Een man kwam over het gras naar het huis toe. De predikant zag uit
het venster en herkende den sterken kapitein Kristiaan Bergh, een
van zijn trouwste zwierkameraden.
Een zwervend man, zonder tehuis, was die kapitein Bergh, een reus
van gestalte en kracht, groot als een berg en dom als een berggeest.
"Ja, zeker ben ik wakker, kapitein," antwoordde de predikant. "Vindt
je, dat dit een nacht is om te gaan slapen?"
En hoor nu wat kapitein Kristiaan hem vertelt. De reus had er al
een voorgevoel van gehad en begreep nu, dat de predikant van zijn
drinkgelagen afscheid zou nemen. Hij zou nooit meer rust hebben,
meende kapitein Kristiaan, want die proosten en dominees uit Karlstad,
die er eens geweest waren, konden immers terugkomen en hem zijn toga
afnemen, als hij weer aan het feestvieren ging.
Maar nu heeft kapitein Kristiaan zijn slag geslagen en 't zóó gemaakt,
dat er nooit een proost of een predikant meer komen zal, en ook geen
bisschop. Nu kunnen de predikant en zijn vrienden in de pastorie net
zooveel drinken als ze willen. Want raad eens wat de kapitein gedaan
heeft! Toen de bisschop en de overige geestelijken in den gesloten
wagen waren gegaan en het portier goed dicht zat, was de kapitein
op den bok gaan zitten, om hem een paar mijlen ver te brengen in
den lichten zomernacht. En hij had ze eens laten voelen wat het was:
zijn leven aan een zijden draadje te voelen hangen; hij had de paarden
voort laten draven in razende vaart. Dat moesten ze nu eens hebben,
omdat zij een eerlijk man niet eens een roes gunden.
Meen niet, dat hij op den grooten weg bleef, of dat hij er bang voor
was ze eens door elkaar te schudden. Hij reed over slooten en velden
met boomknoesten, hij vloog in galop van de heuvels naar beneden,
hij reed door het meer, zoodat 't water tot over de wielen opspatte,
en hij ging langs de berghelling, zoodat de paarden de voorpooten stijf
uithielden en zich lieten glijden. En al dien tijd zaten de bisschop
en de predikanten met bleeke gezichten gebeden te mompelen. Erger
rijtoer hadden ze zeker nooit gedaan.
Men kan zich denken hoe ze er uitzagen, toen ze aan de herberg te
Rissäter kwamen: levend, maar door elkaar geschud als hagel in een
leeren zakje.
"Wat moet dat beteekenen, kapitein Kristiaan?" vraagt de bisschop,
toen hij het portier open doet.
"Dat beteekent, dat de bisschop zich twee keer bedenken moet, eer
hij weer bij Gösta Berling op kerkvisitatie komt," antwoordt kapitein
Kristiaan, en dien zin heeft hij vooruit bedacht en van buiten geleerd,
om niet in de war te komen bij 't uitspreken.
"Nu, groet dan Gösta Berling," zegt de bisschop, "en zeg hem, dat
bij hem noch ik, noch een ander bisschop ooit meer komen zal."
Zie, dat heldenstuk staat de sterke kapitein daar aan den predikant
te verhalen bij 't open venster in den lichten zomernacht. Want hij
heeft zoo juist de paarden naar de herberg teruggebracht, en is toen
dadelijk naar de pastorie gegaan, om 't nieuws te vertellen.
"Nu kun je dus gerust zijn, beste vriend," zegt hij. Ach kapitein
Kristiaan! Met bleeke gezichten zaten de geestelijken in 't rijtuig,
maar de predikant aan 't venster, in dien lichten zomernacht, zag
nog veel, veel bleeker. Ach, kapitein Kristiaan!
De predikant hief den arm op en wilde den reus een geweldigen slag in
zijn grof, dom gezicht geven, maar hij bedwong zich. Met een woesten
zwaai sloeg hij 't venster dicht, bleef midden in de kamer staan,
en schudde de gebalde vuist tegen den hemel.
Hij, op wien de vurige tongen der inspiratie waren neergedaald,
hij, die Gods eer verkondigd had--hij stond daar met de vreeselijke
gedachte, dat God hem verlaten en beschimpt had.
Moest de bisschop niet denken, dat hij kapitein Kristiaan hierop
uitgestuurd had? Moest hij niet denken, dat hij den ganschen dag
gelogen en gehuicheld had? Nu zou hij wel ernst met het onderzoek
maken, hem eerst schorsen en dan afzetten.
Toen de morgen kwam, was de predikant uit de pastorie verdwenen. Hij
wilde niet blijven en zich verdedigen. God had hem verlaten. Hij zou
afgezet worden, dat wist hij. God wilde het. Dan kon hij evengoed
dadelijk heengaan.
Dit gebeurde omstreeks 1820 in een afgelegen gemeente van
West-Wermeland.
't Was het eerste ongeluk, dat Gösta Berling trof, maar 't was het
laatste niet.
Want voor paarden, die sporen noch zweep kunnen verdragen, is het
leven niet gemakkelijk. Bij elke pijn, die ze voelen, hollen ze voort
op woeste wegen, die naar gapende afgronden leiden. Zoodra er steenen
op den weg liggen en de rit moeielijk wordt, weten ze niets beter te
doen, dan den wagen om te werpen en door te hollen.