4 ontbreekt.

5 ditto, hoochte van 16 grad., 28 minuten; de caep O. ten N. ontrent

8 mijlen; 't was stille ende wonder heet weder; vernamen geen joncken.

6 ditto, hoochte van 16 grad., 34 minuten; de caep Oost van ons;

waren ontrent 10 mylen vande wal; den heelen dach stille; dreven

mettet hooft om de West.

7 ende 8 ditto als vooren in stilte gedreven; de caep op de hoochte

van 16 gra., 40 min. O. ten Z., ontrent 10 mylen van ons; was heet

weder, wy vingen dagelycx vry wat visch.

9 ditto des morgens begon 't hooge landt van Pangassivan; waren een

stuck om de Noort gedreven; op den dach cregen een regencaeck ofte

twee; smiddachs hoochte van 16 gra., 10 minuten; des avonts deden

ons best om wederom om de Suijt te comen.

10 ditto waren wederom voorleden nacht mette stroom een groot stuck

om de N. gedreven; wy hadden de hoochte van 17 grad., 2 minuten;

naer de middach deden ons best mettet zeeluchie om wederom aen de

caep te comen.

11 ditto waeren alsnoch om de Noort gedreven, sulcx dat ick vrese,

soo de Noordewint ons begeert gelijck hij schynt te willen doen,

dat wij beswaerlijck wederom aen de caep sullen connen comen; wy

hadden hoochte van 17 grad., 10 min.; des avonts coeldent redelijck;

deden gelyck ons best met seylen om aende caep te comen, maer bevonden

geweldige harde stroom ons tegen te loopen.

12 ditto des smorgens, sagen 't landt van de caep S. O. ten O.,

ontrent 5 mylen van ons; des afternoens cregen een deftige coelte

wtte Noorden, waer mede wy de caep aen boort seijlden; des avonts

was die Oost van ons; wij lietent doen leggen drijven.

13 ditto smorgens waren ondert landt van de caep, ontrent Reusenbaij,

3 mijlen vant lant; den raet quam boort ende worde geresolveert, datmen

een vliegende tocht tot ontrent de Doz Irmanos ofte wat verder om de

Suijt soude doen om te sien oft eenige tydinghe van onse vloote souden

mogen becomen; des afternoens vernamene en seyl tusschen Muijser-

ende Reusen baij langs de wal, daer wij het samen naar toe hielden,

maer condent niet becomen; soo als wijt naerderden, conden anders niet

bemerken ofte was een Spaens fregat, want 't hadde een wit vierkant

seijl op ende was seer laech ende cleen, waerom wij, vresende de

Spaence vloot mocht noch wel hierontrent sijn, omdat gemenelijck als

onse scheepen hier op de cust syn, soodanighe vaertuijgen hun ontrent

de wal onthouden om onse gelegentheyt t'ontdecken ende den vyant daer

van te verwittigen.

Doch mede, dat geen ofte seer weijnich hoope ofte apparentie van des

lants vloote te verschynen voor oogen sagen, want wij soo naer de

wal waren, dat indien eenige scheepen, alwaert totte Dos Irmanos toe

geweest, in see haer hadden onthouden, wy deselve soude hebben connen

ontdecken, derhalve om reden voornt ende dese vloot niet verder te

peryculiteren, worden geresolveert 't vorder om de Suijt te loopen

voor dees tyt t'excuseeren, ende dat wy terstont wederom West in see

souden loopen cruijsende Oost ende West, 4, 5 a 6 mijlen vande caep,

wederom te see; in den avontstont schoot den Haen een schoot; wij niet

wetende wat sulcx beduijde, voer onse schipper daer aen boort, seyden

hem dat sy int ondergaen vande sonne 2 seijlen hadden gesien, daer wij

mede aen getwijffelt hadden, maer eijntlyck bevonden wolcken te wesen;

niettemin gaven ordre aende scheepen om haer wat te verspreyen ende

West aen te loopen, op hoope van yets te becommen, maer des morgens

vernamen niet met allen; de scheepen hadden wel gespreyt gelegen,

sulcx haddent seylen geweest, conden ons niet geëschapeert hebben.

14 ditto smorgens waren Oost ende W., 4 mylen vande caep. De scheepen

waren wel een groote myl van den anderen verspreyt, maer vernamen als

geseyt alsnoch geen schijn van seylen, quamen op den dach wederom

by den anderen; smiddachs hadden hoochte van 16 grad., 36 minuten;

de mousson begon sich temets te openbaeren.

15 ditto waren tusschen Reusenbay ende de caep, 4 mylen van de wal;

wy conden een groot eynde weechs sien, maer vernamen geen seylen;

wy liepen t'see om de West.

16 ditto vernamen een seyl N.W. van ons; wy liepen daer naer toe,

maer alsoot stilletiens was ende jegens avont ginck, sonden daer de

Fortuyn met 3 boots ende een tingal naer toe, maer des avonts conden

noch niets daer van vernemen.

17 ditto waren wy voor Muijser baij, 4 mylen vande wal; naer middach

brocht onse boot het seyl, dat daechs te vooren gesien hadden, aen

boort; was een jonck, commende wtte revier van Chincheo, gedestineert

naer Manilla.

18 ende 19 ditto Pynsten, waren doende om de jonck te lossen; wy

verdeelden de Chineesen, die over de 200 sterck waren, op de scheepen

tot naerder ordre.

20 ditto worden de jonck los, daer wij in alles te dienste van de

Coma., behalven de Chineesen, eenige weijnich ysere pannen ende wat

groff porceleyn, de waerdije van hondert realen van 8en niet hebben in

gevonden; des avonts staeken de jonck aen brant ende lieten die dryven.

Die Raet resolveerden, dat men de veroverde Chineesen op alderspoedigst

naer Batavia soude senden; tot dien eynde worde 't schip N. Hollandt

geordonneert op 22 ditto mette voornomde Chineesen te vertrekken

naer die cust van China langs de wal naer de bayen van Pandorang,

Commorijn ofte Cuncheo ende aldaer tot int begin vant Noorder mousson

soo om naer Batavia te vaeren als d' nader avysen van de Ed. Heer

Genel. te becommen te verwachten.

Mede resolveerden den Raet dattet jacht den Haen op 25 deser met

advysen naer Tayouwan aende E. Heer Gouvr. sal vertrecken ende dat

wy dan voorts mette scheepen 't Wapen van Seelandt, Orange ende 't

jacht de Fortuyn naer de cust van China onder de eylanden van Maccau

sullen loopen ende aldaer ons water ingenomen hebbende, wederom naer

de Piscadores ofte Tayouan sullen oversteken, om naerder ordre van

de Heer Gouvr. te verwachten.

21 ditto wast lieffelijck weder; wij deden ons best om N. Hollant

aff te vaerdigen.

22 ditto is 't schip N. Hollandt van de cust van Luconia t' seyl

gegaen met 219 Chineesen; de Heere Godt wil hun in salvo geleyden;

daer op is gegaen voor oppercoopman Harman de Coninck ende voor

schipper Gerrit Andriessen [164].

De Nederlanders in de Philippijnsche Wateren vóór 1626 · 第 24 / 29 题