'T HUIS VAN LILJECRONA.
Er was onder de kavaliers een, die ik dikwijls een groot musicus
genoemd heb. Hij was een groot, zwaargebouwd man, met een groot hoofd
en zwart ruig haar. Hij was toen zeker niet veel ouder dan veertig
jaar, maar had een grof gezicht en iets kalms. Dat maakte, dat men hem
voor ouder aanzag dan hij was. Hij was een goed man, maar droefgeestig.
Op een namiddag nam hij zijn viool onder den arm en ging weg van
Ekeby. Hij nam van niemand afscheid, maar toch was hij niet van plan
ooit weerom te komen. Hij walgde van 't leven daar, van 't oogenblik
af, dat hij gravin Elisabeth in haar ongeluk gezien had. Hij liep door
zonder te rusten dien avond en den heelen nacht, tot hij 's morgens
vroeg tegen zonsopgang aan een kleine hoeve kwam: Löfdala genoemd,
die hem toebehoorde.
't Was zoo vroeg, dat er nog niemand op was. Liljecrona ging
zitten op de groene wipplank voor 't hoofdgebouw en keek naar zijn
bezittingen. Lieve hemel, er was toch geen mooier plekje op de
wereld. 't Grasveld voor 't huis lag op een zachte helling en was
met fijn lichtgroen gras bedekt.
Er was geen tweede grasveld zoo mooi als dit. De schapen mochten er op
grazen, en de kindren er op spelen met hun speelgoed, 't bleef altijd
even groen en frisch. 't Werd nooit gemaaid, maar minstens eens in de
week liet de huismoeder alle stokjes en strookjes en verdorde bladen
wegvegen uit het frissche gras.
Hij keek naar de paden voor 't huis en trok plotseling zijn voeten
terug. De kinderen hadden er den vorigen avond mooie patroontjes
in geharkt en zijn groote voeten hadden 't kunstwerk al niet weinig
beschadigd.
Wat groeide toch alles hier. De zes vogelbessenboomen, die de plaats
als 't ware bewaakten, waren zoo hoog als beuken en zoo breed van
kroon als eiken. Zulke boomen waren zeker nergens te vinden. Prachtig
waren ze met hun dikke stammen, met geel mos begroeid en met groote
witte bloemtrossen, die uit het donkere loof staken. Hij moest aan
den hemel met zijn sterren denken.--'t Was toch wonderlijk zooals
de boomen daar op de plaats groeiden. Daar stond een oude wilg,
zóó dik, dat twee man hem niet omspannen konden. Nu was hij hol en
gespleten en de bliksem had hem den top afgeslagen, maar hij wilde
niet doodgaan. Ieder voorjaar schoot een bos frissche takken uit den
geknakten hoofdstam, om te toonen, dat hij leefde. De lijsterbes aan
den oostelijken gevel was zoo groot geworden, dat hij 't heele huis
overschaduwde; 't heele dak was wit van de afgevallen bloem-bladen,
want de boom was al uitgebloeid. En de berken, die in kleine groepen
hier en daar op 't veld stonden, zij waren op zijn hoeve in hun
paradijs. Zij groeiden daar op zooveel verschillende manieren, alsof
ze afgesproken hadden andre boomen na te apen. De een leek op een
linde, dicht van loof, met een groote kroon, een ander stond rank,
als een pyramide, gevormd als een populier, en een ander weer liet
zijn takken hangen als een treurwilg. Er waren er geen twee gelijk;
maar prachtig waren ze allemaal.
Toen stond hij op en liep om het huis. Daar lag de tuin, zoo wonderlijk
mooi, dat hij onwillekeurig bleef staan en diep ademhaalde.
De appelboomen bloeiden. Dat wist hij immers wel. Dat had hij immers
op alle hoeven gezien, 't was alleen maar, dat ze nergens zóó bloeiden
als hier in dezen tuin, waar hij ze al had zien bloeien van toen hij
nog klein was, af.
Hij liep met gevouwen handen en heel voorzichtig de paden op
en neer. De aarde was wit en de boomen waren wit, hier en daar
met een tintje bleek rood. Zoo iets heerlijks had hij nog nooit
gezien! Hij kende iederen boom, zooals men zijn broers en zusters
en schoolkameraden kent. De astrakan-appelboom was heelemaal wit,
dat was ook een winterappel. Maar de bloesems van de zomerappels
waren bleek-rood en die van de paradijsappels heelemaal rood.
't Allermooist was de oude wilde appelboom, die niet geënt was, waarvan
de kleine, wrange appels niet te eten waren. Die was niet zuinig op
zijn bloesems. Hij leek wel een groote sneeuwberg in de morgenzon.
Denk er om, 't was morgen en heel vroeg!
De dauw deed alle bladen glinsteren, al 't stof was weggespoeld. Over
de met bosschen bekleede bergen, waar de hoeve dicht bij lag, kwamen
de eerste zonnestralen aansluipen. 't Leek wel alsof ze de dennetoppen
in brand gestoken hadden. Over de frissche klavervelden, over rogge
en gerstvelden en over den jongen haver lagen de fijnste nevels als
doorzichtige sluiers en de schaduwen waren nog scherp geteekend--als
bij maneschijn.
Hij stond stil en keek naar de groote groentebedden tusschen de
paden. Hij wist, dat de huismoeder en de meisjes daaraan gewerkt
hadden. Ze hadden gegraven, geharkt, gemest en gewied en den grond
bewerkt tot die fijn en licht werd. Toen ze 't bed glad gemaakt en de
kanten scherp afgezet hadden, hebben ze touwtjes en stokjes genomen
en 't in strepen en vierkanten verdeeld. Toen hebben ze de paden
vastgetrapt en gezaaid en geplant tot alle strepen en vierkanten vol
waren. En de kinderen hebben meêgedaan en waren een en al ijver en
pret, hoewel 't een zwaar werk voor hen was, gebogen te staan en de
armen over de breede bedden te rekken. En ongelooflijk goed hebben
ze geholpen, dat kan ieder wel begrijpen.
Nu begonnen de plantjes op te komen!
Wat stonden ze daar allerliefst, de erwten en boonen met hun twee
dikke zaadlobben en hoe mooi gelijk kwamen de worteltjes en raapjes
op. 't Alleraardigste waren de kleine gekroesde peterselieblaadjes,
die de aarde boven zich ophieven, alsof ze nog verstoppertjes met
het leven speelden.
En hier was een klein bedje, waar de strepen niet heel gelijk op waren
en waar de kleine vierkantjes er uit zagen als een staalkaart van alles
wat er geplant en gezaaid kon worden. Dat was de tuin van de kinderen.
Liljecrona zette vlug de viool aan de kin en begon te spelen. De
vogels begonnen te zingen in 't hooge kreupelhout, dat den tuin voor
den noordenwind beschutte. 't Was niet mogelijk te zwijgen voor al
wie een stem had, zoo heerlijk was de morgen. De strijkstok bewoog
zich van zelf.
Liljecrona ging op en neer in de paden en speelde. "Neen," dacht hij,
"mooier dan hier is 't nergens. Wat is Ekeby met Löfdala vergeleken?"
Zijn huis is met graszoden gedekt en maar éen verdieping hoog. 't
Lag aan den zoom van 't woud, met den berg achter zich en 't lange
dal voor zich. Er was niets bijzonders aan te zien. Er was geen meer,
geen waterval, geen strand en geen park, maar het was toch mooi! 't
Was mooi omdat het een goed, vreedzaam thuis was. Daar was 't leven
licht. Alles wat elders bitterheid en haat gebaard zou hebben, werd
daar met zachtheid verholpen. Zoo moest het zijn in een tehuis.
Binnen in 't huis ligt de huismoeder te slapen in een kamer, die op den
tuin uitziet. Ze wordt plotseling wakker en luistert, maar ze beweegt
zich niet. De muziek komt al dichter en dichter bij en eindelijk
is het, alsof de speelman onder haar venster blijft staan. 't Is
niet de eerste keer, dat ze die viool onder haar venster hoort. Zóó
pleegt haar man te komen, als ze op Ekeby een ongewoon wilden streek
hebben uitgehaald.
Hij staat daar en biecht en vraagt om vergeving. Hij vertelt haar van
de duistere machten, die hem weglokken van wat hij 't liefste heeft:
van haar en de kinderen. Want hij heeft hen lief. Waarachtig! Hij
heeft hen lief.
Terwijl hij spreekt, staat ze op en kleedt zich aan, zonder eigenlijk
te weten, wat ze doet. Ze is geheel verdiept in zijn spel.
"'t Zijn geen weelde, geen uitspattingen, die me weglokken,"
speelt hij. "Geen liefde voor andere vrouwen, geen eer, maar de
bekoorlijke veelzijdigheid van 't leven. Ik moet er al de schoonheid,
de bitterheid, den rijkdom van voelen om mij heen. Maar nu heb er
genoeg van, ik ben moe en verzadigd. Ik wil mijn huis niet meer
verlaten. Vergeef me, heb geduld met me."
Dan trekt ze 't gordijn op zij en hij ziet haar mooi, goed gezicht.
Ze is goed en ze is verstandig. Haar oogen brengen, als de zon, zegen
over alles wat ze bestralen. Zij bestuurt en bewaakt het huis. Waar zij
is, moet alles groeien en gedijen. Zij draagt het geluk met zich meê.
Hij springt op de vensterbank bij haar en is gelukkig als een
bruidegom.
En hij licht haar op in zijn armen en zet haar in den tuin onder de
appelboomen. Daar zegt hij haar hoe mooi alles is en wijst haar de
groentebedden en de tuin van de kinderen en de aardige, vroolijke
peterselieblaadjes.
Als de kinderen wakker worden is er groote verrukking en luid gejubel,
omdat vader gekomen is. Ze leggen beslag op hem. Hij moet al het
nieuwe en merkwaardige zien, 't kleine molentje, dat ze aan de beek
gemaakt hebben, 't vogelnestje in den wilgenboom en de kleine karpers
in den vijver, die bij duizenden in den waterspiegel zwemmen.
En dan maken vader, moeder en alle kinderen een lange wandeling over
de velden.
Hij moet zien, hoe dik de rogge staat, hoe de klaver groeit en hoe
de aardappelen hun gekrulde bladen beginnen op te steken uit de aarde.
Hij moet de koeien zien, als ze thuis komen van 't veld, de jonggeboren
kalfjes en lammetjes begroeten, naar eieren zoeken en alle paarden
suiker geven.
De kinderen hangen den heelen dag aan zijn arm. Geen lessen, geen werk,
maar alleen met vader rondzwerven.
En 's avonds speelt hij polka's voor hen en den heelen dag is hij
zulk een vriend en speelkameraad voor hen, dat ze in slaap vallen
met het smeekend verzoek of vader nu altijd bij hen blijven wil.
Hij blijft ook acht heele dagen en is al dien tijd gelukkig als een
kind. Hij is verliefd op alles thuis, op vrouw en kinderen en denkt
niet aan Ekeby.
Maar dan komt er een morgen, dat hij weer weg is. Hij kon het niet
langer dragen, het was te veel geluk voor hem.
Ekeby was duizendmaal minder; maar Ekeby lag midden in den stroom der
groote gebeurtenissen. Och! wat was daar veel om over te droomen en te
musiceeren. Hoe kon men toch leven zonder de heldendaden der kavaliers
en het lange Löfvenmeer, waar de wilde jacht van het avontuurlijke
om heen bruischte.
Op zijn hoeve ging alles den ouden rustigen gang. Alles groeide
en gedijde onder de zorg van de vriendelijke huismoeder. Allen
daar op de hoeve waren stil gelukkig. Alles wat op andere plaatsen
tweedracht en bitterheid gebaard zou hebben, ging daar zonder klacht
of verdriet. Alles was zooals 't behoorde. Als nu de heer des huizes
verlangde als kavalier op Ekeby te leven, wat zou dat? Helpt het wat
er over te klagen, dat de zon 's avonds in 't westen ondergaat en de
aarde in duisternis achterlaat?
Wie is onbedwingbaar zonder onderwerping! Wie is zeker van overwinning
zonder geduld!