Zeegrondelvisschen (Gobiiformes) behoorende groep der Schijfbuikigen
(Discoboli), omvat een twaalftal soorten van ongeschubde Visschen,
welker aaneengegroeide buikvinnen vervormd zijn tot een schijf,
bestaande uit een eironde beenplaat, die door een vliezigen zoom
omgeven is; met deze vinschijf zuigen zij zich vast aan steenen en
andere voorwerpen; door spieren wordt het middelste, flauw uitgeholde
gedeelte van de schijf opgetrokken, waardoor een ledige ruimte tusschen
de schijf en de aanhechtingsplaats ontstaat. Andere eigenaardigheden
van deze Visschen zijn de groote, onder de keel als 't ware
ineenvloeiende borstvinnen, de min of meer rudimentaire, bij sommige
zelfs geheel ontbrekende (of althans onder de dikke huid verborgen)
rugvin en het maaksel van de stralen van het kieuwdekselvlies. De huid
is slijmerig en glad of met beenknobbeltjes voorzien, het geraamte
uit week, als kraakbeen snijdbaar been, de schedel zelfs geheel uit
kraakbeen samengesteld. De kieuwspleet is nauw; de achterste van de
vier kieuwen bestaat slechts uit één enkele rij van kieuwplaatjes. De
Schijfbuikigen houden bijna uitsluitend op een rotsachtigen zeebodem
verblijf, zuigen zich hier vast met hun vinschijf, blijven dagen lang
op deze wijze vastgehecht en laten zich hoogstens door het naderen
van een buit bewegen om den bodem te verlaten. Verscheidene soorten
wijden aan hunne eieren een soortgelijke zorg als de Zeegrondels. Hun
vleesch wordt slechts op enkele plaatsen gegeten.
De Snottolven (Cyclopterus) hebben een zonderlinge gedaante; hun kop is
groot, de snuit kort, de romp kort, doch dik en hoog, de eerste rugvin
uitsluitend door buigzame stralen gesteund en bij het volwassen dier
geheel onder de huid van den romp verborgen; deze is dik en slijmerig
en bevat reeksen van knobbelvormige, beenige schilden; de kaken zijn
met borstelige tandjes bezet, het gehemelte is tandeloos.
De Snottolf, ook Steenkruiper, Steenzuiger, Engelsche Lump, Paddevisch,
Kikvorschvisch en in Zeeland Klieft genoemd (Cyclopterus lumpus), de
meest bekende vertegenwoordiger van zijn geslacht, bereikt een lengte
van ongeveer 60 cM. en een gewicht van 3 à 4 KG.; zelden wordt hij 1
M. lang en 6 à 7 KG. zwaar. Zijn kleur is zeer verschillend, dikwijls
van boven grijsachtig zwart, van onderen meer geelachtig. Gedurende
den rijtijd zijn de onderdeelen en de vinnen roodgeel, de overige
deelen bruingeel, met oranje, purperrood en blauw in verschillende
tinten geschakeerd, de oogen hoogrood; na den rijtijd zijn al deze
kleuren flauwer en minder zuiver. Zijn hoog en dik lichaam doet,
van ter zijde gezien, aan den eivorm denken, maar is onder den
romp tamelijk vlak en loopt naar boven kielvormig uit. De kop is
middelmatig groot, de mondopening klein; de oogen zijn tamelijk klein
en hooggeplaatst. De kaken zijn met kleine, borstelvormige tanden
gewapend; kleine, afgeronde tanden komen voor op de beenderen, die
het keelgat omgeven. Behalve kleine, harde korreltjes, die tamelijk
regelmatig verspreid zijn, ziet men op de huid veel grootere,
kegelvormige knobbels op 7 rijen: de bovenste rij loopt van het
achterhoofd tot aan de zachte rugvin; de tweede nagenoeg rechtlijnige
reeks gaat aan weerszijden van den romp van boven het oog tot den
wortel van de staartvin; de derde loopt evenwijdig aan de vorige
langs de zijden van het lichaam en begint achter het kieuwdeksel;
de onderste eindelijk omzoomt aan weerszijden den buik tusschen de
aarsvin en de buikschijf. Deze is cirkelvormig en bestaat uit een
kring van platte, harde schijfjes, omgeven door een vliezigen rand. De
borstvinnen zijn afgerond en korter dan de kop, maar loopen naar voren
tot onder de keel voort, zonder zich echter te vereenigen; dit naar
voren verlengde gedeelte omsluit aan weerszijden de buikschijf. De met
knobbeltjes gewapende rugkiel, die de eerste rugvin vertegenwoordigt,
bevat beentjes, die de vinstralen voorstellen. De zachte rugvin en
de aarsvin beginnen aan 't hellend gedeelte van den staart; deze is
naar verhouding buitengewoon zwak, zijn vin aan 't einde recht.
De Snottolf bewoont alle noordelijke zeeën en wordt bij alle
kuststreken van gematigd en noordelijk Europa tot IJsland, Groenland
en Canada aangetroffen. "In 't voorjaar en in den zomer is deze Visch
tamelijk algemeen aan onze kust, in de overige tijden zeldzamer" (Van
Bemmelen). Hij beweegt zich zelden en zwemt zeer slecht, langzaam, met
slingerende krommingen van den zwakken staart. In den regel blijft hij
met de buikschijf aan steenen of andere harde voorwerpen vastgehecht
en wacht hier zijn buit af. Het kost groote moeite hem los te rukken:
Hannox berekende, dat hiervoor een kracht van 36 KG. vereischt werd
bij een Snottolf van 20 cM. lengte. Pennant greep een Snottolf, die
zich aan den bodem van een emmer had vastgehecht; bij het opheffen
van dit dier bleef de met water gevulde emmer er aan hangen. Een 15
cM. lange wierrank, die aan het voorhoofd van een ander exemplaar was
vastgegroeid, maakt het waarschijnlijk, dat de Snottolf soms weken
lang op dezelfde plaats blijft, wachtend tot de Kwallen en Vischjes,
die zijn voedsel uitmaken, dicht genoeg bij hem gekomen zijn om ze
zonder vervolging te grijpen. In gevangen toestand zuigt hij zich
onmiddellijk vast aan een geschikte plek van den waterbak, die hem tot
woning dient, zelfs aan den gladsten glazen wand; hij blijft hier uren
en zelfs halve dagen achtereen, zonder eenig ander lichaamsdeel dan
de kieuwen te bewegen en verlaat deze plaats alleen om het voedsel,
dat hem toegeworpen wordt, te grijpen. In het aquarium hapt hij naar
den inhoud van weekdierschelpen en Wormen, maar laat Vischjes bijna
altijd onaangeroerd.
Omstreeks Maart komt er in de kleur en het gedrag van de Snottolven een
groote verandering; zij zoeken dan ondiepere, voor 't kuitschieten
geschikte plaatsen aan de kust op. Het aantal eieren is zeer
groot. Fabricius bericht, dat het mannetje in 't zand een kuil maakt
voor de eieren, hierbij trouw de wacht houdt en bij deze gelegenheid
een werkelijk verheven moed toont, zelfs met den vreeselijken Zeewolf
den strijd aanvaardt en, door liefde voor zijn kroost gedreven, dezen
vijand doodelijke wonden toebrengt. Dit bericht wordt door latere
onderzoekers volkomen bevestigd. Zoo verhaalt Johnston, op grond van
hetgeen hem door visschers werd medegedeeld, dat het mannetje de eieren
met zijn lichaam bedekt en in deze houding volhardt, totdat de jongen
uitgekomen zijn; deze hechten zich kort daarna aan de zijden en den
rug van hun vader, die zich met dezen dierbaren last op weg begeeft,
om een dieperen en veiligeren bodem op te zoeken. Tegen het einde
van November hebben de jongen een lengte van 10 cM. bereikt.
De mensch maakt niet geregeld jacht op den Snottolf. Hier te lande eet
men hem niet. De IJslanders en Groenlanders vinden dezen Visch lekker;
zij vangen hem in netten, of spiesen hem aan een soort van ijzeren
vork, terwijl hij tusschen de zeeplanten ligt. Een veel gevaarlijker
vijand van deze soort is de Zeehond.
De Zeegrondelvisschen (Gobiidae) zijn voor 't meerendeel klein en
langwerpig van gestalte; hun naakte of geschubde huid is slijmerig;
de voorste rugvin wordt evenals bij de Snottolven dikwijls door
buigzame stralen gesteund en is soms met de tweede vereenigd; de ver
uitstekende buikvinnen zijn bij sommige aan den wortel, bij andere
over haar geheele lengte verbonden tot een trechter of holle schijf;
de kieuwspleet is betrekkelijk klein.
Van deze familie zijn nagenoeg 300 soorten bekend. Verreweg de
meeste zijn zeebewoners; slechts weinige kiezen rivieren of ander
zoetwater tot voortdurend verblijf. Zij leven bij voorkeur op
een rotsachtigen bodem en zetten zich hier tusschen steenen vast;
hun voedsel bestaat uit Wormen en Garnalen, maar ook uit vischkuit
en wieren; meestal vormen zij scholen, die, na opgejaagd te zijn,
zich spoedig weer vereenigen, om gemeenschappelijk te vluchten. Zij
zwemmen zeer behendig; op een modderigen grond stellen de als pooten
dienst doende borstvinnen hen in staat zich te bewegen. Evenals de
Longenvisschen en Doolhofvisschen, kunnen zij zich uren en dagen
lang buiten het water ophouden; niet onmogelijk is het, dat zij dan
onmiddellijk zuurstof uit de lucht opnemen. Zij vermenigvuldigen zich
zeer sterk; ook bij deze groep nemen de mannetjes ijverig deel aan de
zorg voor de nakomelingschap, vooral door de wacht te houden bij de
eieren. In de huishouding van den mensch spelen zij geen belangrijke
rol; slechts weinige soorten worden eetbaar geacht; de eigenaardige
levenswijze dezer dieren bemoeilijkt trouwens hun vangst.
Bij de Zeegrondels (Gobius)--niet te verwarren met de Grondels
(Gobio)--zijn de buikvinnen over haar geheele lengte met elkander
vergroeid tot een trechtervormige schijf, die alleen aan haar
oorsprong met den buik vereenigd is. Alle zijn in staat om hun kleur
in overeenstemming te brengen met die van hun omgeving.
Eén van de ruim 150 soorten van dit geslacht wordt zeer algemeen
langs onze geheele kust waargenomen. Deze--de 6 à 7 cM. lange Kleine
Grondel (Gobius minutus)--wordt ook wel Zeegrondel, Kleine Govie
en Meun genoemd. (De laatste naam is ontstaan door verwarring met
jonge exemplaren van Motella mustela, die, evenals de Zeegrondel,
in de onmiddellijke nabijheid van het strand geregeld bij het
Visschen naar Garnalen met saaien gevangen en aan wal gebracht
wordt.) De Amsterdamsche vischverkoopers noemen den Zeegrondel wegens
zijn sterk gekromden snuit Bullekopje. Het lichaam is langwerpig,
zonder de staartvin 5-maal zoo lang als hoog. De oogen zijn zeer hoog
geplaatst. De mondspleet strekt zich uit tot onder het oog. De kaken
zijn met kleine tanden bezet; die van de voorste rij zijn grooter dan
de overige. De borststandige buikvinnen zijn vergroeid tot een naar
achteren lang en puntig uitloopenden trechter. De grijsachtig gele
grondkleur van dit vischje is op de onderdeelen en den kop lichter,
op de rugzijde bruin gestippeld; dergelijke stipjes vormen op de
staartvin ongeveer 6 dwarsstrepen. De iris is blauw.
Behalve aan de kusten van de Noordzee, ontmoet men deze soort ook
veelvuldig in de monden der rivieren (Haringvliet, Hollandsch Diep
tot aan en boven de Moerdijk, Theems); zij wordt in de ankerkuil
veel gevangen, heeft als voedsel geen waarde, maar moet tusschen de
Zeebliek door in de kubben als aas dienst doen. (Hoek.)
Nauw aan de vorige verwant, vooral door kleur en samenstelling van
rug- en aarsvin afwijkend, is de nieuwe soort (Gobius Taalmankipii),
die Hubrecht in 1877 in de Noordzee vond.
Twijfelachtig is de aanwezigheid bij onze kust van den hoogstens 15
cM. langen Zwarten Zeegrondel (Gobius niger), die in de Middellandsche
Zee in aanzienlijken getale voorkomt, doch ook in den Atlantischen
Oceaan met inbegrip van het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee,
niet ontbreekt. Hij onderscheidt zich door een meer ineengedrongen
en dikker lichaam, een dikkeren kop, grootere schubben en nagenoeg
samenstootende rugvinnen; de zwartachtige, aan de buikzijde lichtere
kleur heeft wolkachtige (meestal donkerbruine) vlekken; de rugvinnen
en staartvin zijn zwartachtig gestreept; de olijfkleurige borstvinnen
hebben bruine streepjes. Men vindt hem op rotsachtige zeebodems, waarop
hij zich eenvoudig neervlijt, zonder zich vast te hechten. Hoewel
hij zich gaarne in de nabijheid van riviermonden ophoudt, heeft men
hem in zoetwater nog niet opgemerkt. Zijn voedsel bestaat uit kleine
Schaaldieren en allerlei andere lagere dieren. De schuilhoek, vanwaar
hij zijn buit beloert, wordt na iederen uitval geregeld weer opgezocht
om er de prooi te verslinden. Tegen den tijd van het kuitschieten,
in Mei of Juni, verlaten de Zwarte Zeegrondels de rotsen, die zij
tot dusver bewoonden en begeven zich naar de met zeegras begroeide
gedeelten der kust, om hier voor hunne eieren een diep en ruim
hol te graven, waarboven de wortels van het zeegras een gewelf
vormen. Evenals bij Stekelbaarzen, is het mannetje de bouwmeester
van deze woning. Voor den ingang houdt hij de wacht, lokt de wijfjes,
die kuit moeten schieten, tot zich, behoedt ongeveer 2 maanden lang
de hem toevertrouwde eieren en verdedigt ze met moed tegen iederen
vijand; hij vermagert merkbaar gedurende dezen tijd en schijnt nagenoeg
uitgeput, als het kroost de ouderlijke woning verlaat en den trouwen
schildwacht van zijn taak ontheft. Soms leggen zoovele wijfjes hare
eieren in hetzelfde hol, dat het vergroot moet worden; het heeft dan
dikwijls verscheidene uitgangen. Een mannetje, dat door de leden der
andere sekse over 't hoofd wordt gezien, verlaat zijn woning en legt
een nieuw nest aan op een gunstiger gelegen plaats. In een doelmatig
ingericht aquarium kan men deze dieren lang in 't leven houden.--
Ook de 4 à 5 cM. lange Tweevlekkige Zeegrondel (Gobius Ruthensparii)
die het Kanaal, de Noordzee en de Oostzee bewoont, behoort volgens
sommige schrijvers tot onze fauna. Hij heeft de aarsvin en de zachte
rugvin hooger dan de eerste rugvin; hierdoor en door twee zwarte
vlekken aan iedere zijde (één onder de eerste rugvin en een andere
aan den wortel der staartvin) verschilt hij van den Kleinen Zeegrondel.
De Riviergrondel (Gobius fluviatilis) bereikt een lengte van hoogstens
8 cM.; zijn bleek geelachtig groene kleur wordt op den bovenrug
donkerder en is op verschillende wijzen gevlekt; de eerste rugvin
is breed, de aarsvin smal en onduidelijk gezoomd, de tweede rugvin,
evenals de staartvin, met talrijke zwarte stippels geteekend; het
kieuwdekselvlies heeft dikwijls een bruinachtig zwarte kleur.
In de meren, rivieren en kanalen van Italië komt de Riviergrondel,
die daar "Bottola" heet en zeer smakelijk wordt geacht, veelvuldig
voor. Ook hij bewoont een steenachtigen bodem, ligt meestal onder een
steen verborgen en verlaat zijn woonplaats niet, tenzij hij verontrust
of door een prooi naar buiten gelokt wordt. De eieren, die het wijfje
aan de wanden dezer woning vasthecht, worden, naar het schijnt, door
het mannetje niet bewaakt; gedurende hun ontwikkeling verkrijgen zij
een spoelvormige gedaante, drijven als een samenhangende laag op de
golven rond en worden in Juni door de jongen verlaten.
In de moerassen en brakke wateren aan en bij de kusten van tropische
zeeën, vooral bij West- en Oost-Afrika, alsmede op vele kuststreken
en eilanden van den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee (maar niet
aan de kusten van de Nieuwe Wereld) leven Zeegrondels, die wegens
den bouw hunner kieuwen nog langer buiten water kunnen blijven
dan hunne verwanten; een groot deel van den dag brengen zij op het
vochtige slijk door, waar zij zich op een zeer vreemdsoortige wijze
bewegen. Men noemt ze Slijkgrondels (Periophthalmus).
Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de nauwelijks 15 cM. lange
Slijkspringer (Periophthalmus Koelreuteri), een vischje van zeer
varieerende kleur en teekening, meestal op lichtbruinen of groenachtig
grijzen grond met zilveren of blauwe en bruine vlekken geteekend; de
achterste rugvin prijkt met een zwarte, wit gezoomde, overlangsche
streep op de bovenste helft en heeft, evenals de voorste rugvin,
meestal een fraaie, blauwe kleur; voorts tooien vlekken en stippels
de borst- en buikvinnen. De ver uitpuilende oogen zijn rood. Deze
soort behoort op de kust van West-Afrika thuis.
Zoo eenige Visch den naam van "Boombeklimmer" verdient, dan is het
deze; de borstvinnen schijnen geheel voor het klimmen ingericht,
zijn meer voeten dan vinnen en worden geheel als voeten gebruikt. Alle
Slijkgrondels jagen minder in het water dan op het land. Zij leven als
Amphibiën, liggen dikwijls op het slijk, springen hier of op het strand
bijna als Kikkers rond en overvallen hun uit Schaaldieren en Insecten
bestaande prooi zoo vlug, dat deze hun zelden ontkomt. Wanneer men
hen vervolgt, schieten zij pijlsnel voort over den modder en kruipen
er in om zich te verbergen.
De Pitvisschen (Callionymus) hebben een zeer slanke gestalte, een
grooten, platten kop, een korten romp en een langen staart; hunne
groote vinnen worden door een gering aantal stralen gesteund. De spits
toeloopende snuit, welks bovenkaak ver vóór de onderkaak uitsteekt,
heeft een nauwe, horizontale mondspleet; de kaken zijn met zeer kleine
tanden gewapend; de eerste rugvin wordt gesteund door 30 zeer lange,
buigzame stralen, die in draadvormige spitsen eindigen; de buikvinnen
zijn vóór de borstvinnen aangehecht en grooter dan deze; de staartvin
is afgerond of puntig verlengd. De kieuwspleten zijn klein en dicht
bij den nek gelegen. De omhoog gerichte oogen zijn dicht bij elkander
boven op den kop geplaatst. De meestal ongeschubde, gladde huid,
prijkt bij vele soorten met prachtige kleuren; de mannetjes en wijfjes
verschillen zoozeer, wat grootte, kleur en vorm van de rugvinnen
betreft, dat zij vroeger voor afzonderlijke soorten werden gehouden.
De eenige aan onze kust voorkomende soort, de Pitvisch, ook wel
Pilatusvischje en Schelvischduivel genoemd (Callionymus lyra), bewoont
de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan langs de kust van
West-Europa met inbegrip van het Kanaal en de Noordzee tot aan het
Kattegat. Hij wordt 30 à 35 cM. lang (het wijfje is 1/4 korter); het
lichaam is ongeveer 8-maal langer dan hoog. Van de 4 rugvinstralen zijn
de beide eerste bij het mannetje sterk verlengd; de draadvormige spits
van de eerste reikt tot aan den staartwortel. In den rijtijd, in de
laatste maanden van het jaar is de gele, aan den rug bruinachtige,
aan den buik witachtige grondkleur van het mannetje op den kop,
langs de zijden, op de buikvin en de staartvin met saffierblauwe
streepjes en vlekken geteekend. De rugvinnen hebben roodblauwe, tot
dwarsstrepen vereenigde vlekken; de borstvinnen zijn geelgrijs met
oranjekleurige stralen, de overige vinnen zijn zwartachtig.
Deze Visch woont in diep water, gewoonlijk op of dicht bij den bodem
en maakt hier jacht op allerlei kleine dieren. Wanneer hij de eens
gekozen standplaats verlaat, hetwelk zelden geschiedt, beweegt
hij zich bliksemsnel, maar gaat niet ver en keert liefst spoedig
terug. In sleepnetten wordt hij soms gevangen, bij ons in geringen
getale, doch in alle maanden van het jaar. Zijn vleesch is wit en
smaakt zeer goed; voor de visscherij is hij echter van geen belang,
althans in de noordelijke zeeën.
De 10e onderorde van Stekelvinnigen is die der Slijmvisschen
(Blenniiformes); deze hebben een lang, laag, cilindervormig of
zijdelings samengedrukt lichaam, een zeer lange, soms grootendeels
door stekels, soms geheel door gelijksoortige, ongelede of gelede
stralen gesteunde rugvin; de aarsvin is verschillend van lengte, de
staartvin afgeknot of afgerond, of niet van rug- en aarsvin gescheiden;
de buikvinnen zijn borst- of keelstandig, of ontbreken. Van de 6
hiertoe behoorende familiën is één voor ons belangrijk.
De meeste leden van de familie der Slijmvisschen (Blenniidae) hebben
een naakte of met zeer kleine, ronde schubben bedekte, slijmerige
huid en dragen dus hun naam te recht. Al deze dieren hebben een
langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, een grooten, eenigszins
plompen kop. De buikvinnen zijn keelstandig en worden door niet meer
dan 2 of 3 buigzame stralen gesteund; de rugvinnen zijn onderling
vereenigd. Het gebit bestaat uit lange, dicht bijeengeplaatste tanden,
die in iedere kaak één enkele, zeer regelmatige reeks vormen. Vóór
de oogen, soms ook aan de neusgaten of aan de wangen, bevinden zich
voeldraden van verschillenden vorm.
Ook de Slijmvisschen zijn bijna uitsluitend zeebewoners; slechts
weinige soorten komen tevens in zoetwater voor. Men kent er meer
dan 200 soorten van, die een 30-tal geslachten vormen en bij de
zeekusten van alle aardgordels aangetroffen worden; sommige zijn voor
de visscherij niet zonder beteekenis. Verscheidene soorten zijn flinke
roovers en worden door de visschers gevreesd wegens het gebruik, dat
zij van hun gebit maken. Hun voedsel bestaat uit andere Visschen en
allerlei ongewervelde zeedieren, vooral Wormen en Schelpdieren.
Niet alle, maar toch verscheidene Slijmvisschen brengen levende jongen
ter wereld; andere wijden een bijzondere zorg aan hunne eieren door
het bouwen van een nest. Zij vermenigvuldigen zich betrekkelijk sterk;
in enkele wijfjes heeft men niet minder dan 300 jongen gevonden. Andere
soorten schieten op de gewone wijze kuit.
In vele opzichten herinneren de Slijmvisschen aan de Zeegrondelvisschen
en aan de Schijfbuikigen; zij hebben ongeveer dezelfde levenswijze. Ook
zij bewonen, tot kleine troepen vereenigd, rotsachtige en steenachtige
gronden, kunnen zonder bezwaar gedurende de eb op het droge blijven,
verbergen zich gaarne in kloven, waaruit zij plotseling te voorschijn
komen om den buit te bemachtigen, waarop zij loeren, enz. Sommige
groote soorten worden wegens haar wit en lekker vleesch gevangen.
De Zeewolven (Anarrhichas) zijn grooter en beter gewapend dan al hunne
verwanten. De rugvin strekt zich bijna over de geheele bovenzijde uit;
de aarsvin begint achter de aarsopening, ongeveer in het midden van de
onderzijde van het lichaam; de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen
ontbreken geheel. Een kenmerkende eigenaardigheid van dit geslacht
is het gebit, dat er waarlijk schrikwekkend uitziet. Voor in den bek
hebben zij eenige zeer groote, gekromde tanden, welke aan de hoektanden
der groote soorten van Katten herinneren, daarachter eenige kleinere
tanden van denzelfden vorm, twee rijen van groote, stompe of ronde
tanden aan de zijden der kaken, aan het ploegschaarbeen, en aan de
gehemeltebeenderen en kleine, spitse tanden aan de keelbeenderen en
de kieuwbogen.
De Zeewolf (Anarrhichas lupus) kan, naar bericht wordt, een lengte
van 2 M. bereiken; in onze en in zuidelijker zeeën ontmoet men echter
zelden exemplaren van meer dan 1 M. De onderdeelen zijn grijsachtig
wit, de bovendeelen, de zijden en de vinnen bruingeel met donkerbruine
stipjes; groote, donkerbruine vlekken vormen langs de zijden van
den rug een rij van onregelmatige dwarsbanden; ook op de rugvin en
de aarsvin kunnen, behalve stippels, een aantal scheef van boven en
achteren, naar onderen en voren gerichte strepen voorkomen.
Deze soort, waarvan een enkel exemplaar nu en dan bij onze kust
gevangen wordt, is reeds in het noorden van Schotland niet zeldzaam,
wordt aan de Duitsche, Deensche en Noorsche kusten hier en daar
aangetroffen en komt ook in het Kanaal voor. Rondom IJsland en aan
de kusten van Groenland en Lapland is zij algemeen; voorts strekt
haar verbreidingsgebied zich van hier door de Beringstraat tot in de
Stille Zuidzee uit. Op soortgelijke wijze als andere leden van zijn
familie leeft de Zeewolf op den bodem, bij voorkeur op rotsachtigen
grond en loert hier in rotsspleten op buit, of rukt deze van de
rotsen af. Zijn voedsel bestaat namelijk vooral uit Schaaldieren en
Schelpdieren, welker pantsers en schelpen hij met zijn vreeselijk
gebit zonder moeite verbrijzelt. Waarschijnlijk maakt hij ook op
allerlei Visschen jacht, daar hij, zij het dan ook met slangsgewijze
krommingen, snel genoeg zwemt om het eene of andere lid zijner klasse
in te halen. Gedurende den winter bewoont hij diepe zeebodems; in Mei
of Juni echter begeeft hij zich naar het ondiepe kustwater om kuit te
schieten. Eenige maanden later ziet men zijne groenachtig gekleurde
jongen in tamelijk groot aantal tusschen de zeewieren.
De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit,
als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar
verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en
zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen
exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen
in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid
naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers
passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen
aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het
net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo
schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt
de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan
zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen,
zoolang hij leeft.
De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat
zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden
er vischlijm uit.
Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen
i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de
Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij
wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder
vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen
zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham
vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn
(vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde,
donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan
die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop
is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van 't oog is met
twee uitwassen voorzien.
De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige
kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen
Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen
bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten
van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen
en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en
Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week,
slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet
kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan
andere Visschen gegeten.
De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van 't
vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor 't tasten
dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding,
omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis
laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de
zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men
haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de
Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur,
dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch
ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in 't water lichtbruin,
maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte
vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht
hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van
tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz
een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen,
werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven
den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn
gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven
water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met
een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren
liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat
er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en
de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen
liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen
exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood,
ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels
en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden
stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij
eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine,
met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude
exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van
de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt
ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van 't water af
te wachten.
De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang,
zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen
kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin;
iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de
kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen
en de tong met fluweelachtige tanden gewapend.
Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee,
die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen
wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van
25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen
met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de
overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à
12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin
uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men
meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden.
Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een
steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen
wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met
kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne
verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig
verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht
hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te
verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde
huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij
trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang,
hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken
jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed,
verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad
zijn gevaarlijkste vijand.
Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen,
de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris)
Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch,
Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à
40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is
slechts 1/9 van de geheele lengte, die voor 3/5 achter de aarsopening
gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn
er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat,
evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder
afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal,
de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is
kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan
de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte
en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel,
de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin
en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris
is bruin met een lichtgelen kring om de pupil.
De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en
wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel
hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze
kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de
Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer
Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het
strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak,
wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep,
reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na
het koken. "Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren,
met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes" (Schlegel).
"Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te
zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft
aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf
bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt
gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4
maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer
dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs
250" (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar
bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf
een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig,
dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen
kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14
dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne.
De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen
(Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde
rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en
vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen
zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is
met gladde of weinig getande schubben bekleed.
De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden
en visschers Barracoeda's worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken
werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op
Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige
schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke,
haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden
in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige
en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht
maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde
aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de
kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer
met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven
zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem
dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht.
De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont
de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg "Snoek"
genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig,
op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte
en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote
snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten
weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn
hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat.
In de zeeën om de Antillen wordt de Pijlsnoek vervangen door den
Barracoeda (Sphyraena picuda), die, naar men zegt, een lengte van
3 M. kan bereiken; de bovendeelen zijn groenachtig loodgrijs, de
onderdeelen zilverkleurig, de zijden dikwijls met groote, bruinzwarte
vlekken geteekend. Men vreest dezen Visch niet minder dan den Haai,
daar zijn roofzucht zelfs den mensch niet verschoont; onbeschroomd
dringt hij in de havens door, grijpt de badende menschen en verslindt
ze. Zijn vleesch gelijkt eenigszins op dat van onzen Snoek, maar
schijnt in sommige tijden vergiftig te zijn.
De familie van de Koornaarvisschen (Atherinidae), die in alle zeeën
van de tropische en gematigde aardgordels vertegenwoordigd is, omvat
ongeveer 40 soorten van slank gebouwde, nagenoeg cylindervormige
vischjes met tamelijk groote, gladde schubben en een uit kleine tanden
samengesteld gebit in een bek, die vooruitgestoken kan worden. Hun
meest in 't oog vallende tooi, een breede, zilverkleurige streep aan
weerszijden van den romp, wordt met een koornaar vergeleken.
De hoogstens 15 cM. lange Koornaarvisch der Middellandsche Zee
(Atherina hepsetus), was reeds aan de ouden onder dezen naam
bekend. Evenals de andere leden van zijn geslacht, heeft hij een
stompen snuit met schuins naar beneden gerichte mondspleet, die
zich tot onder den voorrand van het oog uitstrekt, en zeer kleine
tanden. Zijn doorschijnend lichaam is van boven licht geelachtig
bruin met zwarte stippels, van onderen roodachtig wit met zwakken
zilverglans; de glinsterende, zilverkleurige streep strekt zich van de
onderste helft van de 4e tot de bovenste helft van de 6e overlangsche
reeks van schubben uit en heeft langs den bovenrand een blauwen zoom.
Een andere, even groote soort (Atherina presbyter) is zeer menigvuldig
aan de noordkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland en
wordt ook bij ons ieder jaar in kleinen getale gevangen. Het gebit
is duidelijker zichtbaar en de slankheid iets geringer dan bij de
vorige. Het lichaam is zonder de staartvin ongeveer 5 1/2 maal zoo
lang als hoog, eenigszins doorschijnend en bij 't levende dier licht
vleeschkleurig, behalve op de reeds genoemde streep en den eveneens
zilverkleurigen kop. De bovendeelen zijn zwart gestippeld.
De Koornaarvisschen stemmen in levenswijze zoozeer overeen, dat men,
één van hen beschouwend, de geheele familie leert kennen. In tallooze
menigte bevolken de leden van de eerstgenoemde soort den Atlantischen
Oceaan, benevens de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee;
langs alle kusten, in alle bochten, havens en met de zee in gemeenschap
staande moerassen treft men verbazend groote scholen van deze Visschen
aan. Nooit ziet men ze alleen, altijd zijn zij tot dichte zwermen
opeengepakt, die uitgestrekte ruimten letterlijk vullen. Milliarden van
hen worden door menschen, Meeuwen en dergelijke boven de zee vliegende
Vogels, Eenden, Duikers en roofvisschen buitgemaakt. Hun talrijkheid
bracht de ouden op het denkbeeld, dat zij zonder tusschenkomst van
ouders ontstonden. Men voedert er de Zwijnen mede of schept hunne
reeds tot zwermen vereenigde jongen eenvoudig uit het water op om
er een eigenaardig gerecht van te bereiden, dat in de kustlanden
van de Middellandsche Zee in den smaak valt. In volwassen toestand
leveren zij het gemakkelijkst verkrijgbare lokaas voor de vangst
van andere Visschen, maar worden ook in groote hoeveelheid, gekookt,
gezouten of ingelegd tot voedsel voor de kustbewoners, die hen als
een voortreffelijke spijs beschouwen. Bij ons worden zij echter over
't algemeen veel minder geacht dan de Spiering.
De Harders (Mugilidae) zijn fraai gebouwde zeevisschen met langwerpig,
afgerond lichaam, groote cycloïde schubben, die ook den kop bekleeden
en twee door een groote ruimte gescheiden rugvinnen; de buikvinnen
staan kort achter de borstvinnen; de dwarsgerichte, hoekige,
diklippige muil is met fijne tandjes gewapend of tandeloos. Bij de
meeste soorten zijn de spijsverteringsorganen op een zeer eigenaardige
wijze ingericht: de zeer ontwikkelde keelbeenderen b.v. hebben een
hoekige gedaante en vernauwen op deze wijze het spijskanaal; hierom en
wegens de kleinheid van de mondopening kunnen de Harders geen andere
dan vloeibare verdunde of fijn verdeelde voedingsstoffen gebruiken.
De Harders bewonen zoowel het zoetwater, dat met de zee in gemeenschap
staat, als ondiepe zeeboezems, havens en andere kustwateren. Ook zij
vormen in den regel talrijke scholen en leven in gezelschap van de
Zeebarbeelen en andere verdraagzame Visschen. In de open zee wagen
zij zich nooit; nooit begeven zij zich op een aanzienlijke diepte,
maar houden zich, ook als zij het ondiepe water een enkele maal
verlaten hebben, in de bovenste waterlaag van de zee op. Hun voedsel
bestaat uit slijk en zand, of liever uit de hierin voorkomende
plantaardige en dierlijke stoffen. Op plaatsen waar een modderige
of tijdelijk door den regen troebel geworden beek in zee stort,
komen zij gewoonlijk in grooten getale voor. Zij "grondelen" als
onze Karpers en behouden intusschen een horizontalen stand. Vóór het
kuitschieten vertoonen zij zich altijd in zeer talrijke scholen,
later meestal slechts in kleine troepjes van ongeveer 10 stuks op
hunne gewone verblijfplaatsen. Hun vleesch smaakt goed en wordt versch
zoowel als gezouten gegeten. Voor hun vangst zijn ervaren visschers
en eigenaardige netten noodig, omdat zij over de voor andere Visschen
noodlottige schakels dikwijls heenspringen. Behalve door den mensch
worden zij door alle vischetende roofdieren vervolgd; bovendien hebben
zij veel te lijden van verschillende woekerdieren.
Een in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, ook in de
Noordzee, doch niet aan onze kust voorkomende soort, door de Italianen
Ramado genoemd (Mugil capito), bereikt een lengte van 40 à 50 cM. en
is op den rug blauwgrijs, op den buik en aan de zijden zilverwit van
kleur, overal met zwarte, overlangsche strepen.
Een verwante vorm, de Harder of Herder van onze visschers, de Cefalo
der Italianen (Mugil cephalus), bewoont de Middellandsche Zee, maar
wordt ook veelvuldig aan de Engelsche kust, nu en dan zelfs in groote
scholen aan onze kusten waargenomen. Hij is gewoonlijk ongeveer 30
cM. lang, maar kan wel dubbel zoo lang en 8 KG. zwaar worden. Het oog
is met een slijmerige huid bedekt, de borstvin aan den wortel met een
lange, gekielde schub gewapend. Gedurende het leven zijn de kop en de
rug van dezen Visch groenachtig, de overige deelen zilverachtig; aan
elke zijde ziet men een zestal groenachtige, overlangsche strepen. Na
den dood gaat de groenachtige kleur in een blauwachtige over.
De Ramado komt in groote scholen aan de kusten van Cornwallis
en Devonshire voor en werd ook op allerlei andere plaatsen van de
Engelsche en Iersche kust gevangen. "Nooit," zegt Couch, "verwijdert
deze Visch zich ver van het land; hij houdt zich gaarne in ondiep
water op, vooral bij warm en helder weer; men ziet hem dan dicht bij
het strand rondzwerven, of merkt de kleine kuiltjes op, die hij bij
het zoeken van voedsel in den weeken grond maakt. Soms zwemt hij de
rivieren op, bij eb keert hij echter altijd naar de zee terug." Carew,
de geschiedschrijver van Cornwallis, bezat een zoutwater-vijver,
waarin hij zulke Visschen hield. Daar deze iederen avond op dezelfde
plaats gevoederd werden, geraakten zij aan de voederplaats en aan
hun verzorger zoozeer gewoon, dat het voldoende was op een bepaalde
wijze te klepperen om ze bijeen te lokken. Hun verstand blijkt ook
uit hun waakzaamheid en uit de behendigheid, waarmede zij zich aan
allerlei gevaren weten te onttrekken. Zoodra zij bemerken, dat een
tot op den bodem afhangend net hen omgeeft, keeren zij zoo schielijk
mogelijk terug en springen dan gewoonlijk over den bovenrand van
het net heen; zoodra één van hen een uitweg heeft gevonden, volgen
de andere hem onmiddellijk na. Dit opspringen is hun aangeboren,
zelfs jonge Visschen van geringe grootte springen over de netten
heen. Couch zag er een van ongeveer 2 cM. lengte herhaaldelijk over
een net springen, dat 3 cM. ver boven het water zich verhief.
Weeke en vettige, liefst reeds rottende stoffen, vormen het meest
geliefde voedsel van deze Visschen. In de lippen, waarmede zij het
meeste voedsel uit den grond halen, schijnt een zeer fijn tastgevoel
te zetelen. Evenals de Romeinen der oudheid, vangen de Italianen
ook thans nog vele Harders in de aan zee gelegen vijvers, vooral
's winters. Ook de vijvers aan de kusten van Languedoc zijn om deze
reden beroemd. Dikwijls zwemmen de Harders in zoo grooten getale de
Garonne, Loire, Seine, Rhône en Somme op, dat de rivier met Visschen
bedekt schijnt en dat de visschers nauwelijks in staat zijn om de
met visch gevulde netten op te halen; deze rijkelijke vangst duurt
echter nooit langer dan 2 of 3 dagen. De Harder wordt wegens zijn
malschheid, vetheid en aangenamen smaak overal hoog geschat en versch
of gezouten gegeten. Uit de eierstokken, die men afzonderlijk bewaart,
perst en zout, wordt een vooral in Provence zeer gewilde spijs bereid,
een soort van kaviaar, die "botargue" heet.
Bij de Stekelbaarsvisschen (Gastrosteiformes), die de 12e onderorde van
de Stekelvinnigen uitmaken, bestaat het stekelige deel van de rugvin
uit stralen, die niet door een vinvlies verbonden zijn, of ontbreekt
geheel; de buikvinnen zijn borststandig, of wegens de groote lengte
van de haar dragende bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel
vastzitten, buikstandig; de snuit is min of meer verlengd, de mond
klein.
De Stekelbaarzen (Gastrosteidae) hebben een spoelvormig, zijdelings
samengedrukt lichaam met spitsen snuit en zeer dun staartgedeelte; de
kaken zijn over een smalle strook met fluweelachtige tanden bezet. Vóór
de rugvin zijn eenige vrije stekels geplaatst; de buikvinnen zijn
nagenoeg op het midden van den romp met een pantserachtig schild
geleed; van ieder ziet men weinig meer dan één ongeleden vinstraal,
in welks oksel echter eenige zachte stralen verborgen zijn. Bij enkele
soorten is de overigens gladde huid aan de zijden van den romp met
4 of 5 reeksen van kleine schilden gepantserd.
Het typische geslacht der Stekelbaarzen of Doornvischjes (Gastrosteus)
bestaat uit een tiental goed omschreven soorten, die zoowel in
zoetwater en brak water als in de zeeën van het noordelijk halfrond
leven; in levenswijze komen zij zoozeer overeen, dat men door de drie
inheemsche soorten na te gaan ook de overige voldoende leert kennen.
De Driedoornige Stekelbaars, in Groningen Stekelspoor genoemd
(Gastrosteus aculeatus) is kenbaar aan de drie vrije stralen vóór
de rugvin: de eerste is boven den wortel der borstvin aangehecht,
de derde of kleinste op het midden van den afstand tusschen den kop
en den wortel van de staartvin, de tweede of grootste iets nader bij
den eersten dan bij den derden en tegenover de twee nog iets steviger
doornen, die de buikvinnen vertegenwoordigen. De zijden van den romp
zijn meer of minder volledig met korte, hooge pantserplaten bedekt;
in de pantsering en de bewapening met doornen worden verschillende
afwijkingen opgemerkt, die gedeeltelijk standvastig overerven
en hierdoor aanleiding hebben gegeven tot het onderscheiden van
verschillende ondersoorten. Deze soort wordt 7 à 8, hoogstens 9
cM. lang en is op de bovendeelen groenachtig bruin of zwartblauw, op
de zijden en den buik zilverkleurig, aan de keel en de borst bleek
rozerood of bloedrood; ook de kleur varieert zeer en is bovendien
gedurende den rijtijd veel levendiger dan gewoonlijk.
Dit vischje bewoont geheel Europa met uitzondering van het
Donau-gebied, waar het tot dusver nog niet waargenomen werd. Overal,
waar het voorkomt, is het zeer veelvuldig, en in sommige gedeelten
van de zee niet minder algemeen dan in het zoetwater. Bij ons ontmoet
men het in grooten getale in alle binnenwateren, sloten, kanalen,
veenplassen, enz., minder talrijk echter in beken en rivieren. Vooral
van Januari tot Maart of April wordt het in de Zuiderzee overvloedig,
te gelijk met de Spiering en de Sprot, gevangen. Zeer algemeen is het
in het ankerkuilvischwater; letterlijk overal wordt het aangetroffen
in de Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. Door
de visschers wordt het zeer gehaat: het is oneetbaar en verslindt
veel vischkuit; op sommige plaatsen vindt men het in zoo groote
hoeveelheid, dat het als zwijnenvoer, als mestspecie en voor het
traankoken kan dienen.
De hoogstens 6 cM. lange Tiendoornige Stekelbaars, ook Zwarte
Stekelbaars en in Groningen Kleine Stekelspoor genoemd (Gastrosteus
pungitius), een van de kleinste zoetwatervisschen, is even verbreid
als de vorige soort, maar op vele plaatsen, ook in ons land, minder
algemeen en menigvuldig dan deze. Behalve in ons zoetwater wordt hij
ook langs het zeestrand aangetroffen, waarheen hij waarschijnlijk
door de rivieren en sluizen geraakt. In den ankerkuil wordt hij
zelden gevangen; evenmin als de vorige soort, is hij als voedsel
geschikt. Van deze verschilt hij door een eenigszins ranker gestalte;
de doornen op den rug, ten getale van 9 à 11, zijn zwakker en
bijna gelijk van lengte. Pantserplaten komen bij hem niet voor; aan
weerszijden van den staart bevindt zich soms een reeks van ongeveer
10 moeielijk waarneembare gekielde schubben. De bovendeelen zijn
geelachtig olijfgroen, de overige deelen zilverwit, met zeer fijne
zwarte stipjes geteekend, die onduidelijke dwarsbanden vormen. De
vinnen zijn witachtig. Gedurende den zomer wordt bij het mannetje de
zilverwitte kleur van den buik dikwijls door donkerzwart vervangen.
De 15 à 18 cM. lange Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia), het
grootste lid van zijn geslacht, verschilt aanmerkelijk van de reeds
genoemde soorten. Zijn romp, maar vooral de twee laatste derden van
den staart zijn zeer verlengd en rank. Het vijfkantige lichaam is
langs de zijden met 41 gekielde beenplaten bedekt. De kop eindigt
in een zeer spitsen snuit en is even lang als de romp, die zelf even
lang is als het spitse gedeelte van den staart. Op den rug komen 15
tamelijk kleine, een weinig achterwaarts gekromde stekels voor. De
bovenkop, de rug en het dunne gedeelte van den staart zijn olijfbruin,
de zijden geelachtig, de wangen, de kieuwdeksels, de keel en de buik
zilverachtig wit; de tweede rugvin en de aarsvin zijn soms van voren
met een zwarte vlek voorzien.
De Noordzee in haar geheelen omvang en de Oostzee worden door den
Zeestekelbaars bewoond; van hier dwaalt hij zuidwaarts af tot in de
golf van Biscaye; nooit zwemt hij ver de rivieren op, maar vermijdt
steeds het zoetwater. Hij werd langs onze geheele kust, van Zeeland tot
Groningen, en zelfs in de Zuiderzee waargenomen, meestal echter slechts
in kleinen getale; hij is dus alles behalve gemeen. Hij is als voedsel
onbruikbaar en, wegens de pantserplaten, zelfs voor aas niet geschikt.
Er zijn weinige Visschen, die zoovele aantrekkelijke eigenschappen
in zich vereenigen als de Stekelbaarzen. Zij zijn levendig en
vlug, behendig, roofzuchtig en tot vechten geneigd, moedig door het
vertrouwen op hunne voor andere Visschen gevaarlijke wapens, daarom ook
wel overmoedig, doch vol teedere zorg voor hun nakomelingschap. Wegens
al deze eigenschappen houdt men ze gaarne in gevangenschap, waarvan
het gevolg is geweest, dat hun levenswijze vrij nauwkeurig bekend is.
In een ruim aquarium met overvloedigen watertoevoer gelukt het
altijd hun het verlies van hun vrijheid te doen vergeten; in kleine,
nauwe bakjes daarentegen brengen heimwee en de groote wijziging der
levensomstandigheden aanvankelijk een groote sterfte teweeg; het blijkt
dan duidelijk hoe prikkelbaar en opgewonden deze dieren zijn. In een
ruime woning zwemmen de Stekelbaarzen, die men er gelijktijdig in heeft
gebracht, in 't eerst gezellig rond; zij doen een verkenningstocht,
onderzoeken iederen kant, elken hoek, alle plekjes. Plotseling neemt
een van hen bezit van een zekeren hoek of van een bepaald deel van den
bak; een woedende strijd ontbrandt tusschen den overweldiger en ieder,
die zich verstout, hem zijn verovering te betwisten. Beide kampioenen
zwemmen met den grootst mogelijken spoed om en naast elkander,
aanhoudend bijtend en met de vreeselijke doornen schermend. Dikwijls
is eerst na verscheidene minuten de strijd beslist; zoodra een der
vechtersbazen achteruitwijkt, zwemt de overwinnaar, die blijkbaar ten
hoogste verbitterd is, hem achterna; de vervolgde wordt van het eene
deel van 't aquarium naar het andere gedreven, totdat hij bijna te
vermoeid is om zich te bewegen. De stekels worden met zooveel kracht
gebruikt, dat dikwijls een van de kampioenen doorboord en dood naar
den bodem zinkt. Mettertijd heeft ieder vischje zijn eigen gebied
en is de ruimte verdeeld tusschen drie of vier kleine despoten,
die elkander in 't oog houden en bij iedere overschrijding van de
grenzen den overtreder aanvallen en met hem strijdvoeren. Dit doen
zoowel de mannetjes als de wijfjes.
De kleur der Stekelbaarzen ondergaat groote veranderingen, die
in verband staan met hunne verschillende gemoedsaandoeningen. Het
groenachtige Vischje met zilverkleurige vlekken prijkt, als het van
strijdlust blaakt, met schitterende kleuren: de buik en de onderkaak
zijn donkerrood geworden; de rug heeft roodachtig gele en groene tinten
verkregen; het regenboogvlies, dat in normalen toestand witachtig is,
vertoont een donkergroenen glans. Even schielijk treedt de reactie in;
de overwinnaar verbleekt, zoodra hij het onderspit delft.
In zeer wijde bakken of in de vrije natuur, zwemmen de Stekelbaarzen
snel en behendig, springen dikwijls hoog boven het water uit, vermaken
zich met allerlei spelen, maar letten intusschen op al wat er om
hen heen gebeurt, vooral op de jonge vischjes, die hun voornaamste
voedsel uitmaken. Om sterkere roofvisschen bekommeren zij zich over
't algemeen weinig, waarschijnlijk op grond van het bewustzijn van de
doelmatigheid hunner eigene verweermiddelen: werkelijk worden zij naar
men zegt, zelfs door machtige roovers gemeden. De Snoek o.a., die alles
wat eetbaar is, verslindt, deinst af voor hunne stekels. Slechts groote
zeevisschen, zooals Dorschen en Zalmen, vullen onbezorgd hun maag met
deze dwergjes. Ondanks hun weerbaarheid en schijnbare achteloosheid
kennen zij hunne vijanden zeer goed, zooals blijkt uit het oprichten
van hunne wapens bij de nadering van door hen gevreesde Visschen.
Niet minder onverschrokken dan in tijden van gevaar, zijn de
Stekelbaarzen bij hun dagelijksch bedrijf. Zij maken jacht op alle
dieren, die zij kunnen overmeesteren en toonen een verbazenden
eetlust. Indien zij slechts de grootte van Baarzen hadden, zouden
zij onze binnenwateren leegmoorden en ons buitengewoon veel nadeel
toebrengen, hoezeer zij ons ook door hun schoonheid bekoren.
Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen
is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als
de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde
standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en
strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen
durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend
zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken
gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven
het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt;
zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is,
of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De
Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest;
zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van
het strand, waartusschen zij zich over 't algemeen gaarne ophouden:
een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook
zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd
met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een
vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet
hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van
dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen,
soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van
levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen;
die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt,
de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester
stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen
en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het
vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind;
om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid
te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds
aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en
verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt
ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest,
althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken,
voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen
van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne
uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen
noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders
en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan
't werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de
nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een
Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze
of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen
werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in
den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte
van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats
als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer
zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van
boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een
uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan,
later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn
nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt
hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand
en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het
water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig
is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest
leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op
deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze
tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje
zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars,
die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen
en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de
mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene,
eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot
aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op
een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met
den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval
ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien
begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een
trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water
in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof
toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk
van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen
telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt,
bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer
eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te
beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig
blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het
nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den
grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs,
naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in 't zwemmen; hij
bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn
om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.
In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk
verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven,
dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de
mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt.
Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus
betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende
verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote
Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt,
hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk
sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in
plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit
geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige
werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar
op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek,
n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om 't leven komen en
hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere
plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de
vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat;
op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk
uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min
of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt
ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen
zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van
Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte,
totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt.
In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in
sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen,
Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie
op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor
oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke
toebereiding een smakelijke soep.
Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam
buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange
buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de
tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben
zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat
uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden
door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig
of buikstandig, maar in 't laatstgenoemde geval gescheiden van de
bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven.
Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele,
korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2
lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide
middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad,
die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart;
de huid is wegens het ontbreken der schubben glad.
De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht
is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang
kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De
bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet;
de onderzijde heeft een zilverwitte kleur.
De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen,
bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen
ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde
grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar
maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers
voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren.
De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts
één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is
kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker
geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt
blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende
stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der
Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat,
maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den
schoudergordel gesteund wordt.
De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis)
barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van
ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel
uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn
laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin
begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur
is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken
door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine,
veelal op dwarsrijen geplaatste stippen.
Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en
Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee
en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve
gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar
men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.)
Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke
onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal
soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig
samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten,
van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen
oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen
borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels
zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen
ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden
der volgende onderorde) geen eigenlijken "doolhoftoestel" hebben
ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land,
staat hun kieuwholte met een voor 't zelfde doel dienende, bijkomende
holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele
lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin
afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm
af. Een zwemblaas is aanwezig.
"De Slangenkopvisschen," zegt F. Day, "kunnen wegens de holten in hun
kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water
verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit
eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den
staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs
te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige
soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen
van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen;
andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook
wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten
aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de
voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen
zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide
gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van
uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige
Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen
gedurende plasregens uit de lucht komen vallen.
"Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan,
Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische
Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee
gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe
en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van
Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige
smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water
buitgemaakt zijn."
Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes
genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet.
De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus),
die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt
een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van
onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden
scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen.
De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen
van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied)
Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een
nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in
Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk
ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte
der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De
bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit;
de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen
als stippels en vlekken voortzetten.
Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in
rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras
begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche
mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven,
bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij
paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats
haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze
kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere
voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng
bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom
of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder
den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf
te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door
den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen,
dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre
van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op
het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water
naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de
Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder
water gestaan, en bleef hem bij 't invallen van de droogte, niets
anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water
in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans
uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven.
Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige
exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden
rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet
zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze
slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met
graagte gegeten.
Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica,
die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht
volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag
verhardt, als 't ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij
aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus
het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren
achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt
is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid,
dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en
als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk
berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen
van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar
Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen
met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende
ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel
organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen,
die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen
verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een
storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een
hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de
kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger
volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat
zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water
verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over
land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking
als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde
"doolhoftoestel", waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii)
hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne,
oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker
aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel
van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden
en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven,
die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de
lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van
kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen,
die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden
alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici)
vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze
familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in
Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika.
De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden,
zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig,
het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang,
haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen;
de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort.
De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri
of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere
Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20
cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig;
de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen
roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele
exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend,
andere vrij wel effenkleurig.
Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de
Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de
stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet
men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed
zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet.
Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw
Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn
element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft,
deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water
terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw
Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort
naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de
als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs
den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun
stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door
vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich
gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt.
De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt
niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het
bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich
gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren
verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan,
die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare
ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris,
regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: "Onlangs bezichtigde ik
den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het
water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat
er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden,
om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den
rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan 't eten was. Dit
trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en
"Visschen, Visschen!" riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij
in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte
Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel
het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij
snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels
van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden
hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk
bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een
geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen
niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort
als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen."
"Hoe meer de watervergaarplaatsen uitdrogen, des te meer hoopen
de hier wonende Visschen zich op in de kleine plassen, die nog
water bevatten of in den vochtigen modder. Hier ziet men ze
bij duizenden dooreenkrioelen in het brijachtige slijk. Als ook
dit verdroogt, begeven zij zich over land naar andere vijvers,
die nog water bevatten. Eens zag ik er honderden in de nabijheid
van een zoo even door hen verlaten vijver; zij verspreidden zich
in verschillende richtingen en vervolgden hun weg ten spijt van
alle bezwaren en hinderpalen. Daar de bedoelde plas tot dusver als
drinkplaats gediend had voor de tamme en wilde dieren uit de buurt,
was de grond hier overal ingetrapt; niet weinige Visschen vielen in de
diepe, door voetstappen veroorzaakte kuilen, waaruit het voor sommige
niet mogelijk was weg te komen, zoodat Wouwen en Kraaien een rijke
vangst deden. Ik kreeg den indruk, dat deze verhuizingen uitsluitend
's nachts plaats hadden, want ik heb nooit anders dan gedurende de
morgenuren trekkende Visschen gezien. Ook heb ik opgemerkt, dat de
exemplaren, die ik levend opzocht en in een tobbe met water hield,
over dag rustig bleven, des nachts echter pogingen deden om hun
gevangenis te verlaten en dikwijls werkelijk ontsnapten."
Deze zelfde Visschen begraven zich zoo noodig in 't slijk; misschien
doen zij dit, na vooraf getracht te hebben water te vinden; misschien
geven zij zich deze moeite niet eens, steken dadelijk den snuit in
den modder en dringen, de vochtigheid volgend, hierin door. Volgens de
aan Tennent verstrekte opgaven hangt de diepte, waarop men ze vindt,
van de gesteldheid van den grond af. De aardlaag, die hen bedekt,
heeft een dikte van 1/2 M. of meer, is dikwijls in alle richtingen
gebarsten en zoo droog, dat zij bij 't oplichten in stukken valt. De
Visschen zelf liggen in een laag, die gewoonlijk nog eenigszins vochtig
is, doch, naar het schijnt, ook wel kan uitdrogen, zonder dat hun
leven gevaar loopt. De inboorlingen graven gedurende de droogte uit
de diepste gedeelten van de bedding der vijvers de Visschen op; deze
liggen bewegingloos in het slijk, dat hen aan alle zijden omgeeft, maar
beginnen zich dadelijk te bewegen, nadat men ze er uitgehaald heeft.
Onmiddellijk na de eerste regenbuien, als de watervergaarplaatsen sinds
weinige uren, of hoogstens dagen, gevuld zijn, houden de Singaleezen
zich ijverig met de vischvangst bezig. Zij maken hiertoe gebruik van
een korf zonder bodem, die zij, door de plas wadend, voor zich uit
duwen en met den benedenrand in den grond steken, zoodra er Visschen
in zijn, die er vervolgens van boven met de hand uitgenomen worden.
Op Java ziet men den Klimbaars soms op aanmerkelijken afstand van
het water, waar hij uren achtereen over den grond kruipt; ook kan
hij met de stekels van de buikvinnen en de randen der kieuwdeksels
bij de dooreengewarde wortels der rhizophoren of wortelboomen, die
de kust omzoomen, opklimmen en hier zijn prooi belagen.
Een door fraaie kleur, eigenaardigen vorm en merkwaardige levenswijze
uitmuntende soort van Doolhofvisschen, die door de Chineezen sinds lang
gefokt wordt, heeft men in Frankrijk voor 't eerst leeren kennen door
de exemplaren, die de Fransche consul Simon uit Ningpo overzond. Deze
Visch, die zich in de gevangenschap zonder bezwaar voortplant en thans
een sieraad van menig aquarium uitmaakt, is een door kweeking verkregen
ras van de Grootvin [Polyacanthus (Macropodus) viridi-auratus]
en wordt door de liefhebbers meestal Paradijsvisch genoemd. Hij
vertegenwoordigt het geslacht der Veeldoornen (Polyacanthus), dat 7
soorten van Oost-Indische zoetwatervisschen omvat. Deze hebben een
langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, talrijke stekels in de
rugvin en aarsvin, kleine tanden in de kaakbeenderen en een tandeloos
gehemelte. Zij onderscheiden zich bovendien door een eigenaardige
inrichting ter beschutting van het doolhoftoestel, bestaande uit
een kegelvormige holte aan weerszijden van het voorste deel der
wervelkolom, aan welks vorming de 5 eerste wervels en hunne ribben
deelnemen. Bij de bedoelde variëteit zijn de achterste gedeelten van
rugvin en aarsvin zeer groot en van achteren tot een punt uitgetrokken,
de staartvin zeer groot, tweelobbig, halvemaanvormig. De bruinachtige
kleur van de bovenzijde gaat naar onderen in grijsgroen over; de
teekening bestaat uit afwisselende, geelgroene (of blauwachtige)
en roodachtige dwarsstrepen; het groene kieuwdeksel prijkt met een
gelen rand. Bij het wijfje zijn de vinnen minder ontwikkeld en de
kleuren doffer. Lengte: 8 à 9 cM.
Van het leven van den Paradijsvisch in de vrije natuur is ons niets
bekend; sommige onderzoekers beschouwen hem als het voortbrengsel van
een lang voortgezette teeltkeus. In China wordt hij algemeen gekweekt
en nagenoeg op dezelfde wijze als onze Goudvisch behandeld; veel eerder
dan deze zal hij zich echter in een beperkte ruimte voortplanten. Zijn
leven in den gevangen staat wordt door Benecke op de volgende wijze
beschreven: "De dieren kwamen in goeden welstand aan en begonnen,
toen zij in een bak van ongeveer 40 liter inhoud gebracht waren,
onmiddellijk de kleine Schaaldieren, larven van Muggen en Wormen
te verslinden, die tusschen de waterpest (Elodea canadensis)
rondzwommen. Reeds in de eerste dagen moesten zij hun levenswijze
veranderen. Toen zij de tot voedsel geschikte dieren verbruikt hadden,
verving ik deze door 2 soorten van kleine Schaaldieren, Watervlooien
(Daphnia) en Schelpvlooien (Cypris). De laatstgenoemde diertjes hadden
zij bij mij en waarschijnlijk evenmin vroeger leeren kennen; zij grepen
ze zeer dikwijls, maar lieten ze aanvankelijk steeds kopschuddend
weer los. Na verloop van 2 dagen echter wilden zij niet anders dan
Schelpvlooien eten en lieten de Watervlooien onaangeroerd, hoewel ik
vele van deze diertjes in het water bracht; slechts nu en dan hapten
zij naar een buitengewoon vet exemplaar. Aanvankelijk had ik mij hun
eetlust minder groot voorgesteld: dit bleek mij, toen ik eens geen
kleine Schaaldieren of larven van Insecten had kunnen krijgen. Zij
verslonden toen met smaak niet slechts zeer kleine, maar ook groote
Regenwormen, zelfs exemplaren, die 5 à 8 cM. lang en 2 mM. dik waren.
"Kort na hun aankomst, vooral in de voormiddaguren, als de stralen van
de morgenzon af en toe hun woning verlichtten, begonnen deze Visschen
hun bekoorlijk minnespel. Dit gaat, als naar gewoonte, gepaard met
het toenemen van de schoonheid en volheid der kleuren, die weer
verflauwen, wanneer men het paar scheidt. Ongeveer 4 weken later had
de romp van het wijfje een grooteren omvang verkregen en begon het
mannetje een nest te bouwen. Met dit doel kwam het telkens aan de
oppervlakte van 't water, vulde den bek met lucht en liet deze daarna
onder water in kleine, door een speekselvliesje omhulde bellen weer
ontwijken; hierdoor ontstond een tamelijk stevig samenhangende laag van
luchtbellen, die dikwijls door nieuwe vervangen werden. Het mannetje
stond gewoonlijk onder deze laag in den eenen hoek van den bak, het
wijfje in den tegenovergestelden hoek; om te spelen begaven beide
zich echter naar het midden van den bak, waar geen planten waren."
Nu begint het eieren leggen. Deze vallen slechts bij uitzondering op
den bodem, maar stijgen in den regel naar den waterspiegel en blijven
hangen of zweven aan de onderzijde van het uit schuim bestaande
nest, waaronder het kuitschieten steeds plaats vindt. Die, welke op
den bodem vallen, worden door het mannetje opgezocht en in het nest
gebracht. Na verloop van eenigen tijd, in 't geheel ongeveer 10-maal
per dag, herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. In de tusschenpoozen
en ook na afloop van het kuitschieten tot aan het te voorschijn
komen der jongen, is het mannetje telkens bezig met herstellingen
aan het nest te verrichten en de eieren zoo te rangschikken, dat
er één onder iederen schuimbel ligt; tevens waakt het ijverig en
zorgvuldig voor de veiligheid van eieren en kroost. Ongeveer 24 uren
na het leggen van het ei, wordt de donkere kiemvlek op den lichtgelen
dooier zichtbaar; één dag later kan men het hart zien kloppen; 12 à
18 uren daarna wordt het ei verlaten door het jonge vischje, dat nog
geen mondopening heeft en op een zeer kleine kikkerlarve gelijkt;
op den 5den of 6den dag heeft het den vorm zijner ouders verkregen;
in de 8e levensmaand is het volwassen. Zoolang het nog de hulp van
de ouders behoeft, is het mannetje vol zelfverloochenende zorg. Op
gelijke wijze als de mannelijke Stekelbaars houdt ook de Grootvin
het jonge, onrijpe kroost bijeen en handhaaft streng de orde onder
zijne kinderen. Zoodra een van de jonge vischjes zich te ver uit de
buurt begeeft, grijpt hij het met den muil, slikt het in spuwt het
weder uit in het tot beschutting dienende schuimnest. Op een even
zonderlinge als doeltreffende wijze toont hij, naar men zegt, zijn
zorgvuldigheid voor zieke of achterlijke jongen: zulk een schepseltje
wordt met een vooraf gemaakte luchtbel omhuld en op deze wijze als
't ware tot een nieuw leven opgewekt. Zoodra de jongen de hulp van den
vader niet meer noodig hebben, laat deze hen aan hun lot over, en ziet
er zelfs, evenals het wijfje, geen bezwaar in, ze te verslinden. De
jongen voeden zich aanvankelijk met het schuim van het nest, later
met uiterst kleine Infusiediertjes, vervolgens met verschillende voor
het ongewapende oog zichtbare lagere dieren en ten slotte op dezelfde
wijze als hunne ouders.
Zoowel door de hierboven beschreven handelingen en gewoonten, als
door hun verrassende vruchtbaarheid, verdienen de Paradijsvisschen
ten zeerste de belangstelling van alle liefhebbers van dieren. Men
bericht, dat een enkel paar van deze Visschen gedurende één zomer
6-maal kuitgeschoten, telkens 400 à 600 jongen grootgebracht en
dus aan niet minder dan 3000 nakomelingen het leven geschonken
heeft. Waarschijnlijk zal daarom dit dier hoe langer hoe meer voor
aquariën gebruikt worden en misschien den Goudvisch zoo niet geheel,
dan toch ten deele verdringen.
Vermelding verdient nog de Goerami of Ikan-goerami (Osphromneus olfax),
de koning der Javaansche zoetwatervisschen, wiens smakelijk vleesch
zoowel door Europeanen als door inlanders hoog geschat wordt. Deze zeer
groote Visch, die soms meer dan 2 M. lang en ruim 10 KG. zwaar wordt,
heeft, evenals de andere leden van zijn geslacht, een zijdelings zeer
sterk samengedrukt lichaam van onregelmatige eivormige gedaante, aan
den buik sterker buitenwaarts gekromd dan aan den rug, een kleine
mondopening met naar voren verschuifbare tusschenkaaksbeenderen en
eenigszins vooruitstekende onderkaak, fijne, fluweelachtige tanden
in beide kaken, fijne tandjes aan den rand van het voordeksel en
aan het onderoogkasbeen, een aarsvin, die de rugvin verre in de
lengte overtreft en buikvinnen, waarvan de eerste straal zeer sterk
borstelvormig verlengd is. Hij heeft een roodachtig bruine rugzijde
met donkerder dwarsstrepen; de zilverkleurige buik is als 't ware
met bruine, halvemaanvormige vlekken geteekend, omdat de overigens
licht gekleurde schubben een bruinen rand hebben; aan den wortel van
iedere borstvin bevindt zich een onregelmatige, zwarte vlek.
De Goerami bewoont de Groote Soenda-eilanden. Hier leeft hij op de
wijze van onze Karpers in stille, overvloedig met planten begroeide
zoetwaterplassen; hij geeft aan zuiver water de voorkeur, doch gedijt
ook in modderige vijvers en poelen, verbergt zich gaarne in holen en
voedt zich met plantaardige stoffen. Wegens zijn vleesch, dat, naar
gezegd wordt, boven dat van alle overige zoetwater- en zeevisschen te
verkiezen is, kweekt men hem in en bij Batavia in vijvers of houdt hem
in groote steenen potten, waarvan het water iederen dag ververscht moet
worden. De gevangen dieren worden gevoed met een zoetwaterplant (Pista
natans); deze gewone spijs kan men echter zeer goed vervangen door
voedsel, dat ook hier verkrijgbaar is: kool, salade, zuring, rapen,
zemelen, brood, rijst, maïs, boonen en gekookte aardappelen; bovendien
eet dit dier ook Wormen, Insecten, kleine Visschen en Vorschen,
zelfs stukjes vleesch, hetzij rauw of toebereid. De pogingen om den
Goerami, die wegens de taaiheid van zijn leven, de gemakkelijkheid,
waarmede hij gevoed kan worden en de kwaliteit van zijn vleesch ten
zeerste aanbeveling verdient, ook in andere landen te acclimatiseeren
zijn velerwege (Penang, Malakka, Mauritius) uitmuntend geslaagd en
doen elders (zelfs in Europa) een goeden uitslag verwachten.
Ook de Goerami onderscheidt zich door de zorg, die de ouders voor de
eieren en de jongen dragen. In een eivormig nest, dat in een hoek
of tusschen waterplanten gebouwd wordt, legt het wijfje 800 à 1000
eieren, die zich aanvankelijk met de bestanddeelen van hun nest voeden.
De 18de onderorde van de Stekelvinnigen is die der Lintvisschen
(Taeniiformes); zij vormen één gelijknamige familie (Trachypteridae)
en kenmerken zich door een lang en hoog, zijdelings zeer samengedrukt
en dus lintvormig lichaam met kleinen kop en groote, uitpuilende oogen;
de mondopening is klein en kan tot een korten snoet verlengd worden;
deze is tandeloos of met zwakke tandjes gewapend; de rugvin, die zich
over de geheele rugzijde uitstrekt, wordt gesteund door ongelede
stralen, behalve op den kop, waar zich buigzame stekels bevinden,
die zich door een eigenaardigen vorm en een buitengewone lengte
onderscheiden; de buikvinnen zijn een weinig achter de meestal zeer
kleine borstvinnen aangehecht en soms sterk ontwikkeld; de aarsvin
ontbreekt; de staartvin is onbeduidend en niet in de lengteas van
het lichaam gelegen, maar naar boven gericht; de wervels zijn zeer
talrijk. De huid bevat uiterst kleine schubben of is naakt.
De Lintvisschen, waarvan 3 geslachten met 16 soorten onderscheiden
worden, leven op aanzienlijke diepten en bewonen waarschijnlijk
alle zeeën; slechts zelden en steeds in dooden toestand wordt er een
enkel exemplaar van gevonden. Ten gevolge van de vermindering, die op
de spankracht der gasvormige bestanddeelen van het lichaam bij den
overgang uit de diepte naar de oppervlakte der zee ondergaat, zijn
het spierweefsel en het van nature zacht en poreuze beenweefsel zoo
onsamenhangend, dat het bijna niet mogelijk is dergelijke exemplaren
onbeschadigd uit het water te halen; zij gaan zeer spoedig tot
ontbinding over en kunnen dikwijls zelfs in spiritus niet goed bewaard
worden. Van de levenswijze dezer dieren is niets bekend.
Chipfish of "Spaanvisch" (Trachypterus arcticus) noemen de Engelschen
een, naar het schijnt, uit noordelijke zeeën afkomstige Lintvisch,
die herhaaldelijk aan de kusten van Groot-Brittannië, vaker evenwel
aan die van Skandinavië en IJsland aangespoeld is, maar zoowel hier
als daar zelden voorkomt. Deze Visch heeft bij een lengte van 150 een
hoogte van 20 en een dikte van slechts 2 cM.; hij gelijkt dus werkelijk
op een houtspaander. De kop en de romp zijn zilverwit, gene grijsachtig
gemarmerd, deze aan weerszijden met twee schuins geplaatste, eivormige
vlekken geteekend; de vinnen hebben een lichtroode kleur. De staartvin,
die bij volwassen exemplaren slechts zelden aangetroffen wordt, is
waaiervormig naar boven gericht. De buikvinnen zijn goed ontwikkeld,
uit verscheidene min of meer vertakte stralen samengesteld. Aan de
kusten van Europa en aan de westkust van Zuid-Amerika heeft men nog
8 andere soorten van hetzelfde geslacht aangetroffen.
Den 23en Februari 1788 strandde op de kust van Groot-Brittannië een
Visch, die 2.5 M. lang, 24 cM. hoog, 6 cM. dik en 20 KG. zwaar was. Men
noemde dit aan alle visschers onbekende dier Paddlefish (Riemvisch),
omdat zijn vorm aan een roeiriem herinnerde. Een tweede exemplaar van
dezelfde soort, ruim 4 M. lang, 30 cM. hoog en 8 cM. dik, werd den
18en Maart 1796 gevonden. In 't geheel zijn van 1759 tot 1878 zestien
Riemvisschen op de Britsche kust aangespoeld (één daarvan was 6 M. lang
en slechts ongeveer 5 cM. dik); het is echter niet uit te maken, of
zij alle tot dezelfde soort behooren als de eerstgenoemde. Bij deze
(Regalecus Banksii) bedraagt de lengte van den kop 1/16, de hoogte
van den romp 1/13 van de totale lengte. De snuit is afgeknot, de mond
tandeloos, de bovenkaak verschuifbaar. De groote oogen zijn zijdelings
voor en boven aan den kop gelegen en beslaan niet minder dan 1/6 van
de lengte van den kop. Een vliezige zoom strekt zich uit langs den
buik. Van de 264 à 290 rugvinstralen zijn de 12 à 15 eerste sterk
verlengd, aan den top een weinig achterwaarts gebogen en hier voor
een deel tot dubbele dikte verbreed; eenige daarvan zijn tot dicht
bij de spits door een vlies vereenigd, de overige vrij; de korte
stralen steunen een vinvlies van gelijkmatige hoogte; de borstvinnen
zijn klein; elke buikvin bestaat uit één zeer langen en spitsen
straal. De romp is met talrijke beenige schildjes bedekt, waarvan
de grootste op vier langs de zijden van den romp hoekig uitpuilende
kanten voorkomen en de overige onregelmatig verstrooid zijn. De teere,
witte kleur vertoont een zilverachtigen glans; de teekening bestaat
uit afgebroken, donkere strepen. De vinnen zijn oranjegeel.
De zeldzaamheid van deze Visschen en de toestand, waarin zij bij
het aanspoelen verkeeren, pleiten ten gunste van de onderstelling,
dat zij in diepe lagen van de zee leven. In verband met de vroeger
heerschende onjuiste meening, dat uit de IJszee de haringscholen
afkomstig zijn, heeft men den Riemvisch ook wel "Haringkoning" genoemd,
evenals de Zonnevisch.