Kapitein Lennart, Gods gezant, kwam op een namiddag in Augustus in
de herberg te Broby en ging in de keuken. Hij was toen op weg naar
zijn huis "Helgesaeter," dat een kwart mijl ten noorden van Bro ligt,
dicht bij den zoom van 't woud.
Kapitein Lennart wist toen nog niet, dat hij een van Gods gezanten zou
worden op aarde. Zijn hart was tot overloopens toe vol van vreugd,
omdat hij zijn tehuis weer zou zien. Hij had veel geleden, maar nu
kwam hij weer thuis en alles zou weer goed worden. Hij wist niet,
dat hij een van hen zou worden, die niet onder een eigen dak mochten
rusten of zich bij een eigen haard koesteren.
Kapitein Lennart was recht in zijn schik. Toen hij niemand in de
keuken aantrof, hield hij er huis als een wilde jongen. Een, twee,
drie verzette hij 't weefgetouw en bracht het spinnewiel in de war,
hij smeet de kat op den kop van den hond en lachte, dat het door 't
huis klonk, toen de twee kameraden in den oogenblikkelijken schrik de
oude vriendschap braken en op elkaar aanvlogen met gekromde klauwen,
nijdige oogen en de haren te berge.
Toen kwam de herbergierster op al dat gedruisch aan. Zij bleef op
den drempel staan en keek naar den man, die om de vechtende dieren
stond te lachen. Ze kende hem wel; maar toen ze hem 't laatst zag,
zat hij op de gevangenkar met de handboeien aan.
Ze wist het nog best. Voor vijf en een half jaar geleden had een
dief op de winterkermis te Karlstad de sieraden van de vrouw van den
Gouverneur gestolen. Veel ringen, armbanden en gespen, waar de rijke
dame grooten prijs op stelde--want 't meeste had ze geërfd of present
gekregen--waren toen verloren gegaan. Ze werden nooit gevonden, maar
't gerucht liep spoedig door 't heele land, dat kapitein Lennart op
Helgesaeter de dief wezen moest.
De boerin had nooit kunnen begrijpen waar zulk een gerucht vandaan
gekomen was.
Was kapitein Lennart dan niet een goed en eerlijk man? Hij leefde
gelukkig met zijn vrouw, waarmeê hij eerst een paar jaar geleden
getrouwd was, want hij had pas laat een vrouw kunnen onderhouden. Had
hij nu niet een goed inkomen door zijn tractement en zijn landgoed? En
nog wonderlijker vond zij het, dat kapitein Lennart zijn ontslag
kreeg, zijn ridderorde moest teruggeven en tot vijf jaar dwangarbeid
veroordeeld werd.
Hij zelf had gezegd, dat hij op de markt was geweest en van daar
was weggereden, eer hij iets van den diefstal gehoord had. Op den
straatweg had hij een leelijke oude gesp gevonden, die hij mee naar
huis genomen had en aan zijn kinderen gegeven. Maar die gesp behoorde
tot de gestolen zaken en dat werd zijn ongeluk. Maar eigenlijk was
het alles Sintrams schuld geweest. De booze grondeigenaar had voor
aanklager gespeeld en bij het getuigenverhoor de verklaring afgelegd,
die hem had doen vallen. 't Scheen dat het noodig voor hem was,
kapitein Lennart uit den weg te werken, want kort daarna werd er tegen
hemzelf een proces gevoerd, omdat men ontdekt had, dat hij kruit aan
de Moren had verkocht in den oorlog van 1814. De menschen meenden,
dat hij bang was voor de verklaring, die kapitein Lennart tegen hem
had moeten afleggen. Nu werd hij vrijgesproken, bij gebrek aan bewijs.
De herbergierster kon dien man niet genoeg aanzien. Zijn haar was grijs
geworden en zijn rug gebogen. Hij had 't zeker niet best gehad. Maar
zijn vriendelijk gezicht en zijn goed humeur had hij nog. Hij was
nog dezelfde kapitein Lennart, die haar naar het altaar gebracht had,
toen zij de bruid was [2] en die bij haar bruiloft gedanst had. Hij
bleef zeker nog op den weg staan praten met ieder, die hij tegenkwam,
en hij wierp zeker nog elk kind een geldstuk toe. Hij zou nog tegen
elk gerimpeld oudje zeggen, dat ze met den dag jonger en mooier werd
en hij zou nog best eens op een ton kunnen gaan zitten en op de viool
spelen voor hen, die om den Meistang wilden dansen. Och hemel, ja!
"Nu, moeder Karen!" begon hij, "durf je me niet aan te zien?"
Hij was daar eigenlijk binnen gegaan om te hooren, hoe het bij hem
thuis was, en of zij hem daar verwachtten. Zij konden immers wel
nagaan, dat hij zoowat tegen dezen tijd zijn straf had uitgediend.
De herbergierster vertelde hem niets dan goed nieuws. Zijn vrouw was
zoo flink geweest als een man. Zij had een hoeve gepacht en alles
was goed gegaan onder haar bestuur. De kinderen waren gezond, het
was een lust ze te zien. En natuurlijk verwachtten ze hem. De vrouw
van den kapitein was een strenge vrouw, die nooit sprak over wat
ze dacht. Maar dit wist de herbergierster, dat niemand met kapitein
Lennarts lepel had mogen eten of in zijn stoel zitten, terwijl hij
weg was. Nu in 't voorjaar was er geen dag voorbijgegaan, dat zij
niet naar den steen op den top van den Brobyheuvel gegaan was en
den weg langs gekeken had of hij niet komen zou. En nieuwe kleeren
had zij voor hem gereed, thuisgeweven kleeren, waarvan zij zelf 't
grootste deel gemaakt had. Zie, aan dat alles kon men wel merken,
dat hij gewacht werd, al zeide ze ook niets.
"Ze gelooven het dus niet?" vroeg kapitein Lennart.
"Neen, kapitein," antwoordde de boerin: "niemand gelooft het!"
Toen bleef kapitein Lennart niet langer in de kamer, hij wilde
naar huis.
Buiten trof hij toevallig goede oude vrienden aan. De kavaliers
van Ekeby waren juist in de herberg aangekomen. Sintram had ze daar
uitgenoodigd om zijn verjaardag te vieren. En de kavaliers bedachten
zich geen oogenblik; maar drukten den dwangarbeider de hand en heetten
hem welkom thuis. Dat deed Sintram ook.
"Lieve Lennart," zei hij, "wees er maar zeker van, dat onze lieve
Heer hier een bedoeling meê heeft gehad."
"Jou schurk!" riep kapitein Lennart. "Meen je dat ik niet weet,
dat het "onze lieve Heer" niet was, die jou van het schavot redde?"
De anderen lachten. Maar Sintram werd heelemaal niet boos. Hij had
er niets tegen, dat er toespelingen werden gemaakt op zijn verbond
met den Booze.
Ja, toen namen zij kapitein Lennart weer mee naar binnen om hem een
welkom toe te drinken. Daarna mocht hij dadelijk verder gaan. Maar
't liep slecht met hem af. Hij had zulke verraderlijke dingen in vijf
jaar niet gedronken. Hij had misschien den heelen dag niet gegeten
en was uitgeput door zijn lange wandeling. En daarom werd hij al
wonderlijk in 't hoofd door een paar glazen.
Toen de kavaliers hem zoover gekregen hadden, dat hij niet recht
meer wist wat hij deed, gaven ze hem 't eene glas na het andere. Zij
meenden er niets kwaads mee. 't Was pure vriendelijkheid. Hij had
immers in geen vijf jaar wat lekkers gehad.
Anders was hij de matigste man, die men zich kan voorstellen. En
men kan ook wel begrijpen, dat hij niet van plan was zich dronken
te drinken, hij zou immers naar huis gaan,--naar vrouw en kinderen,
maar nu bleef hij liggen op de bank in de herberg en viel in slaap.
En toen hij daar nu lag zonder bewustzijn, nam Gösta een stuk
houtskool en wat bessensap en grimeerde hem. Hij gaf hem een echt
misdadigersgezicht; dat paste goed bij hem, meende hij, omdat hij uit
de gevangenis kwam. Hij gaf hem een "blauw oog," een rood lidteeken
over den neus, streek zijn haar over 't voorhoofd in verwarde vlokken
en smeerde zijn heele gezicht met roet in.
Zij lachten er een poosje om, en toen wilde Gösta 't weer afwasschen.
"Neen, laat 't zitten," zei Sintram, "dan kan hij 't zien als hij
wakker wordt. Hij zal er pleizier in hebben."
En zoo bleef het zooals 't was. En de kavaliers dachten niet meer aan
den kapitein. 't Feest duurde den heelen nacht. Tegen den morgen braken
ze op. Toen was er ongetwijfeld meer wijn dan verstand in hun hersens.
Nu was het de vraag, wat zij met Lennart zouden doen.
"Wij zullen hem thuis brengen," zei Sintram. "Wat zal zijn vrouw
blij zijn. 't Zal heerlijk wezen haar vreugde te zien. Ik word al
aangedaan als ik er aan denk. Laten we hem naar huis brengen."
Zij werden allen geroerd door die gedachte. Lieve hemel, wat zal ze
blij zijn, die strenge vrouw op Helgesaeter!
Zij schudden kapitein Lennart half wakker, en zetten hem in een van de
rijtuigen, die de slaperige staljongens al lang geleden hadden doen
voorkomen. En toen trok de heele schaar naar Helgesaeter. Sommigen
sliepen half en vielen bijna uit den wagen, andren zongen om wakker
te blijven. Zij leken veel op een bende vagebonden met hun wezenlooze,
gezwollen gezichten.
Zij kwamen toch tot Helgesaeter. Ze lieten paarden en wagens achter
op de plaats en trokken met zekere plechtigheid op naar het huis.
Beerencreutz en Julius hadden kapitein Lennart tusschen zich in.
"Word nu wakker, Lennart," zeiden ze tot hem.
"Je bent nu thuis. Zie je dan niet, dat je thuis bent?"
Hij deed de oogen open en werd bijna nuchter. Hij werd aangedaan,
omdat ze hem thuis brachten.
"Mijn vrienden," zeide hij en bleef staan om ze allen te gelijk toe
te spreken. "Ik heb God gevraagd waarom ik zóó veel heb moeten lijden."
"Och, houd toch je mond, Lennart, schei uit met je gepreek," schreeuwde
Beerencreutz.
"Laat hem doorgaan," riep Sintram, "hij spreekt goed."
"Ik heb Hem dat gevraagd. Ik begreep het niet. Maar nu begrijp ik
het. Hij wilde mij toonen wat voor goede vrienden ik had. Vrienden,
die mij naar huis wilden brengen om de vreugde van mij en mijn vrouw
te zien. Want mijn vrouw wacht mij. Wat zijn vijf ellendige jaren,
daarbij vergeleken!"
En nu bonsden hun vuisten op de deur. De kavaliers hadden geen geduld
om meer te hooren.
Binnen kwam beweging. De dienstmeisjes werden wakker en zagen naar
buiten. Zij trokken haastig wat kleeren aan, maar ze durfden niet
open doen voor al die mannen. Eindelijk werd de grendel van de deur
gedaan en de vrouw des huizes trad zelf naar buiten.
"Wat beteekent dit?" vroeg ze.