel en zag neer in het

dal. Ach, toen wisten de arme dalbewoners niet, dat hun redder nabij

was. Geen behoeftige of bedroefde had groene kransen gevlochten en

die aan de deur van zijn hut gehangen. Geen geurende lavendelbladen

of veldbloemen sierden den drempel, die hij betreden zou. De moeders

namen hun kinderen niet op den arm, opdat zij hem zouden zien komen. De

hutten waren niet opgeruimd en groen gemaakt ter eere van hem. De

mannen werkten niet rusteloos op den akker om zijn hart te verheugen

met goed bebouwde velden en goed gegraven slooten.

Ach, van de hoogte waarop hij stond, zag zijn bekommerd oog, hoe de

droogte de geheele streek had geteisterd, hoe 't graan verschroeid

was, en hoe 't volk zich niet meer inspande om den grond te bereiden

voor den zaaitijd. Hij zag naar de blauwe bergen op en de heldere

morgenzon verlichtte de bruine, verzengde plekken waar de boschbrand

gewoed had. Hij zag naar de bergen aan den kant van den weg. Zij waren

bijna dood door de droogte. Hij merkte 't aan allerlei kleinigheden,

aan omgevallen hekken aan 't weinige brandhout, dat gehakt en naar

huis gereden was, dat de menschen niet meer op hun zaken pasten; dat de

nood voor de deur stond en zij hun troost zochten in onverschilligheid

en brandewijn.

Maar misschien was het goed voor hem, dat hij alles zag. Want het

was niet voor hem weggelegd het zaad te zien ontkiemen en opkomen

op zijn eigen akker; het was niet voor hem weggelegd aan zijn eigen

haard te zitten en er de gloeiende kolen te zien dooven, of de zachte

handen van zijn kinderen in de zijnen te voelen of een liefhebbende

vrouw aan zijn zijde te hebben. Misschien was het goed voor hem,

wiens ziel door diepe smart werd gedrukt, dat er andren waren, die

hij in hun armoede kon vertroosten. Misschien was het goed voor hem

dat deze tijd zulk een droevige tijd was, waarin de karigheid der

natuur gebrek over de armen bracht en waar velen die 't beter hadden,

deden wat ze konden om 't volk te gronde te richten.

Want 't was niet voor niet, dat de predikant van Broby als een

begeerige vrek rondging onder zijn gemeenteleden in plaats van hun

een goede herder te zijn.

't Was niet voor niet, dat de kavaliers regeerden in dronkenschap en

overdaad, niet voor niet, dat Sintram hen had doen gelooven, dat dood

en verderf hen allen treffen zou.

Kapitein Lennart stond daar op den Brobyheuvel en meende, dat God

hem misschien wel gebruiken kon. En zijn vrouw riep hem ook niet

berouwvol terug.

't Moet gezegd worden, dat de kavaliers later volstrekt niet begrepen,

hoeveel schuld zij hadden aan de hardheid van de vrouw van den

kapitein. Sintram zei niets. Menigeen sprak afkeurend over de vrouw,

die te trotsch geweest was zulk een goeden man weer te ontvangen. Zij

kon niet verdragen, dat men zijn naam noemde. Kapitein Lennart deed

niets om haar tot andere gedachten te brengen.

't Was een dag later.

Een oude boer in Högberg lag op zijn sterfbed, hij had het sakrament

der stervenden ontvangen en zijn levenskracht was verbruikt. Hij moest

sterven. Rusteloos als iemand, die op 't punt staat eene lange reis

te maken, liet hij zijn bed van de keuken in de kamer, van de kamer in

de keuken brengen. Daaraan kan men merken, meer nog dan aan zijn zwaar

ademhalen en half gebroken oogen, dat zijn laatste ure gekomen is.

Om hem heen staan zijn vrouw, zijn kinderen en dienstboden. Hij is

gelukkig, rijk en geacht geweest. Zijn sterfbed is niet eenzaam. Hij is

in zijn laatste oogenblikken niet door ongeduldige vreemden omgeven. De

oude man spreekt over zich zelf, alsof hij voor Gods aangezicht stond

en onder zuchten en met veel woorden bevestigen de omstanders, wat

hij zegt.

"Ik ben een vlijtig arbeider en eene goede huisheer geweest," zegt

hij. "Ik heb mijn vrouw liefgehad als mijn rechterhand. Ik heb mijn

kindren niet zonder zorg en tucht op laten groeien. Ik heb niet

gedronken, ik heb de grenssteenen op den akker niet verzet. Ik heb

de paarden, die den heuvel opgingen, niet voortgezweept. Ik heb de

koeien in den winter geen honger laten lijden; ik heb de schapen niet

in den zomer met hun wol laten loopen."

En om hem heen herhalen de bedienden schreiend, als een echo: "hij

was een goed huisheer. Ach God, onze Heer. Hij heeft het paard,

dat den heuvel opging, niet voortgezweept; hij heeft de koeien geen

honger laten lijden in den winter."

Zonder dat iemand het merkte, is een arm man de deur ingekomen om

wat eten te vragen. Ook hij hoort de woorden van den stervende,

en blijft zwijgend aan de deur staan.

En de zieke begint weer: "Ik heb bosschen omgehakt, velden drooggelegd;

ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd. Ik heb de schuur driemaal

vergroot, zoodat er driemaal meer koren in kon, dan in den tijd van

mijn voorvaderen; ik heb drie zilveren bekers laten maken van blanke

rijksdaalders en mijn vader liet er maar één maken."

De woorden van den stervende dringen door tot hem, die daar staat en

luistert. Hij hoort hem van zichzelf getuigen alsof hij voor Gods troon

staat. Hij hoort de dienstboden en de kinderen bevestigend herhalen:

"hij stuurde de ploeg in rechte voren, ja dat deed hij."

"God zal mij wel een goede plaats in den hemel geven;" zegt de oude.

"De Heer zal den boer wel in den hemel opnemen," zeggen de dienstboden.

De man aan de deur hoort die woorden en ontzetting grijpt hem aan; hem,

die vijf lange jaren Gods speelbal geweest is, een veer die door Zijn

adem wordt voortgedreven. Hij gaat naar den zieke toe en vat zijn hand.

"Ach vriend," zegt hij, en zijn stem beeft van ontroering. "Hebt

ge bedacht, wie de Heer is voor wiens aangezicht ge spoedig zult

verschijnen? Hij is groot, Hij is geweldig. De wereld is Zijn akker,

de storm Zijn dienaar. De hemel trilt onder den tred Zijner voeten. En

gij stelt u tegenover Hem en zegt: "ik heb de ploeg in rechte voren

gestuurd, ik heb rogge gezaaid, ik heb bosschen omgehakt." Wilt ge

u zelven prijzen tegenover Hem en u met Hem meten? Weet ge dan niet

hoe machtig de Heer is, naar wiens rijk gij gaan zult?"

De oude spert de oogen open; zijn gelaat wordt van angst vertrokken

en zijn adem gaat nog zwaarder.

"Stel u niet voor het aangezicht van uw God met groote woorden,"

gaat de zwerver voort. "De machtigen der aarde zijn als kaf in Zijn

schuur. Zijn dagwerk is zonnen te scheppen. Hij heeft de zee gegraven

en de bergen omhoog doen stijgen; Hij heeft de aarde met groen

bekleed. Hij is een arbeider zonder weerga, gij kunt u met Hem niet

meten. Buig u voor Hem, arme menschenziel! werp u in het stof voor

den Heer, uw God. Gods storm vaart over u heen. Gods toorn zal over

u komen als een verteerend vuur. Buig u neer. Grijp als een kind een

slip van Zijn kleed en bid om Zijn bescherming. Kniel in het stof en

smeek om Zijn genade. Verootmoedig u voor uw Schepper, o menschenziel."

De oogen van den zieke staan wijd open. Hij vouwt de handen; maar

zijn gezicht heldert op en 't zware ademhalen houdt op.

"Menschenziel, arme menschenziel," barst de vreemdeling uit. "Zoo

waarachtig als gij nu in uw laatste ure u in ootmoed voor uw God

gebogen hebt, zoo waarachtig zal Hij u als een kind in de armen nemen

en u doen ingaan in de heerlijkheid van den Hemel."

De oude man geeft den laatsten snik en alles is voorbij. Kapitein

Lennart buigt het hoofd en bidt. Allen in de kamer bidden onder

zuchten en tranen.

En als zij opzien, ligt de oude boer daar stil en vredig. Zijn oog

schijnt nog te stralen van den weerschijn der heerlijke visioenen,

zijn mond glimlacht,--zijn aangezicht is schoon. Hij heeft God gezien.

"O gij groote, schoone menschenziel," denken zij die hem zien; "zoo

hebt ge dan de boeien van 't stof verbroken. In uw laatste uren hieft

ge u op tot uw Schepper. Ge hebt u voor Hem verootmoedigd en Hij nam

u als een kind in de armen."

"Hij heeft God gezien," zegt de zoon en drukt den doode de oogen dicht.

"Hij zag den hemel open," snikten de kinderen en de bedienden.

De oude huismoeder legt haar bevende hand in die van kapitein Lennart

en zegt: "de kapitein hielp hem door 't ergste heen."

Hij staat verstomd. De gave van 't machtige woord,--van de sterke daad

is hem gegeven, hij weet niet hoe! Hij trilt als een vlinder op den

rand van 't pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn

vleugels zich in den zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf.

Dat oogenblik was het, dat kapitein Lennart deed uitgaan onder het

volk. Anders was hij zeker wel naar huis gegaan en had aan zijn vrouw

zijn eigen gezicht laten zien, maar van dat oogenblik geloofde hij, dat

God hem gebruiken kon. Toen werd hij Gods gezant; die den armen hulp

kon brengen. De nood was groot in dien tijd en er was veel ellende,

waar verstand en goedheid beter in zouden helpen dan goud en macht.

Kapitein Lennart kwam op een dag bij de arme boeren, die in den

omtrek van Gurlita Klätt woonden. Groot was hun nood, zij hadden geen

aardappelen meer, en zij konden geen rogge op de afgebrande velden

zaaien, want zij hadden geen koren.

Toen nam kapitein Lennart een bootje en roeide dwars over 't

meer naar Fors en vroeg Sintram om rogge en aardappelen voor de

arme boeren. Sintram ontving hem vriendelijk; hij nam hem mee naar

de groote welvoorziene korenzolders en naar de kelders, waar nog

aardappelen lagen van den oogst van verleden jaar en hij liet hem alle

zakken en zakjes vullen, die hij meegebracht had. Maar toen Sintram

't kleine bootje zag, waarin Lennart gekomen was, vond hij die te

klein voor zulk een zwaren last. De booze man liet de zakken in een

van zijn groote booten dragen en liet zijn knecht, de sterke Mons,

ze over 't water roeien. Kapitein Lennart had niet anders dan zijn

leeg bootje te besturen.

Maar sterke Mons kwam hem toch vooruit, hij was een meester in het

roeien en buitengewoon sterk. Kapitein Lennart zit te droomen, terwijl

hij over 't prachtige meer roeit; hij denkt aan 't wonderlijke lot van

de kleine zaadjes. Nu zullen ze op de zwarte aarde geworpen worden, die

vol asch is, midden tusschen steenen en boomstronken, maar zij zullen

toch wel groeien en wortel schieten in 't woeste veld. Hij denkt aan

de zachte, lichtgroene sprietjes, die de aarde zullen bedekken en hij

buigt zich in gedachten neer en streelt ze liefkozend met de hand. En

dan denkt hij er aan hoe de herfst en de winter zal heengaan over

die zwakke stumpertjes, die zoo laat nog opkwamen uit de warme aarde,

en hoe ze toch frisch en moedig zullen zijn, als het voorjaar komt,

en in ernst aan 't groeien zullen gaan. En dan verheugt zich zijn oud

soldatenhart bij de gedachte aan de stijve halmen; die zoo rank en

recht zullen staan met de spitse aar aan de punt. De stampers zullen

wuiven met hun veerbosjes, 't stof der meeldraden zal opstuiven tot aan

de toppen der boomen en zoo zullen de aren gevuld worden met zachte,

zoete korrels. En later, als de zeis komt en de halmen vallen en als de

dorschvlegel bulderend over hen heen gaat, als de molenaar de korrels

tot meel maalt en 't meel tot brood gebakken is, hoeveler honger zal

dan door 't koren in die boot daar vóór hem niet gestild worden.

De knecht van Sintram legde aan bij de landingsplaats der

Gurlita-boeren en veel hongerige menschen kwamen op de boot af. Toen

zei de knecht, zooals zijn heer hem bevolen had:

"De grondeigenaar zendt jelui mout en koren. Hij heeft gehoord,

dat je gebrek hebt aan brandewijn."

Toen werden de menschen als waanzinnigen; ze vlogen naar de boot

en sprongen in 't water om zakken machtig te worden. Maar dàt was

waarlijk de bedoeling van kapitein Lennart niet geweest. Hij was nu

ook aan land gekomen en werd boos toen hij de boeren zoo opgewonden

zag. Hij wilde de aardappels voor voeding en de rogge voor zaad laten

gebruiken. Hij zou er nooit over denken om mout te vragen. Hij riep ze

toe, dat ze de zakken moesten laten liggen; maar zij luisterden niet.

"'k Wou, dat de rogge tot zand in je mond werd en de aardappelen

in steenen veranderden," riep hij toen, want hij was ten hoogste

verbitterd, door dat ze 't koren wegrukten.

Op 't zelfde oogenblik leek het, alsof kapitein Lennart een wonder had

verricht. Twee vrouwen, die om een zak vochten, trokken er een gat in

en er liep zand uit. De knechten, die de aardappelenzakken droegen,

merkten dat ze zoo zwaar waren, alsof er steenen in zaten.

't Was alles zand en steenen, anders niet. In stille ontzetting stond

het volk den man Gods aan te zien, die tot hen was gekomen. Kapitein

Lennart stond een oogenblik stom van verbazing. Maar sterke Mons

lachte.

"Roei naar huis, man," zei kapitein Lennart, "eer de boeren begrijpen,

dat er nooit anders dan zand in de zakken geweest is, anders ben ik

bang dat ze een gat in je boot boren."

"Ik ben zoo bang niet," zei de knecht.

"Roei nu toch naar huis," zei kapitein Lennart zóó bevelend, dat

de man gehoorzaamde. Toen vertelde kapitein Lennart aan de boeren,

dat Sintram hem bedrogen had, maar wat hij ook zei, zij wilden niet

anders gelooven dan dat er een wonder gebeurd was. Het gerucht hiervan

verspreidde zich snel en daar de onontwikkelden van al wat wonderlijk

is, houden, werd het een algemeen volksgeloof, dat kapitein Lennart

wonderen kon doen. Daardoor kreeg hij veel macht over de boeren en

zij noemden hem Gods gezant.

Gösta Berling · 第 58 / 86 题