HET IJZER VAN EKEBY.

Het was voorjaar, en het ijzer van alle ijzermijnen van Wermeland

moest naar Götaborg gezonden worden.

Maar op Ekeby had men geen ijzer om te verzenden. In 't najaar was er

gebrek aan water geweest; in 't voorjaar hadden de kavaliers geregeerd.

In dien tijd schuimde het sterke bier langs de breede grauwe steenen

trappen van den Björksjöwaterval, en het lange Löfvenmeer was niet

meer met water, maar met brandewijn gevuld. In hun tijd werd er geen

ijzer in den oven gelegd; maar de smeden stonden met schootsvel en op

klompen voor het vuur, en draaiden onmetelijke stukken gebraad om aan

't lange spit, en de smidsjongens hielden met lange tangen gelardeerde

kapoenen boven 't vuur. In die dagen ging er dans over de heuvels;

men sliep op de schaafbank en speelde kaart aan het aanbeeld.

In die dagen werd geen ijzer gesmeed.

Maar het voorjaar kwam, en op de kantoren van de groothandelaars te

Götaborg begon men op het ijzer van Ekeby te wachten. Men haalde de

contracten voor den dag, die met den Majoor en de Majoorske gesloten

waren en daarin stonden leveranties van vele honderden ponden genoemd.

Maar wat gaven de kavaliers om de contracten van de Majoorske! Zij

onderhielden de vreugde en 't vioolspel en de feesten. Zij zorgden

er voor, dat de dans over de heuvelen ging.

Er kwam ijzer van Stömne, er kwam ijzer van Sölje. Van Kymsberg werd

ijzer aangevoerd over de heide naar 't Weenermeer.

Van Uddeholm kwam ijzer en van Munkefors en van alle hoeven. Maar

waar blijft het ijzer van Ekeby?

Is Ekeby niet meer de grootste ijzermijn van Wermeland? Waakt niemand

voor de eer van het oude goed?

Dat is aan onverschillige kavaliers overgelaten, die den dans laten

gaan over de heuvelen. Voor wat anders kunnen hun armzalige hersens

zorgen?

Maar waterval en beek, schuiten en pramen, havens en sluizen

verwonderen zich en vragen: "Komt het ijzer van Ekeby niet?"

En er wordt gefluisterd en gevraagd in berg en dal, in bosch en meer:

"Komt het ijzer van Ekeby niet? Komt er nooit meer ijzer van Ekeby?"

En diep in de bosschen lacht de kolenbranderij, en het is alsof de

koppen van de groote hamers in de donkere smidse honend grijnzen;

de groeven doen hun groote muilen open en schateren; de lessenaars

op de kantoren van de groothandelaars, waarin de contracten met de

Majoorske liggen, schudden van 't lachen.

"Heb je ooit zoo iets geks gehoord? Ze hebben geen ijzer op Ekeby! O,

in de beste mijn van heel Wermeland hebben ze geen ijzer!"

Op, zorgeloozen! op, zwervers! Hoe kun jullie 't verdragen, dat zulk

een schande over Ekeby komt?

Zoo waarachtig je dat mooiste plaatsje op Gods groene aarde lief

hebt, zoo waarachtig dat het doel is, waarnaar je verlangen uitgaat

in den vreemde, zoo waarachtig je het niet noemen kunt onder vreemden

zonder tranen in de oogen te krijgen, staat op kavaliers, en redt de

eer van Ekeby!

Nu, al hebben de hamers van Ekeby gerust, dan hebben ze toch wel

gewerkt in de zes andere mijnen. Er moet genoeg ijzer zijn, meer

dan genoeg!

En Gösta Berling gaat op reis, om met de opzichters van de zes andere

mijnen te spreken. Op Lögfors, dat dicht bij de Björksjöbeek even boven

Ekeby lag, vond hij 't niet noodig te vragen. Dat lag al te dicht bij

Ekeby en was geheel onder het beheer van de kavaliers geweest. Maar hij

reed een paar mijl naar 't Noorden, naar Lötafors. Daar was 't mooi,

dat was zeker! 't Boven-Löfvenmeer breidde er zich voor uit, en vlak

er achter lag de Gurlita Klätt met zijn steilen top en zijn wild,

romantisch aanzien, dat zoo goed bij een ouden berg past. Maar de

smidse, die is niet in orde. Het drijfwerk is kapot en is 't geheele

jaar kapot geweest.

"Maar waarom is 't niet gemaakt?"

"De timmerman, beste vriend, de timmerman, de eenige in den omtrek,

die het maken kan, was op andere plaatsen in beslag genomen."

"Maar waarom heb je hem geen boodschap gestuurd?"

"Een boodschap! Alsof we niet den eenen bode na den anderen gezonden

hebben! Elken dag! Maar hij kon immers niet komen! Hij had het te

druk met het bouwen van kegelbanen en prieeltjes op Ekeby!"

Toen werd het plotseling Gösta Berling duidelijk hoe 't hem op deze

reis gaan zou.

Hij trekt verder naar 't Noorden, naar Björnide. IJzer! Is er

ijzer? Neen, natuurlijk niet! Zij hadden immers geen kolen gehad,

en van Ekeby hadden ze geen geld voor de kolenbranders gekregen, noch

mannen om de kolen te halen. 't Werk had den heelen winter stilgestaan.

Dan gaat Gösta naar 't Zuiden. Hij komt bij Hän aan den oostelijken

oever van 't Löfvenmeer, en bij Löfstafors, diep in 't bosch, en bij

Elgfors--maar 't gaat hem daar niet beter. Nergens hebben ze ijzer,

en overal schijnt het, dat het de schuld van de kavaliers is, dat er

niets is.

Dan gaat Gösta terug naar Ekeby. En de kavaliers zien met sombere

gezichten naar de vijftig pond die in 't magazijn liggen, en ze

buigen de hoofden van smart en schaamte, want zij hooren hoe heel

de natuur honend om Ekeby lacht, en het komt hen voor, als beefde

de aarde van snikken, als dreigden de boomen hen met booze gebaren,

als klaagden gras en kruid--omdat het gedaan is met de eer van Ekeby.

Maar waarom toch al dat gepraat en al die verwondering? Daar is het

ijzer van Ekeby immers!

Daar is het, op pramen geladen aan den oever van den Klarelv, klaar

om de beek afgevoerd te worden, klaar om gewogen te worden op de

ijzerwaag te Karlstad, klaar om op een Weener schuit naar Götaborg

gebracht te worden. Dus de eer van Ekeby is gered.

Maar hoe is dat mogelijk? Op Ekeby was immers niet meer dan vijftig

pond ijzer; op de zes andere plaatsen was immers niets? Hoe is 't nu

mogelijk, dat volgeladen pramen nu een ongehoorde menigte ijzer naar

de waag te Karlstad kunnen brengen?

Ja, dat moet ge de kavaliers vragen.

De kavaliers zijn zelf aan boord van de zware, leelijke vaartuigen. Zij

zijn van plan zelf het ijzer van Ekeby naar Götaborg te brengen. Geen

gewone veerman mag meegaan. De kavaliers zijn zelf gekomen met

flesschen en proviandkorven, met waldhoorn en viool, met geweren en

vischsnoeren en kaarten. Zij willen alles voor hun dierbaar ijzer doen,

en 't niet verlaten, eer het aan de kade te Götaborg gelost is. Ze

willen zelf lossen en laden, op het zeil en het roer passen. Zij zijn

juist de rechten om dat goed te doen. Is er wel een zandbank in de

Klarelv of een rif in 't Weenermeer, dat zij niet kennen? Vat hun hand

niet even zeker het roer of de talie als den strijkstok of den teugel?

Geen van de kavaliers is thuis gebleven. Oom Eberhard heeft zijn

schrijflessenaar verlaten, neef Christoffel kwam uit den hoek bij de

kachel. Zelfs de stille Löwenborg ging mee. Niemand houdt zich terug,

als het de eer van Ekeby geldt.

Maar het is niet goed voor Löwenborg den Klarelv te zien. Hij heeft

hem in zeven-en-dertig jaar niet gezien, en al dien tijd is hij niet

meer in een boot geweest. Hij haat de glinsterende oppervlakte van

het meer en de grijze beken. Hij denkt aan al te droevige dingen,

als hij op het water komt, en daarom doet hij het liever niet. Maar

vandaag kon hij niet tehuis blijven. Hij moest ook mee de eer van

Ekeby te redden. Voor zeven-en-dertig jaar heeft hij zijn bruid in

den Klarelv zien verdrinken, en sinds dien tijd is zijn arm hoofd

vaak verward geweest.

En terwijl hij daar staat en naar de beek ziet, beginnen zijn oude

hersens meer en meer beneveld te worden. Die grauwe beek, die daar

wegspoelt met zooveel kleine, blinkende golfjes, is een groote slang

met zilveren schubben, die op roof loert. De hooge, gele zandmuren aan

weerskanten zijn de wanden van een val. Op den bodem ligt de slang,

en de breede landweg, die door den wand heen breekt en door mul zand

naar 't veer loopt, waar naast de pramen vastliggen, is de ingang

naar dat vreeselijk hol des doods.

En de kleine, oude man staat met zijn blauwe oogjes te staren. Zijn

lange, witte haren fladderen in den wind, en zijn wangen, gewoonlijk

zachtrood, zijn doodsbleek van angst. Hij weet zoo zeker, of iemand

't hem gezegd heeft, dat er spoedig langs dien weg iemand komen zal

en zich in den muil van de loerende slang werpen.

Nu zijn de kavaliers gereed van wal te steken. Zij grijpen de lange

stangen, om de pramen midden in den stroom te steken; maar daar roept

Löwenborg, plotseling: "Houd op, om Godswil! Houd op!"

Zij weten wel, dat hij weer verward wordt, omdat hij de praam onder

zich voelt bewegen, maar onwillekeurig heffen zij de stangen nog niet

op. En hij, die ziet, dat de beek op roof loert en dat er noodzakelijk

een moet komen, om zich in haar muil te werpen, wijst waarschuwend

naar den weg, alsof hij iemand komen ziet.

Dit weten wij allen, dat 't leven vaak zulke toevalligheden meebrengt,

als wat er nu volgen zal. Hij, die daar nog verbaasd over wezen kan,

mag zich er over verwonderen, dat de kavaliers met hun pramen juist

aan het meer bij Klarelv moesten liggen op den morgen na den nacht,

toen Gravin Elisabeth haar tocht naar 't Oosten begon. Maar het zou

nog veel wonderlijker geweest zijn, als de jonge vrouw geen hulp in

haar nood had gevonden. Het trof nu zoo, dat zij, die den heelen

nacht geloopen had, langs den weg kwam, die naar het veer leidde,

juist toen de kavaliers van land wilden stooten. En zij bleven staan

en zagen naar haar, terwijl zij met den veerman sprak en hij zijn boot

losmaakte. Zij was gekleed als een boerenmeisje en zij vermoedden niet

wie zij was. Maar zij keken haar toch aan, omdat zij er zoo bekend

uitzag. Terwijl zij nu met den veerman stond te praten, werd er een

stofwolk zichtbaar op den weg, en uit die stofwolk kwam een groote gele

calèche te voorschijn. Zij begreep dadelijk, dat die van Borg kwam,

dat zij haar zochten, en dat zij nu ontdekt zou worden. Zij kon er

niet aan denken in de boot van den veerman weg te komen, en de eenige

schuilplaats, die zij zag, waren de pramen van de kavaliers. Zij vloog

er heen, zonder te zien wie er aan boord was. En 't was goed dat ze

't niet zag, want anders had zij zich liever onder de hoeven van de

paarden geworpen, dan tot hen haar toevlucht te nemen.

Toen ze aan boord was, riep ze alleen: "Verberg mij, verberg mij!" En

toen struikelde zij en viel op het ijzer. Maar de kavaliers spraken

haar moed in. Zij stootten snel van land, zoodat de pramen in den

stroom kwamen en naar Karlstad dreven, juist toen de calèche bij den

veerman kwam.

In den wagen zaten gravin Märta en graaf Henrik. De graaf liep op den

veerman toe om hem te vragen of hij de gravin gezien had. Maar daar

hij een beetje verlegen was, omdat hij naar zijn weggeloopen vrouw

moest vragen, zei hij alleen:

"Er is iets weggeraakt."

"Zoo?" antwoordde de veerman.

"Er is iets weggeraakt. Ik vraag of je iets gezien hebt."

"Waar vraagt u naar?"

"Dat doet er niet toe; maar er is iets weggeraakt. Ik vraag of je

iets over de beek hebt gezet vandaag."

Maar op die manier kwam hij niets te weten, en gravin Märta moest zelf

met den veerman spreken. Een minuut later wist zij, dat zij, die zij

zochten aan boord van een van die langzaam voortglijdende pramen was.

"Wat zijn dat voor menschen op die pramen?"

"Och, dat zijn immers de kavaliers, zooals wij ze noemen."

"O zoo!" zegt de gravin. "Ja, dan is je vrouw goed bewaard, Henrik. Dan

kunnen we even goed dadelijk weer naar huis gaan."

Maar op de pramen heerscht nu juist niet zulk een groote vreugde

als gravin Märta meende. Zoolang de gele calèche in 't gezicht was,

zat de verschrikte jonge vrouw in elkaar gedoken op de lading, zonder

zich te verroeren of een woord te spreken. Zij staarde maar voor zich

heen in 't water.

't Is zeer waarschijnlijk, dat zij de kavaliers pas herkende, toen

zij de gele calèche had zien verdwijnen. Zij vloog op. 't Was alsof

ze opnieuw vluchten wilde; maar zij werd door de naastbijstaanden

teruggehouden en zonk toen zacht jammerend weer neer op de lading.

En de kavaliers durfden niet tegen haar te spreken of haar iets te

vragen. Zij zag er uit alsof zij aan den rand van den waanzin stond.

De hoofden der zorgeloozen begonnen gebukt te gaan onder hun

verantwoordelijkheid.

Dat ijzer alleen was al een zware last voor hun ongeoefende schouders,

en nu moesten ze bovendien nog op een jonge adellijke dame passen,

die van haar man gevlucht was.

Als ze die jonge vrouw op de winterfeesten ontmoet hadden, was 't

dezen of genen onder hen gebeurd, dat hij aan een klein zusje dacht

dat hij eens heel lief gehad had. Als hij met haar gespeeld had en zijn

kracht gemeten, dan had hij haar voorzichtig moeten aanpakken; als hij

met haar sprak, was hij gewoon op zichzelf te passen en geen leelijke

woorden te gebruiken. Als een vreemde jongen onder 't spelen ruw tegen

haar geweest was of leelijke liedjes voor haar gezongen had, dan had

hij zich op dien jongen geworpen met grenzenlooze verbittering en hem

half dood geslagen; want zijn zusje moest nooit iets leelijks hooren

of verdriet hebben of kennis maken met slechtheid en onvriendelijkheid.

Gravin Elisabeth was de vroolijke zuster van alle kavaliers

geweest. Als zij haar handje in hun harde vuisten gelegd had, was het

geweest alsof ze gezegd had: "Voel hoe zwak ik ben; maar u is mijn

groote broer; u zult mij beschermen tegen anderen, tegen u zelf." En

zij waren hoffelijke ridders geweest, zoolang zij haar gezien hadden.

Nu zagen de kavaliers haar ontzet aan en herkenden haar nauwlijks. Zij

was vervallen en vermagerd. Haar hals had zijn ronding verloren,

haar gezichtje was doorschijnend. Zij had zich zeker gestooten op haar

nachtelijke wandeling; want nu en dan siepelde er een bloeddroppel uit

een wondje aan haar slaap, en haar licht krullend haar, dat over het

voorhoofd hing, was aan elkaar gekleefd door bloed. Haar kleed was vuil

na de lange wandeling op wegen, vochtig van dauw en haar schoenen zagen

er treurig uit. De kavaliers hadden 't gevoel alsof zij een vreemde

was. Die gravin Elisabeth, die ze gekend hadden, had niet zulke wilde,

brandende oogen. Hun arm zusje was bijna tot waanzin gebracht. Het was

alsof een ziel, uit een andere wereld neergedaald, met de werkelijke

ziel streed om de heerschappij in dit gepijnigde lichaam.

Maar zij behoeven zich niet te bekommeren over de vraag, wat zij met

haar moeten doen.

De oude gedachten worden bij haar wakker.

Daar is de verzoeking immers weer. God wil haar opnieuw beproeven. Zie,

nu is zij onder vrienden. Is zij nu voornemens den weg der boete

te verlaten?

Zij staat op en roept, dat ze weg moet.

De kavaliers beproeven de gravin te kalmeeren. Zij zeggen haar, dat

ze gerust kan zijn. Zij zullen haar voor alle vervolging beschutten.

Zij smeekt in de kleine boot te mogen gaan, die zij achter de praam aan

sleepen, aan land te mogen roeien en haar tocht alleen voort te zetten.

Maar zij kunnen haar immers niet laten gaan. Wat moet er van haar

worden? Het is beter, dat ze bij hen blijft. Wel zijn ze maar arme,

oude lieden, maar zij zullen er wel wat op vinden haar te helpen.

Dan wringt ze de handen en smeekt hen haar te laten gaan. Maar zij

kunnen dat verzoek niet inwilligen. Ze zien, dat ze zoo zwak en

ellendig is, dat ze op den weg sterven zal.

Gösta Berling staat een eind van hen af en staart neer in 't

water. Misschien wil die jonge vrouw hem liefst niet zien. Hij

weet het niet, maar zijn gedachten spelevaren en juichen. "Nu weet

niemand, waar ze is," denkt hij; "nu kunnen wij haar mee naar Ekeby

nemen. Wij houden haar daar verborgen, wij kavaliers! en wij zullen

goed voor haar zijn. Zij zal onze Koningin, onze heerscheres zijn,

maar niemand zal weten, dat ze daar is. Wij zullen haar zoo goed

bewaken, zóó goed! Misschien kan ze gelukkig bij ons worden: al de

ouden zullen haar met liefderijke zorg, als een dochter behandelen.

Hij heeft zich nooit durven afvragen of hij haar liefheeft. Hij

kan haar niet tot de zijne maken zonder zonde, en hij wil haar niet

neerhalen tot iets laags of slechts; dat was alles, wat hij wist! Maar

haar op Ekeby te verbergen en goed voor haar te zijn, nu anderen

slecht voor haar geweest zijn, haar al het goede te laten genieten wat

't leven maar geven kan, och, wat een droom, wat een zalige droom!

Maar hij wordt daaruit gewekt, want de jonge gravin is wanhopend,

en haar woorden hebben den snijdenden klank der vertwijfeling. Zij

ligt op de knieën tusschen de kavaliers en smeekt weg te mogen gaan.

"God heeft mij nog niet vergeven," roept zij; "laat mij gaan!"

Gösta ziet, dat geen van de anderen in staat is haar te

gehoorzamen. Hij ziet in, dat hij het doen moet. Hij, die haar

liefheeft, hij moet het doen.

Het was zwaar voor hem naar haar toe te gaan. 't Was of ieder lid

van zijn lichaam er zich tegen verzette. Hij sleept zich naar haar

voort en zegt, dat hij haar aan land wil zetten.

Zij staat dadelijk op. Hij draagt haar in de boot en roeit met haar

naar den oostelijken oever. Hij legt aan bij een klein plankje en

helpt haar uit de boot.

"Wat zal er nu van u worden, mevrouw de gravin?" zegt hij.

Zij heft ernstig den vinger omhoog en wijst naar den hemel.

"Als u ooit in nood komt...."

Hij kan niet spreken; zijn stem begeeft hem, maar zij begrijpt hem

en antwoordt:

"Ik zal u bericht zenden, als ik u noodig heb."

"Ik zou u zoo graag voor alle kwaad bewaren," zegt hij.

Zij reikt hem de hand ten afscheid, en hij is niet in staat iets meer

te zeggen. Haar hand ligt koud en slap in de zijne.

Zij heeft geen oor voor iets anders dan voor de inwendige stemmen,

die haar dwingen onder vreemden te gaan. Zij weet nauwlijks, dat het

juist de man is, dien ze liefheeft, dien ze nu verlaat.

En zoo laat hij haar gaan en roeit naar de kavaliers terug.

Toen hij weer op de praam terugkwam, beefde hij van vermoeidheid,

en zag er afgemat en zwak uit. Het was hem alsof hij 't zwaarste

werk in zijn leven verricht had. Nog een paar dagen hield hij moed,

tot de eer van Ekeby gered was. Hij bracht het ijzer naar de waag

te Karlstad. Maar toen was het voor langen tijd uit met zijn kracht

en levensmoed.

De kavaliers merkten niets aan hem zoolang zij aan boord waren. Hij

hield elke zenuw gespannen, om vroolijk en zorgeloos te schijnen;

want door vroolijkheid en zorgeloosheid moest de eer van Ekeby worden

gered. Hoe zou dit gewaagde spel gelukken, als zij begonnen waren

met bekommerde gezichten en bedrukte harten?

Als het nu waar is, wat het gerucht zegt, dat de kavaliers meer zand

dan ijzer in de pramen hadden; als het waar is, dat ze onophoudelijk

dezelfde stangen heen en weer naar de waag te Karlstad droegen, tot

al de vele honderden ponden waren afgewogen--als het waar is, dat dit

alles gebeuren kon, omdat de weger en zijn ondergeschikten zoo goed

getracteerd werden uit de flesschen en de manden met proviand, die

de kavaliers van Ekeby hadden meegenomen, dan kan men wel begrijpen,

dat zij vroolijk moesten zijn op de ijzerpramen.

Wie kan dat nu weten? Maar als het zoo was, is het zeker, dat Gösta

Berling geen tijd had om te treuren.

Gösta voelde niets van de vreugde van 't avontuur en 't gevaar. Zoo

vaak hij durfde, zonk hij ineen van vertwijfeling.

"Ekeby! Land, dat ik liefheb," sprak hij dan in zichzelf, "dat uw

eer strale over de wereld!"

Zoo spoedig de kavaliers de quitantie van den weger hadden gekregen,

laadden zij hun ijzer op een Weener schuit. Gewoonlijk werd dit door

schippers gedaan, die ook het ijzer naar Götaborg vervoerden. De

eigenaars van de mijnen in Wermeland bekommerden zich in den regel

niet verder om hun ijzer, als ze de quitantie van den weger hadden.

Maar de kavaliers wilden niets ten halve doen. Zij wilden hun ijzer

zelf naar Götaborg brengen. Op weg trof hen een ongeluk. Er brak in

den nacht een storm los; de schuit dreef af door den wind en de golven,

stootte op een klip en zonk met heel zijn kostbare lading. De waldhoorn

en 't kaartspel en de volle wijnflesschen zonken mee. Maar als men er

goed over dacht, deed het er niet zooveel toe, dat het ijzer verloren

ging. De eer van Ekeby was toch gered. Het ijzer was gewogen op de

waag te Karlstad. En al moest nu de Majoor aan de groothandelaars

te Götaborg schrijven, dat, nu zij hun ijzer niet gekregen hadden,

hij ook hun geld niet hebben wou, dit deed er eigenlijk ook niet toe,

want Ekeby was zoo rijk, en de eer van 't goed was toch gered!

Maar als nu havens en sluizen, slooten en kolenbranderijen, schuiten

en pramen wonderlijke dingen beginnen te fluisteren? Als er nu een dof

gesuis door de bosschen gaat dat de heele vaart bedriegerij was? Als

men nu in heel Wermeland beweert, dat er nooit meer dan die ellendige

vijftig pond op de pramen geweest is, en dat de schipbreuk met opzet

veroorzaakt is? Dan is er een slimme streek uitgevoerd, een echte

kavalierstreek! Dat schaadt de eer van het oude goed niet.

Maar het is nu zoo lang geleden. 't Kan immers best zijn, dat de

kavaliers op andere plaatsen ijzer gekocht hebben, of dat ze iets in

een of ander pakhuis gevonden hebben, waar ze eerst niet van wisten. In

zulke dingen komt men nooit achter de waarheid. De weger wilde er

tenminste niet van hooren dat bedrog mogelijk geweest was. En hij zou

't toch wel weten.

Toen de kavaliers thuis kwamen, hoorden ze groot nieuws. 't Huwelijk

van graaf Dohna zou ontbonden worden. De graaf had zijn hofmeester

naar Italië gezonden, om bewijzen te halen, dat het huwelijk onwettig

was. Hij kwam in den zomer met voldoende inlichtingen terug. Waarin

die nu eigenlijk bestonden, weet ik zoo precies niet meer. Men

moet voorzichtig zijn met die oude verhalen. Ze zijn als half

verdorde rozen; de bladen vallen licht uit, als men ze te stevig

aanpakt. De menschen zeggen, dat het huwelijk in Italië niet door

een werkelijken priester is gesloten. Ik weet er ook niet meer van,

dan dat de rechtbank te Bro het huwelijk van Graaf Dohna en Elisabeth

van Thurn verklaarde nooit een wettig huwelijk te zijn geweest.

Maar daar wist de jonge vrouw toch niets van. Zij leefde onder de

boeren, ver van daar. Als zij ten minste nog leefde.

Gösta Berling · 第 44 / 86 题