Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De
menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord:
"Brand! brand!"
Maar de kavaliers slapen.
De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers
slapen.
Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen
een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen.
Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen
van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van
vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht.
Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om
hen te wekken.
Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en
gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep
als dooden.
Die gezegende slaap zal hen redden.
't Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar
steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen;
gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker
achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt,
neer te vellen.
Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met
hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een
beer in zijn hol? 't Volk brult: "Brand! brand!" keer op keer; maar
niets helpt.
Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat
de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de
slaapkamer open en roept naar binnen:
"Brand! Brand!"
Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan 't
schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen
onmiddellijk de twaalf mannen 't bed uit, zien den vuurgloed, trekken
haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op.
Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke
molenaarsjongens,--en een groote schande komt over de kavaliers. Want
wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en
voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of
slee gelegd.
Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche
overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh,
de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke,
de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske
overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers.
't Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in
de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige
blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde
uitbarstingen van onmachtige woede.
De Majoorske gaat van den een naar den ander.
"Je moet zweren," zegt ze, "dat je nooit meer naar Ekeby terug
zult komen."
"Och loop, oude tooverheks!"
"Je moet zweren," zegt zij, "anders gooi ik je in den kavaliersvleugel,
gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand
ik den kavaliersvleugel. Nu weet je 't!"
"Dat durft de Majoorske toch niet."
"Durf ik 't niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je,
dat ik 't niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg
tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje
te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken
om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? 't Is je
geraden te zweren!"
En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden,
want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met
bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken
te voorkomen.
Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö
bereikt.
De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin,
waar hij zijn beren voerde.
Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in 't berenhok,
bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten
en haastte zich naar Ekeby.
Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar
zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen.
Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat
zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden
verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden?
Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in
wilde vaart naar Ekeby.
Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant
zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor
de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan:
"De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren."
Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan.
"Jij hebt hem gehaald," zei ze tegen Marianne.
"Vlucht!" roept deze nog dringender. "Weg van hier, in Godsnaam! Ik
weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich."
Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan.
"Ik dank jelui voor je hulp, kinderen," zei deze kalm tot het
volk. "Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van
jelui voor 't gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar
huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga
nu heen."
Maar zij bleven dralen.
Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne.
"Ik weet, dat je liefhebt," zeide ze. "Je handelt in waanzin, door
liefde gedreven. 'k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je
machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd
meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is!
"Komt nu kinders, komt nu!" met deze woorden wendde ze zich weer tot
het volk. "God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als
je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en 't land
in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme
menschen."
Toen ging ze heen, door 't volk gevolgd.
Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling
behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden,--een lange
treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was
't al even droevig gesteld. 't Leven had geen van allen gespaard.
Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag
hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij
schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog
nooit gedragen.
"Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van
Björne knielde," zeide Marianne.
En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude
voertuigen weer in 't wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de
kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De
dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met
licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen,
dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en
de uilen krassen.
Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis
waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden
om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen.
"Leve de Majoorske!" riepen zij.
Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden
ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren.
Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg,
dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden?