DE OUDE VOERTUIGEN.

Vrienden, menschenkinderen! Wanneer het mocht zijn, dat ge dit zit

of ligt te lezen in den nacht, zooals ik dit schrijf in stilte en

duisternis, slaak dan geen zucht van verlichting bij de gedachte,

dat de goede heeren van Ekeby ongestoord konden slapen, toen ze thuis

gekomen waren met Marianne en haar een goed bed gegeven hadden in de

beste logeerkamer bij de groote zaal.

Ze gingen wel naar bed en sliepen in; maar het viel hen niet te beurt

om rustig te slapen tot midden op den dag, zooals gij en ik zouden

doen, als we tot vier uur opgebleven waren en de leden ons pijn deden

van vermoeidheid.

Want ge moet niet vergeten, dat de oude Majoorske door 't land ging

met den bedelstaf en dat het niet in haar aard lag, bij 't uitvoeren

van gewichtige plannen, rekening te houden met het gemak van vermoeide

zondaars. En nu deed ze dat nog veel minder, omdat ze voornemens was

dezen nacht de kavaliers van Ekeby te verdrijven.

De tijd, toen zij in glans en heerlijkheid op Ekeby zat en vreugde

om zich heen strooide over de wereld, zooals God sterren zaait over

den ganschen hemel--die tijd was voorbij. En terwijl zij verlaten

ronddwaalde, was de macht en eer van het groote goed aan de kavaliers

overgelaten, die het verzorgden, zooals de wind de asch, zooals de

lentezon de sneeuw.

Nu en dan gebeurde het, dat de kavaliers in een lange slede reden met

klinkende bellen. Wanneer zij dan de Majoorske ontmoetten, die als

bedelaarster langs den weg ging, sloegen zij de oogen niet neer. De

luidruchtige troep balde de vuisten tegen haar. Met een zwaai van de

slee drongen ze haar in de sneeuwhoopen op zij van den weg en Majoor

Fuchs, de beerenjager, spuwde altijd drie keer op den grond om het

booze voorteeken van zulk een ontmoeting de kracht te ontnemen.

Zij hadden geen medelijden met haar, ze beschouwden haar als een

leelijke heks.

Als haar een ongeluk getroffen had, zouden ze het zich niet meer

hebben aangetrokken, dan wanneer ze op een avond een geweer hadden

afgeschoten met koperen knoopen en dan toevallig een voorbijvliegende

tooverheks geraakt hadden.

De arme kavaliers meenden hun ziel te redden door de Majoorske te

vervolgen.

De menschen hebben elkaar vaak 't gruwelijkst gepijnigd, als zij in

angst waren voor de zaligheid hunner ziel.

Als de kavaliers laat in den nacht van hun drinkgelag naar 't venster

gingen, om naar 't weer te kijken, zagen ze vaak een donkere schaduw

door den hof glijden en ze begrepen dan, dat de Majoorske naar haar

geliefd tehuis kwam kijken. Maar dan daverde de kavaliersvleugel van

het honend lachen der oude zondaars en spottende woorden klonken uit

de open vensters in haar ooren.

Voorwaar! Harteloosheid en hoogmoed namen hun intrek bij de arme

avonturiers. Sintram had haat in hun harten gezaaid. Als de Majoorske

in vrede op Ekeby was gebleven, kon hun ziel niet in grooter gevaar

geweest zijn. Er vallen meer krijgers op de vlucht dan in den slag.

De Majoorske was niet bijzonder boos op de kavaliers. Had zij er

nog de macht voor gehad, dan had zij ze met een roede afgestraft

als ondeugende jongens en hen dan weer in genade aangenomen. Maar

ze was bekommerd voor haar geliefd tehuis, dat aan de kavaliers

was overgelaten en door hen verzorgd werd zooals de wolf het schaap

verzorgt.

Ach! hoevelen hebben dezelfde smart gedragen. Zij is niet de eenige,

die haar dierbaar thuis heeft zien verwaarloozen, die gevoeld heeft

wat het is als het ouderlijk huis ons aanziet als een gewond dier. Hoe

menigeen voelt zich als ware hij een misdadiger, als hij de boomen

met mos en de paden met gras ziet begroeien. Hij zou op de knieën

kunnen vallen op die velden, vroeger golvend van graan en ze smeeken

hem niet aan te klagen om de schande, die over hen kwam. Hij wendt

zijn hoofd af voor den blik der arme oude paarden. Hij durft niet aan

't hek blijven staan om 't vee van de weiden te zien thuiskomen. Geen

plek op aarde is zóó droevig om te zien als een vervallen thuis.

Ach, ik smeek u, gij allen, die velden en weiden en tuinen met bloemen,

die vreugde brengen, bezit of te verzorgen hebt--verzorg ze goed. Geef

ze uw liefde, uw arbeid. Het is niet goed, als de natuur moet treuren

over de menschen! Als ik er aan denk wat het trotsche Ekeby heeft

moeten lijden, onder het bestuur der kavaliers, dan betreur ik het,

dat de Majoorske haar doel niet bereikte, dat Ekeby hun niet afgenomen

werd.

Het was niet haar bedoeling zelf weer aan het bestuur te komen. Zij

had maar één doel: haar huis te bevrijden van die dwazen, sprinkhanen,

die roovers, die geen grassprietje overlieten.

Terwijl ze bedelend door 't land trok en van aalmoezen leefde, moest

zij steeds aan haar moeder denken, en de gedachte, dat er nooit betere

tijden voor haar zouden komen, vóor haar moeder den vloek van haar

weggenomen had, die haar zoo zwaar drukte, schoot wortel in haar ziel.

Niemand had haar nog den dood der oude vrouw gemeld. Zij leefde

dus zeker nog in het Elvedal, daar boven op haar hoeve. Negentig

jaar oud leefde ze daar nog en werkte onafgebroken, verzorgde haar

melkschotels in den zomer en haar kolenbranderijen in den winter,

werkte tot het laatste toe, verlangend naar den dag, dat zij haar

arbeid volbracht had.

En de Majoorske dacht, dat als de oude vrouw zóólang bleef leven,

't zeker zijn zou, omdat ze den vloek van haar leven wegnemen zou. De

moeder, die zulk een ellende over 't hoofd van haar kind had gebracht,

kon niet sterven.

Daarom wilde de Majoorske naar haar toegaan, opdat ze beide rust zouden

vinden. Zij wilde door de donkre bosschen heen opgaan langs de lange

beek naar haar ouderlijk huis. Eer kon ze geen rust vinden. Er waren

velen, die haar in die dagen een gezellig tehuis en trouwe vriendschap

aanboden, maar zij had geen blijvende plaats. Barsch en toornig ging

zij van de eene hoeve naar de andere, want de vloek drukte haar.

Zij wilde naar haar moeder gaan, maar eerst wilde zij haar

geliefd Ekeby redden. Zij wilde het niet achterlaten in de handen

van lichtzinnige pretmakers, van onbruikbare zwierbollen, van

onverschillige verkwisters van Gods goede gaven. Zou zij heengaan om

later haar bezittingen verwoest, haar smidse verlaten, haar paarden

verwaarloosd, haar dienstboden vertrokken te vinden? Neen, nog eens

wilde ze al haar kracht verzamelen en de kavaliers wegjagen.

Wel wist ze, dat haar man met vreugde zag hoe 't toeging op Ekeby. Maar

ze kende hem genoeg om te weten dat, als zij maar eens zijn sprinkhanen

verdreven had, hij te lui zou zijn om anderen te zoeken. Waren

de kavaliers maar eerst weg, dan zou haar oude rentmeester en de

meesterknecht Ekeby wel op de oude manier besturen.

Daarom had men haar zwarte schaduw vele nachten lang zien rondsluipen

op de zwarte wegen bij de ijzermijnen. Zij was de arbeidershuizen

uit en ingegaan; ze had gefluisterd met den molenaar en zijn knechts

in de benedenste kelders van den molen; zij had beraadslaagd met de

smeden in 't donkere kolenhok.

En allen hadden ze gezworen haar te helpen. De eer en 't aanzien van

't oude landgoed zou niet langer overgelaten worden aan slordige

kavaliers, om door hen verzorgd te worden zooals de wind de asch,

de wolf de kudden verzorgt.

En in dezen nacht, die de vroolijke heeren verdanst, en verdronken

hebben, tot ze doodmoe op hun bedden in slaap gevallen zijn, in

dezen nacht nog moeten zij weg. Zij heeft hen laten feestvieren. Met

een barsch gezicht heeft zij in de smidse gezeten en gewacht tot

het feest voorbij was. Zij heeft nog langer gewacht, totdat de

kavaliers terugkwamen van hun nachtelijken rit; zij heeft zwijgend

gewacht tot haar werd aangezegd, dat het laatste licht uit was op

de kavaliersvleugel en dat alles op het groote landgoed sliep. Toen

stond ze op en ging naar buiten. 't Was al vijf uur in den morgen;

maar nog welfde zich de donkere, van sterren vonkelende Februarinacht

over de aarde.

De Majoorske gebood heel het dienstpersoneel van 't landgoed zich

bij den kavaliersvleugel te verzamelen. Zelf ging ze eerst naar het

hoofdgebouw, klopte aan en werd binnen gelaten. De dochter van den

predikant te Broby, die zij had opgeleid tot een bekwaam dienstmeisje,

ontving haar.

"Mevrouw is zoo hartelijk welkom," zei het meisje en kuste haar

de hand.

"Doe het licht uit," zei de Majoorske. "Meen je, dat ik hier den weg

niet kan vinden zonder licht?"

En toen begon zij haar wandeling door het stille huis. Zij ging

van den zolder tot den kelder om afscheid te nemen. Zacht slopen

de beide vrouwen van 't eene vertrek naar het andere. De Majoorske

sprak met haar herinneringen. 't Meisje zuchtte en jammerde niet,

maar groote tranen rolden aanhoudend over haar wangen, terwijl ze haar

meesteres volgde. De Majoorske liet de linnenkast en de zilverkast

opendoen en streek met de hand over de fijne damasten tafellakens en

over de prachtige zilveren kannen. Zij liet de hand over de groote

stapels donzen dekens en kussens glijden op de beddenkamer. Al het

huisraad: de weefstoelen, de spinnewielen, de garenwinders, moest zij

aanraken. Zij stak onderzoekend haar hand in de kruiddoos en voelde

aan de vetkaarsen, die aan den zolder hingen.

"De kaarsen zijn droog," zeide ze. "Nu kunnen ze afgenomen en

opgeborgen worden." In den kelder ging ze, klopte op de vaten liet

de hand glijden langs de rekken met wijnflesschen. Zij was in de

provisiekamer en in de keuken en betastte alles, onderzocht alles. Zij

strekte de handen uit en nam afscheid van alles in het huis.

Eindelijk ging zij in de kamers. In de eetzaal streek zij met de hand

over de groote uittrektafel.

"Menigeen is verzadigd geworden aan deze tafel," zeide zij.

Zij ging door alle kamers. Zij vond de lange breede sofa's op hun

plaatsen, zij streelde het koude marmer op de consoles die, door

vergulde draken gedragen, de kostbare spiegels ondersteunden.

"Een rijk huis," zei ze, "een heerlijk man was hij, die mij dat alles

gaf om te besturen."

In de groote zaal, waar zoo pas de dans nog weêrklonken had, stonden

de leuningstoelen met hooge ruggen al weer op een stijve rij langs

den muur. Zij ging naar de piano en sloeg zacht een paar tonen aan.

"Ook in mijn tijd ontbrak 't hier niet aan vreugd en vroolijkheid,"

zeide zij.

De Majoorske ging ook in de logeerkamer achter de groote zaal. 't

Was pikdonker.

De Majoorske voelde voor zich uit en raakte bij toeval 't gezicht van

't meisje aan.

"Schrei je?" vroeg zij, want haar hand was nat van tranen.

Toen barstte het meisje in luid weenen uit. "Ach mevrouw, lieve

mevrouw," snikte ze, "zij vernielen alles. Waarom gaat mevrouw van

ons weg en laat de kavaliers het heele huis bederven!"

De Majoorske trok het gordijn ter zijde en wees naar beneden in den

hof. "Heb ik je geleerd te schreien en te jammeren?" vroeg zij. "Zie,

de plaats is vol menschen. Morgen is er geen enkele kavalier meer

op Ekeby."

"En komt mevrouw dan terug?" vroeg het meisje.

"Mijn tijd is nog niet gekomen," zeide de Majoorske. "De straatweg is

mijn huis, een sloot mijn bed. Maar jij moet Ekeby voor mij bewaren,

meisje, terwijl ik weg ben."

En zij gingen verder. Geen van beiden wist of dacht er aan, dat

Marianne juist in deze kamer sliep.

Zij sliep ook niet. Ze lag klaar wakker, zij hoorde en begreep

alles. Zij had in haar bed een hymne aan de liefde liggen dichten. "Gij

heerlijke, die me verhieft boven mij zelf," zeide zij, "ik lag

in grondelooze ellende verzonken en gij hebt die in een paradijs

herschapen. Aan den ijzeren knop van den gesloten poort bleven mijn

handen hangen en werden er gekwetst; op den drempel van mijn tehuis

liggen mijn tranen tot ijspaarlen bevroren. IJzige woede deed mijn

hart rillen toen ik slagen hoorde dalen op mijn moeders rug. In de

koude sneeuw wilde ik mijn toorn vergeten. Maar toen kwaamt gij, o

liefde! Kind van 't vuur! Gij kwaamt! Tot de arme van koude bevangen

zijt gij gekomen. Als ik mijn ellende vergelijk met de heerlijkheid,

die ik daardoor won, is zij als niets. Van alle banden ben ik

bevrijd. Geen vader of moeder of thuis heb ik meer. De menschen zullen

alle mogelijke kwaad van mij gelooven en zich van mij afwenden. Welaan,

uw wil geschiede, machtige Liefde. Waarom zou ik meer zijn dan de man,

dien ik liefheb? Hand in hand zullen wij de wereld doorgaan. Arm is de

Bruid van Gösta Berling. In de sneeuw heeft hij haar gevonden. Laat ons

te zamen ons vestigen, niet in de hooge zalen; maar in een boerenhut

aan den rand van het woud. Ik zal hem helpen in de kolenbranderij,

en met het strikken zetten voor vogels en hazen. Ik zal zijn eten

bereiden en zijn kleeren verzorgen. O mijn liefste, gelooft ge, dat ik

ontbering of droefheid zal voelen, terwijl ik alleen in onze hut zit en

u wacht? En toch zal ik dat, maar niet naar de dagen van mijn rijkdom,

alleen naar u zal ik uitzien en verlangen, naar uw schreden op 't pad,

naar uw vroolijk gezang, als ge met de bijl op den schouder thuiskomt."

Zoo had ze stil gelegen en hymnen gedicht aan den aller harten

beheerschenden God der liefde en geen slaap had haar oogen geloken,

toen de Majoorske binnenkwam. Toen ze weer was heengegaan, stond

Marianne op en kleedde zich aan. Nog eens moest ze het zwart fluweelen

kleed en de dunne balschoenen aantrekken. Zij sloeg de deken om

zich heen als een shawl en spoedde zich op nieuw voort door den

vreeselijken nacht.

Rustig, vol sterren en bijtend koud rustte de Februarinacht nog over

de aarde, het was als zou ze nooit voorbijgaan. En de duisternis en

de kou door de nacht gebracht, bleef op aarde hangen lang nadat de

zon was opgegaan, lang nadat de sneeuw, waardoor de schoone Marianne

gewaad had, tot water versmolten was.

Marianne haastte zich voort van Ekeby om hulp te zoeken. Zij kon

niet toelaten, dat de mannen, die haar uit de sneeuw hadden opgenomen

en hun huis en hart voor haar geopend, van hun haardsteden verjaagd

zouden worden. Zij wilde naar Sjö gaan, naar Majoor Samzelius. Eerst

over een uur kon ze terug zijn.

Toen de Majoorske afscheid van haar huis genomen had, ging ze naar

buiten op de plaats, waar het volk haar wachtte en de strijd om den

kavaliersvleugel begon.

De Majoorske stelt al het volk op rondom het hooge smalle gebouw,

waaraan het bovenste gedeelte de beruchte woning der kavaliers is. In

de groote kamer daarboven met de gewitte muren, de roodgeschilderde

kisten en de groote tafel, waar de kaarten nog op de met brandewijn

bemorste tafel liggen, waar de breede bedden door geel geruite

gordijnen verborgen worden--daar slapen de kavaliers. Ach, die

zorgeloozen?

En in den stal voor de gevulde ruif slapen de kavalierspaarden en

droomen van de heldenfeiten hunner jeugd.

Liefelijk is het in de rustdagen te droomen van de avonturen der jeugd,

van de marktreizen, toen ze dag en nacht onder den blooten hemel

moesten staan, van hardrijderijen, van proefritten voor een verkoop,

als hun door wijn verhitte meesters hun van uit de wagens allerlei

vloeken toeriepen. Lieflijk zijn die droomen voor hen, nu ze weten

dat ze nooit meer den warmen stal, de gevulde ruif van Ekeby zullen

verlaten. Ach, die zorgeloozen!

In een oud vervallen wagenhuis, waar stukgereden karossen en

afgedankte sleden bewaard worden, staat een wonderlijke verzameling

voertuigen. Daar staan groen geschilderde mandenwagens en sjeezen

en sleden en allerlei soorten van rijtuigen. Daar staat de eerste

kariool, die in Wermeland gezien is, en die door Beerencreutz in den

oorlog van 1814 is buit gemaakt. Daar staat de lange slee, waarin

plaats is voor twaalf man en de kleine slee waarin neef Christoffel

kwam aanrijden en Örneclous' oude familieslee met berenvellen en

't wapen op 't zeil en verder een oneindig aantal kapsleden.

Vele kavaliers hebben al geleefd en zijn gestorven op Ekeby. Hun

namen zijn vergeten en zij hebben geen plaats meer in de harten der

menschen; maar de Majoorske heeft de voertuigen bewaard, waarin zij

naar Ekeby kwamen. Ze heeft ze allen bijeen in het oude wagenhuis.

En daarbinnen staan zij stil en laten de stof dicht op zich neervallen.

Nagels en spijkers houden niet meer in 't vermolmde hout, de verf

valt er af in groote stukken, en door de motgaten komt het opvulsel

van kussens en dekken naar buiten.

"Laat ons rusten, laat ons vervallen," zeggen de oude voertuigen. "Wij

hebben lang genoeg langs de wegen geschommeld, wij hebben vocht genoeg

opgezogen in de regenbuien. Laat ons rusten! 't Is lang geleden,

dat wij de jonge heeren naar hun eerste bal reden, lang geleden,

dat wij netjes gepoetst en glimmend uittrokken op sleepartijtjes,

lang geleden, dat we op moerassige wegen in de lente de jonge heeren

naar den slag van Trössnäs reden. De meesten van hen gingen ter ruste,

de laatsten en de besten zullen Ekeby niet meer verlaten."

En het leder der voetenzakken barst, de banden springen van de wielen,

wielspaken en naaf vermolmen. De oude voertuigen geven niet meer om

het leven. Zij willen sterven.

't Stof ligt over hen als een lijkwade en zij laten onder die bedekking

den ouderdom steeds meer macht over hen krijgen. In hardnekkige luiheid

laten ze zich vervallen. Niemand raakt hen aan en toch vallen zij

aan stukken. Eéns in het jaar wordt de schuur geopend, als een nieuwe

kameraad is aangekomen, die zich op Ekeby wil vestigen en zoodra de

deuren gesloten zijn valt de moeheid, de slaap, 't verval, de zwakte

van den ouderdom ook over de nieuw aangekomene. Ratten en houtwormen

en motten en hoe al die roofdieren verder mogen heeten, werpen zich

op hen en zij verroesten en vermolmen in droomlooze, liefelijke rust.

Maar nu in den kouden Februarinacht laat de Majoorske de deuren van

de wagenschuur openen.

En met lantarens en fakkels laat zij de voertuigen uitzoeken, die

aan de tegenwoordige kavaliers van Ekeby behooren: 't oude kariool

van Beerencreutz en de met wapens versierde slee van Örneclou en

't smalle sleetje van Neef Christoffel.

Ze geeft er niet om of 't zomer- of winterrijtuigen zijn, ze past

alleen op, dat ieder 't zijne krijgt.

En in den stal worden al de oude kavalierspaarden gewekt, die zoo

pas nog voor de gevulde kribben droomden.

Uw droomen zullen werkelijkheid worden, gij zorgeloozen!

De steile heuvels zult ge weer afrennen en 't muffe hooi weer proeven

in den herbergstal, en de zweep van den paardenkooper voelen en

deelnemen aan onzinnige wedrennen op zulk glad ijs, dat ge er voor

beeft.

Nu is 't zooals 't behoort, nu de oude voertuigen bespannen zijn.

Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge

spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor

lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als 't gebit

in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen

en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen

blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten,

spatten en gehoest komen nu aan het licht.

De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen

nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want

ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen.

"Span Don Juan voor onze beste kapslee," antwoordt de Majoorske,

"en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen." En als de

jongens aarzelen, gaat ze voort: "Er is geen paard op mijn stal, dat ik

niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet."

Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt,--maar de kavaliers

slapen nog altijd.

Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar

't is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige

paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze

zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen

gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. 't Is zoo makkelijk

hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen,

die hen weg zullen voeren.

Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht

bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de

kavaliers slapen.

"'t Is mijn hooiberg," zegt ze, "heel Ekeby hoort mij toe."

Gösta Berling · 第 23 / 86 题