Zooals overbekend is, waren onze voorouders op het einde der 16e eeuw
de vrachtvaarders van Europa. Zij brachten de waren uit het Noorden
naar het Zuiden en omgekeerd. Vooral op Portugal en Spanje dreven
zij ondanks den oorlog veel handel. Wel werd hun overlast aangedaan
en moesten zij veel kwellingen verduren: hier werd beslag gelegd op
een schip, daar volk geprest of voor de inquisitie gebracht; maar tot
een algemeenen, afdoenden maatregel kwam Philips II niet, daar zijn
volk de handelswaren, die de rebellen aanbrachten, te zeer noodig had.
Eerst na den moord op Prins Willem I, in 1585, nam Philips een
zeer krassen maatregel, in de hoop dat het volk, hierdoor geheel
en al ontmoedigd, Antwerpen te eerder aan Parma zou overgeven. Hij
legde nl. onvoorziens beslag op alle Nederlandsche schepen. Onjuist
is echter de overlevering, dat deze groote slag onze voorouders
met de rechterhand deed grijpen naar het zwaard, met de linker
naar den geldbuidel, om op deze wijze desnoods met geweld te
bemachtigen, wat hun onmogelijk was gemaakt langs vredelievenden weg
te verkrijgen. Niets toch is minder waar. Kort nadat dit nadeel aan
de Nederlanders was toegebracht, begon de vaart opnieuw. Wel is waar
slechts oogluikend toegestaan en onder vreemde vlag, maar men had de
handelswaren noodig en--de Nederlanders werden geduld.
Nieuwe grieven voegden zich echter bij de oude, nieuwe zandbanken
deden onze koopvaarders averij beloopen of stranden. Niet alleen
van Spaansche zijde werden deze wederom voor ons opgeworpen, ook
onzerzijds legde men den Nederlandschen kooplieden vele belemmeringen
in den weg. Van 1586 tot 1600 werden er niet minder dan een tiental
plakkaten uitgevaardigd, waarbij men den toevoer van leeftocht en
oorlogsbehoeften naar de vijandelijke havens verbood.
Bedenkt men nu dat het Nederlandsche volk slechts bestond door den
handel, dat het was een volk in opkomst, een volk dat getoond had door
druk te groeien, dan is het ons duidelijk, dat het gretig luisterde
naar de zeevaartkundige lessen van een Plancius, naar de verhalen
van een Linschoten, om hiermede zijn voordeel doende, zelf den steven
te wenden naar het Oosten. De eerste scheepstocht naar de gewesten,
waarvan wij later het grootste deel in ons bezit zouden krijgen en
waaraan de naam van Cornelis de Houtman onafscheidelijk verbonden is,
had in 1595 plaats [2]. Na eene afwezigheid van 2 1/2 jaar kwamen in
1598 drie van de vier schepen in het vaderland terug. Reeds spoedig
werden deze gevolgd door een tweede vloot, waarna vele andere dezelfde
gevaarvolle reis ondernamen. Soms waren dus de Nederlanders in staat
een vrij aanzienlijke macht in de Indische wateren te verzamelen,
om afbreuk te doen aan hun aartsvijanden de Portugeezen en Spanjaarden.
Met opzet spreek ik van de Portugeezen en Spanjaarden beiden, omdat,
hoewel Spanje en Portugal na 1580 vereenigd waren, het bestuur over
de respectievelijke bezittingen gescheiden bleef, ja het meermalen
is voorgekomen, dat de onzen voordeel behaalden, sterkten behielden
door de afgunst en naijver, waarmee de beide naties van hetzelfde
schiereiland elkander vervolgden. In de vele vijandelijke ontmoetingen,
waaruit wij zoo dikwijls zegevierend te voorschijn traden, hadden
wij bijna altijd te strijden met eene afzonderlijke vloot van een
van beiden, zelden met een gecombineerde. Deze afgunst is dan ook
zeker een factor geweest, waardoor onze macht en invloed zoo snel
kon toenemen, zoo spoedig is aangegroeid.
Maar er was meer. Linschoten [3] schreef reeds, op de Portugeezen
doelende, in zijn eigenaardige taal: "Vroeger streed men hier om
prijs en eere te verwerven en een goeden naam achter te laten maar
nu ter tijt sijnse al om rapen uyt". Portugal was in Indië schijnbaar
nog zeer machtig. Het bezat verscheidene sterkten op de Oostkust van
Afrika, beheerschte den handel langs den tweeden zeeweg naar Indië
door het bezit van de groote handelsplaatsen Ormoes en Maskate aan den
ingang van de Perzische golf, had Goa tot hoofdzetel van zijn gezag,
was na de verovering van Malakka oppermachtig in Achter-Indië, had
sterkten op Tidore, Ambon en Macao, om van den uitgebreiden handel op
China en Japan nog niet eens te spreken [4]. Deze zoo uitgebreide
macht was uitwendig een krachtige boom met gezonde twijgen en
groene bladeren, inwendig vermolmd en uitgekankerd. Eenige krachtige
bijlslagen en hij zou schudden en wankelen, waardoor het geloof aan
zijne onuitroeibaarheid zou verloren gaan. Bovendien ontdekten de
Hollanders reeds op hun eersten tocht, dat zij zich de Portugeesche
macht nog grooter hadden gedacht dan zij was, want op Java bleek het
hun al spoedig, dat de Portugeezen daar niet veel meer vermochten
dan ons zwart te maken bij de inboorlingen en hen tegen ons op te
zetten; verder ging hun invloed niet. Door de tweedracht tusschen
Portugeezen en Spanjaarden werd het ons dus gemakkelijker gemaakt om
voordeel te behalen. Vooral bleek dit bij de krijgsverrichtingen,
die hebben plaats gehad in de Molukken. Maar behalve dáár, hebben
de Hollanders herhaaldelijk meer of minder hevige gevechten geleverd
tegen de Spanjaarden in de buurt van de Philippijnen.
Op deze eilanden, zelfs tijdens Philips II nog genoemd Islas de
Poniente, waarvan Magelhaens in 1521 de eerste ontdekte, hebben de
Spanjaarden zich in 1571 voor goed gevestigd, nadat door Legazpi aan
de baai van Manila de hoofdstad der Philippijnen was gesticht [5]. De
reden, waarom de Nederlanders zich zoo herhaaldelijk voor Manila
vertoonden, was niet zoozeer, omdat zij hoopten den Spanjaarden
hun hoofdzetel te zullen ontrukken, doch, daar de Philippijnen
steeds eene bedreiging waren voor het rustig bezit van de Molukken,
trachtten de onzen de Spanjaarden aldaar zooveel mogelijk afbreuk te
doen, hun macht en aanzien te verminderen. En hoe kon dit beter, dan
door schade toe te brengen aan den uitgebreiden handel, dien Manila
met de Chineezen en Japanners onderhield? Vooral de eerstgenoemden
hadden een levendig verkeer met Manila. Jaarlijks kwam een groote
handelsvloot aldaar ankeren in de baai van Manila, waar de Chineezen
hun waren, voornamelijk zijde, aan den man brachten en daarvoor in
de plaats het bij hen zoo geliefde zilver ontvingen, waarvan een
steeds grootere hoeveelheid noodig was. Elk jaar werd het geregeld
met de zoogenaamde zilverschepen uit Amerika aangevoerd. Hoe enorm
groot deze aanvoer was en hoeveel de handel in Manila dus beteekende,
bewijst wel het feit, dat de handel van Amerika op Spanje er zoozeer
onder leed, dat men in Spanje genoodzaakt werd den zilveruitvoer te
beperken tot 500,000 duros (dollars) [6]. Elke belemmering en schade,
die wij nu dezen handel toebrachten door het wegnemen der Chineesche
jonken of zoo mogelijk door het vermeesteren van een zilverschip,
schonk ons niet alleen een rijken buit, maar deed ook bij ons de
hoop ontstaan, dat de Chineezen dezen handel, als te gevaarlijk,
op zouden geven en hem verplaatsen naar Batavia [7].
Van hetgeen de Nederlanders in de 17e eeuw tegen de Spanjaarden op de
Philippijnen hebben uitgericht, vindt men bij F. Valentijn [8] slechts
enkele malen gewag gemaakt. Meer bijzonderheden heeft P. A. Tiele in
zijn "Europeërs in den Maleischen archipel" meegedeeld, althans tot het
jaar 1623. Deze komen echter uit den aard der zaak in zijn studie zeer
verspreid voor. Ook Van Dijk heeft op het een en ander reeds gewezen,
ofschoon de titel van zijn boek dit niet zou doen verwachten [9]. Wel
is waar heeft Blumentritt het onderwerp vrij uitvoerig behandeld,
maar daar deze geleerde slechts Spaansche bronnen heeft gebruikt,
is hij altijd eenzijdig en dikwijls oppervlakkig [10].
Afzonderlijk is verder het onderwerp niet behandeld; daarom wenschte
ik door dit mijn proefschrift die verrichtingen der Hollanders, hun
krijgs- zoowel als handelsoperaties aan de vergetelheid te ontrukken
met behulp van Hollandsche bescheiden.